ECLI:NL:RBROT:2025:14845

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
C/10/424631 / HA RK 13-425
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperkingszaken ‘Delfborg I’ en ‘Delfborg II’ – verzet tegen de door de rechter-commissaris goedgekeurde staat van verdeling met betrekking tot Zweedse proceskosten

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 18 december 2025, wordt een beslissing genomen in het kader van een procedure tot beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van het zeeschip DELFBORG. De zaak betreft een verzet van Baltic Cable AB tegen de goedkeuring van de staat van verdeling door de rechter-commissaris, waarin de Zweedse proceskosten als erkende vordering zijn opgenomen. Baltic Cable heeft in 2013 een vordering ingediend tegen de verzoekers, die een procedure tot beperking van aansprakelijkheid hebben gestart in Nederland. De rechtbank oordeelt dat Baltic Cable de gelegenheid moet krijgen om aan te tonen dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief heeft teruggenomen uit de beperkingsprocedures. De rechtbank benadrukt dat de beoordeling in verzet beperkt is en dat de vordering wegens de Zweedse proceskosten niet ten onrechte in de staat van verdeling is opgenomen. De rechtbank geeft Baltic Cable één maand de tijd om haar vordering terug te nemen, anders zal de staat van verdeling worden vastgesteld met inachtneming van de vordering.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummers / rekestnummers: C/10/424631 HA RK 13-425 en
C/10/431722 HA RK 13-787
Zakenfonds zeeschip DELFBORG
Beschikking van de rechtbank van 18 december 2025
in de gevoegde zaken van
zaaknummer / rekestnummer: C/10/424631 / HA RK 13-425 van
1.
[verzoeker 1],
handelend zowel voor zich als in hoedanigheid van beherend vennoot van
C.V. m.s. Delfborg ,
wonende te [woonplaats] ,
2. de commanditaire vennootschap
C.V. M.S. DELFBORG,
gevestigd te Assen ,
verzoekers,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam,
en
zaaknummer / rekestnummer: C/10/431772 / HA RK 13-787 van
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WAGENBORG SHIPPING B.V.,
gevestigd te Delfzijl,
verzoekster,
advocaat mr. P.A. den Haan te Rotterdam.
Verzoekers worden hierna afzonderlijk ‘ [verzoeker 1] ’, ‘Delfborg’ en ‘Wagenborg’ genoemd en gezamenlijk ‘Verzoekers’.

1.Korte samenvatting

Dit is een beslissing in het kader van een procedure tot beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van het zeeschip DELFBORG, als bedoeld in Titel 7 van Boek 8 BW en de Tweede Afdeling van het Derde Boek van het WBRv (Rv).
Deze beschikking vormt een beslissing op het bezwaar (verzet) van
Baltic Cable AB(hierna: Baltic Cable), gevestigd te Malmö, Zweden, advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, tegen de door de rechter-commissaris in de beperkingsprocedure op 27 juni 2024 gegeven beschikking (hierna: de Beschikking) en tegen de op dezelfde datum door de rechter-commissaris goedgekeurde Staat van verdeling van het door Verzoekers gestelde fonds ter zake van zaakschade ter beperking van hun aansprakelijkheid (hierna: zakenfonds) in verband met een voorval met de DELFBORG. Het gaat om een voorval bij het ophalen van een anker van dat schip dat zich in november 2012 in de Baltische Zee heeft voorgedaan, waarbij een onderzees gelegen elektriciteitskabel van Baltic Cable beschadigd werd (hierna: het voorval).
Baltic Cable heeft Verzoekers voor de door haar wegens het voorval geleden schade aansprakelijk gesteld en Verzoekers bij dagvaarding van 26 maart 2013 aangesproken voor het gerecht in Malmö, Zweden.
Vervolgens zijn Verzoekers een procedure tot beperking van hun aansprakelijkheid ter zake van het voorval begonnen in Nederland, voor deze rechtbank. Verzoekers hebben een zakenfonds gesteld. Baltic Cable heeft vorderingen bij de vereffenaar van het zakenfonds ingediend, waaronder de aan haar in de procedures in Zweden toe te wijzen kosten (gerechtskosten, advocatenkosten en dergelijke, hierna gezamenlijk: de Zweedse proceskosten). In de loop van deze beperkingsprocedure heeft de rechtbank op 21 december 2016 beslist:
(i) dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over onderwerpen betreffende de beperking van aansprakelijkheid; en
(ii) dat over de aansprakelijkheid van Verzoekers en de omvang daarvan door de rechter in Zweden dient te worden geoordeeld, mits de rechter in Zweden zich daartoe bevoegd verklaart.
Vervolgens is tussen Baltic Cable en Verzoekers geprocedeerd voor de gerechten in Zweden over (onder meer) de aansprakelijkheid van Verzoekers en de omvang van die aansprakelijkheid. In najaar 2023 heeft de hoogste rechter in Zweden een beslissing gegeven waarbij is vastgesteld dat (een of meer van) Verzoekers jegens Baltic Cable aansprakelijk (is of) zijn, waarbij de omvang van die aansprakelijkheid werd vastgesteld. Baltic Cable heeft die beslissing ingebracht in de beperkingsprocedure. Baltic Cable heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de aan haar toegewezen Zweedse proceskosten niet onderworpen zijn aan de beperking van aansprakelijkheid van Verzoekers. Baltic Cable heeft buiten de beperkingsprocedure en het zakenfonds om door beslaglegging verhaal gezocht voor de Zweedse proceskosten.
In de vervolgens door de vereffenaar opgestelde Staat van verdeling van het zakenfonds zijn de Zweedse proceskosten als erkende vordering opgenomen, dus als een aan beperking van aansprakelijkheid onderhevige vordering. In de Beschikking heeft de rechter-commissaris de Staat van verdeling van het zakenfonds goedgekeurd.
Baltic Cable heeft bij de rechtbank het rechtsmiddel van verzet ingesteld tegen die goedkeurende beslissing van de rechter-commissaris, respectievelijk de Staat van verdeling. In deze beschikking komt de rechtbank tot de slotsom dat Baltic Cable de gelegenheid moet krijgen om haar vordering wegens de Zweedse proceskosten alsnog uit de beperkingsprocedure terug te nemen.

