De rechtbank Rotterdam behandelde een kort geding waarin eiseressen vorderden dat gedaagde 1 de gehuurde bedrijfsruimte ontruimt vanwege een betalingsachterstand van €64.635,04 en dat gedaagde 1 en 2 hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van deze achterstand, boetes en lopende huurverplichtingen.
De huurovereenkomst bevatte algemene bepalingen met boetebepalingen bij te late betaling en onbevoegde onderverhuur. Gedaagde 1 had een aanzienlijke betalingsachterstand opgebouwd en had delen van de ruimte onderverhuurd zonder toestemming, wat volgens eiseressen een boete van €324.880,16 rechtvaardigde. Gedaagde 2 had als bestuurder hoofdelijk aansprakelijkheid gegarandeerd.
De rechtbank verklaarde eiseres 2 niet-ontvankelijk, bevestigde dat eiseres 1 verhuurder is, en veroordeelde gedaagde 1 tot ontruiming binnen 14 dagen. Tevens werden gedaagde 1 en 2 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstand, boetes wegens te late betaling, en lopende huurverplichtingen. De boete wegens onderverhuur werd afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en onduidelijkheid over de bevoegdheid tot onderverhuur.
De proceskosten werden aan gedaagden opgelegd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank oordeelde dat de betalingsachterstand en tekortkomingen voldoende gewicht hadden voor ontbinding van de huurovereenkomst en dat spoedeisend belang bestond bij ontruiming.