De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank Rotterdam om vier minderjarige kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar, vanwege toenemende zorgen over hun welzijn en gedrag, met name op school. De kinderen wonen bij hun moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag heeft over twee van hen. De Raad en de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland (GI) zijn reeds betrokken bij de oudere zus van de kinderen.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, waren vertegenwoordigers van de Raad en GI aanwezig, evenals de ouders telefonisch. De moeder werd bijgestaan door een beëdigde tolk Malinké. Zowel de moeder als de vader stemden in met het verzoek tot ondertoezichtstelling en gaven aan de inzet van de GI te waarderen, vooral met betrekking tot begeleiding van schoolwerk.
De kinderrechter concludeerde dat er forse zorgen bestaan over het welzijn en de ontwikkeling van de kinderen, en dat de ouders niet in staat zijn deze binnen het vrijwillig kader weg te nemen. De voorwaarden voor ondertoezichtstelling zijn daarmee vervuld. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt voor de periode van 25 november 2025 tot 25 november 2026. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.