2.De procedure, het Bezwaarschrift en de Akte/Nader verzoek

2.1.
Het gaat hier om een procedure tot beperking van aansprakelijkheid van de eigenaar of exploitant van een zeeschip, zoals bedoeld in de Tweede Afdeling van het Derde Boek van het WBRv (Rv). Verzoekers hebben ter beperking van hun aansprakelijkheid in verband met het voorval met de DELFBORG op 6 mei 2013, respectievelijk 9 augustus 2013 verzoekschriften ingediend en na een bevel daartoe van de rechtbank (als bedoeld in artikel 642c lid 2 Rv) een zakenfonds gesteld. Baltic Cable heeft vorderingen op Verzoekers bij de vereffenaar ingediend. Na diverse verificatievergaderingen en verwikkelingen heeft de vereffenaar op 26 juni 2024 de Staat van verdeling opgemaakt en voorgelegd (artikel 642s Rv). In de Staat van verdeling zijn de Zweedse proceskosten als erkende vordering geverifieerd. De rechter-commissaris heeft de Staat van verdeling op 27 juni 2024 goedgekeurd en ter inzage gelegd (artikel 642u Rv). De rechter-commissaris heeft op eveneens 27 juni 2024 de Beschikking gegeven waarin zij de goedkeuring van de Staat van verdeling heeft toegelicht.
2.2.
Baltic Cable heeft op 10 juli 2024 (derhalve tijdig) een met redenen omkleed Bezwaarschrift (met 20 producties) ingediend, waarmee zij in verzet is gekomen tegen de Beschikking van de rechter-commissaris en de goedgekeurde Staat van verdeling. De conclusie van het Bezwaarschrift luidt als volgt:
Om de redenen zoals hiervoor uiteengezet verzoekt Baltic Cable uw rechtbank om
a. het verzet van Baltic Cable gegrond te verklaren;
b. de door de rechter-commissaris goedgekeurde staat van verdeling niet vast te stellen; en voorts
om
c. de rechter-commissaris te bevelen binnen 14 dagen na de te dezen te geven (tussen) beschikking partijen te verwijzen naar een of meer door hem te bepalen zittingen van de rechtbank ter beslissing van het punt van geschil op grond van art. 642q lid 1 Rv,
een en ander met veroordeling van [verzoeker 1][Verzoekers, Rb]
in de (proces-)kosten.
2.3.
Bij Akte/Nader verzoek heeft Baltic Cable haar bezwaren nader geformuleerd en uitgebreid. De conclusie van die Akte/Nader Verzoek luidt als volgt:
Baltic Cable verzoekt de rechtbank
a. Het verzet van Baltic Cable gegrond te verklaren; en
b. Te verklaren dat de vordering tot betaling van de Proceskosten ten onrechte in de staat van verdeling is opgenomen; en
c. Primair:
De door de rechter-commissaris goedgekeurde staat van verdeling niet vast te stellen en deze terug te verwijzen naar de rechter-commissaris en te bepalen dat de vraag of de Proceskosten voor beperking in aanmerking komen naar renvooi moet worden verwezen;
d. Subsidiair:
Een in goede justitie zodanige maatregel te nemen dat Baltic Cable in staat wordt gesteld om de vraag of de Proceskosten voor beperking in aanmerking komen, in rechte te laten beoordelen;
e. Meer subsidiair:
Na terugtrekking door Baltic Cable van haar vordering tot betaling van de Proceskosten uit de verificatie, de staat van verdeling (zonder de vordering tot betaling van de Proceskosten) vast te stellen, en te bepalen dat deze vordering na aldus te zijn teruggetrokken niet onder het regime van artikel 642w Rv valt;
f. Uiterst subsidiair:
Na terugtrekking door Baltic Cable van haar vordering tot betaling van de Proceskosten uit de verificatie, de staat van verdeling (zonder de vordering tot betaling van de Proceskosten) vast te stellen;
Met veroordeling van [verzoeker 1][Verzoekers, Rb]
in de kosten.
2.4.
In de kern genomen komt het bezwaar van Baltic Cable tegen de Beschikking en de Staat van verdeling erop neer dat Baltic Cable van mening is dat haar vordering ter zake van
de Zweedse proceskosten wegens de aard van die vordering niet onderhevig is aan de beperking van aansprakelijkheid van Verzoekers en daarom niet thuis hoort in de Staat van verdeling. Baltic Cable zoekt buiten de beperkingsprocedure om verhaal voor de Zweedse proceskosten door beslag te leggen op de DELFBORG.
Voor zover Verzoekers (nog) betogen dat Baltic Cable (alleen tegen de Beschikking en) niet tegen de Staat van verdeling in verzet is gekomen, volgt de rechtbank Verzoekers niet. Uit het Bezwaarschrift en de Akte/Nader verzoek blijkt voldoende duidelijk dat Baltic Cable bezwaar maakt (ook) tegen de Staat van verdeling.
2.5.
Verzoekers hebben een Akte overlegging producties genomen en daarbij 40 producties in het geding gebracht. Verzoekers voeren verweer tegen het verzet van Baltic Cable. In de kern genomen voeren Verzoekers aan dat Baltic Cable haar vordering wegens de Zweedse proceskosten in 2013 onvoorwaardelijk bij de vereffenaar in het zakenfonds heeft ingediend en dat het Baltic Cable niet (meer) vrijstaat om die vordering in 2023 terug te nemen, te meer niet omdat Verzoekers die vordering intussen hadden erkend in het zakenfonds. Verzoekers betogen dat het Baltic Cable niet is toegelaten om buiten de beperkingsprocedure in het zakenfonds om verhaal te zoeken voor de Zweedse proceskosten.
2.6.
De mondelinge behandeling van het Bezwaarschrift vond plaats op 4 juli 2025. Baltic Cable en Verzoekers hebben toelichtingen gegeven aan de hand van pleit- respectievelijk spreekaantekeningen die zij in het geding hebben gebracht. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.7.
Zoals door de rechtbank op de mondelinge behandeling bepaald, zijn nadien over en weer aktes genomen. Verzoekers hebben een Antwoordakte genomen. Baltic Cable heeft daarop gereageerd met een Antwoordakte. Vervolgens hebben Verzoekers met een Antwoordakte gereageerd.
2.8.
De rechtbank heeft op de mondelinge behandeling een datum voor de uitspraak bepaald. Die datum is nadien verplaatst naar de datum van deze beschikking.

