In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een huurgeschil tussen SSP-Dutch Properties 2 GmbH & Co. en een gedaagde huurder. De eiser, SSP-Dutch Properties, vorderde betaling van een huurachterstand van € 4.805,14, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de gehuurde woning. De gedaagde erkende de huurachterstand, maar voerde aan dat deze was ontstaan door financiële problemen en dat zij inmiddels weer in staat was om de huur te betalen. De kantonrechter oordeelde dat de gevorderde ontbinding en ontruiming niet gerechtvaardigd waren, omdat de huurachterstand bij dagvaarding minder dan drie maanden bedroeg en er zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de gedaagde in het spel waren. Bovendien vernietigde de kantonrechter een beding in de huurovereenkomst dat een extra opslag van maximaal 5% bovenop de CPI-huurverhoging toestond, omdat dit als oneerlijk werd aangemerkt. De kantonrechter wees ook de vorderingen tot incassokosten en rente af, omdat de eiser niet had aangetoond dat aan de gedaagde een rechtsgeldige veertiendagenbrief was verzonden en omdat de renteclausule in de huurovereenkomst als oneerlijk werd beschouwd. De gedaagde werd wel veroordeeld tot betaling van de proceskosten, die op € 1.169,45 werden begroot. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.