ECLI:NL:RBROT:2025:14811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/10193 V
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling toeslagjaar 2017 en niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan op het verzet van [opposante] tegen een eerdere uitspraak van 10 april 2025, waarin het beroep wegens niet tijdig beslissen op haar aanvraag om herbeoordeling van toeslagjaar 2017 niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank stelt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook als ze betrekking hebben op verschillende toeslagjaren. Dit betekent echter niet dat er geen beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld na een beslissing over andere jaren. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij in haar eerdere uitspraak het besluit van 27 december 2024 niet heeft meegenomen in haar beoordeling, wat in strijd is met artikel 6:20 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is het verzet gegrond verklaard.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat, omdat er inmiddels op de aanvraag is beslist, [opposante] haar procesbelang bij het beroep wegens niet tijdig beslissen heeft verloren. De rechtbank verwijst het beroep van rechtswege naar de Dienst Toeslagen om dit als bezwaar in behandeling te nemen. Tevens is de Dienst Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van [opposante]. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige beslissingen door bestuursorganen en de rechten van burgers in het kader van bestuursrechtelijke procedures.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10193 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025

op het verzet van

[opposante] ([opposante]), uit [plaatsnaam],

(gemachtigde: mr. K. Hoesenie),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 april 2025 (de uitspraak) in het geding tussen
opposante
en

Dienst Toeslagen

en uitspraak in de zaak tussen

[opposante]

en

Dienst Toeslagen

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van [opposante] gaat over de uitspraak van de rechtbank waarin de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen op haar aanvraag om een herbeoordeling over toeslagjaar 2017 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank voorts opnieuw uitspraak op het beroep wegens niet tijdig beslissen van [opposante]. Omdat niet om een zitting is verzocht en een zitting niet nodig is, wordt die einduitspraak vereenvoudigd afgedaan met toepassing van artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. [opposante] heeft destijds meermaals beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op haar bezwaren tegen de besluiten met de kenmerken UHT-DC 1, UHT-DC-1 A en UHT-DC5 A over de toeslagjaren 2015 tot en met 2016 waarin de rechtbank meermaals uitspraak heeft gedaan. Uiteindelijk heeft de Dienst Toeslagen op 26 maart 2024 een besluit op bezwaar genomen met kenmerk UHT-BOB M.
4. Op 17 april 2024 heeft [opposante] een aanvraag gedaan inzake de dezelfde regeling, maar dan over 2017 omdat daarover nog niet was beslist door de Dienst Toeslagen. Op 25 oktober 2024 heeft de Dienst Toeslagen een ingebrekestelling ontvangen en op 12 november 2024 heeft [opposante] beroep wegens niet tijdig beslissen ingesteld. Met een besluit van 27 december 2024 met kenmerk UHT-DCHOA heeft de Dienst Toeslagen beslist op die aanvraag. Besloten is dat [opposante] voor het toeslagjaar 2017 geen recht heeft op een vergoeding.
5. In de uitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van het gewijzigde verweerschrift van de Dienst Toeslagen overwogen dat de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) er van uitgaat dat op één aanvraag één beslissing volgt. Een tweede aanvraag kent de Wht niet. De rechtbank heeft daarbij gewezen op haar uitspraken van 17 december 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:13134) en 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:3467). Dat de Dienst Toeslagen ten onrechte een jaar niet beoordeeld zou hebben, dient hersteld te worden via de bezwaarprocedure. De beschikkingen van 18 augustus 2022 en de beslissing op bezwaar van 26 maart 2024 hangen samen met de beslissing over het toeslagjaar 2017, zodat aan de Dienst Toeslagen slechts eenmaal een dwangsom kan worden opgelegd wegens te laat beslissen. Afzonderlijk beroep instellen leidt niet tot dubbele dwangsommen en heeft dus geen zin. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de beslissing op bezwaar op 26 maart 2024 bekend is gemaakt. Omdat in de uitspraak is overwogen dat [opposante] met dit beroep niet kan bereiken dat de Dienst Toeslagen opnieuw dwangsommen verbeurt wegens niet-tijdig beslissen, is in de uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
6. De rechtbank oordeelt als volgt.
7. In zijn algemeenheid neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat aanvragen en besluiten met betrekking tot dezelfde regeling samenhangend zijn, ook indien die zien op verschillende toeslagjaren (zie onder meer ECLI:NL:RBROT:2024:13134). Dit betekent echter niet dat nimmer een beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld op een aanvraag nadat is beslist over andere toeslagjaren, omdat onverkorte toepassing van dit uitgangspunt kan leiden tot de ontzegging van een rechtsingang (zie in dit verband ook de uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12801). In zoverre slagen de gronden van het verzet die hierop zien.
8. Ambtshalve neemt de rechtbank verder in aanmerking dat de rechtbank in de uitspraak heeft verzuimd het besluit van 27 december 2024 in haar beoordeling te betrekken, terwijl uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan, omdat dit niet tegemoet komt aan het beroep.
9. Gelet hierop is het verzet gegrond en kan de uitspraak niet in stand blijven.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

10. Omdat hangende dit beroep op de aanvraag is beslist, heeft [opposante] haar procesbelang bij het beroep wegens niet tijdig beslissen verloren (bijv. ECLI:NL:RVS:2023:2333). In dit verband overweegt de rechtbank dat de samenhang van de aanvragen wel met zich brengt dat niet nogmaals een bestuurlijke dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verbeurd (ECLI:NL:RBROT:2025:12801, punt 7), zodat hierin geen procesbelang is gelegen bij een gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen.
11. Met betrekking tot het beroep van rechtswege ziet de rechtbank aanleiding het beroep op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb naar de Dienst Toeslagen te verwijzen om dit als een bezwaar in behandeling te nemen.

Conclusie en gevolgen

12. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak is komen te vervallen. De rechtbank doet opnieuw uitspraak zonder zitting en verklaard het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en verwijst het beroep van rechtswege naar de Dienst Toeslagen om dit als een bezwaar in behandeling te nemen.
13. Omdat het beroep wegens niet tijdig beslissen destijds terecht is ingesteld, moet de Dienst Toeslagen het door [opposante] betaalde griffierecht vergoeden.
14. In overeenstemming met de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht – met de daarin per 1 januari 2025 vermelde bedragen – stelt de rechtbank om dezelfde reden de hoogte van de proceskostenvergoeding vast. Voor het indienen van een beroepschrift wordt 1 procespunt toegekend en voor het indienen van een verzetschrift 0,5 punt. Per procespunt geldt een waarde van € 907. Omdat het gaat om een beroep niet tijdig beslissen geldt een wegingsfactor van 0,5 voor zowel het indienen van het beroepschrift als voor het indienen van een verzetschrift. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen tot een proceskostenvergoeding van € 680,25 wordt veroordeeld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond,
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verwijst het beroep van rechtswege tegen het besluit van 27 december 2014 naar de Dienst Toeslagen om dit als bezwaar in behandeling te nemen;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 51 aan [opposante] moet vergoeden;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van [opposante] tot een bedrag van € 680,25.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de einduitspraak staat binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden verzet open. De partij die verzet aantekent kan daarbij verzoeken om te worden gehoord.