3.De beoordeling

Het beoordelingskader

3.1.
In een internationale beperkingsprocedure als de onderhavige wordt het beoordelingskader bepaald door het Londens Beperkingsverdrag 1976 met Protocol 1996 [1] (hierna tezamen: LLMC 1996), Titel 7 van Boek 8 BW, alsmede de Tweede Afdeling van het Derde Boek Rv, een en ander zoals dat verdrag met protocol en die wettelijke regelingen gelding hadden ten tijde van het voorval met de DELFBORG, respectievelijk ten tijde van het indienen van de verzoekschriften tot beperking van aansprakelijkheid.
3.2.
Voor de onderhavige beoordeling zijn relevant de artikelen 2, 13 en 14 van de LLMC 1996, die voor zover van belang luiden als volgt:
Article 2
1. Subject to Articles 3 and 4 the following claims, whatever the basis of liability may be, shall be subject to limitation of liability:
(a) claims in respect of loss of life or personal injury or loss of or damage to property (including damage to harbour works, basins and waterways and aids to navigation), occurring on board or in direct connexion with the operation of the ship or with salvage operations, and consequential loss resulting therefrom;
(b) [..];
(c) claims in respect of other loss resulting from infringement of rights other than contractual rights, occurring in direct connexion with the operation of the ship or salvage operations;
[..]
Article 13
Bar to other actions
1. Where a limitation fund has been constituted in accordance with Article 11, any person having made a claim against the fund shall be barred from exercising any right in respect of such claim against any other assets of a person by or on behalf of whom the fund has been constituted.
2. After a limitation fund has been constituted in accordance with Article 11, any ship or other property, belonging to a person on behalf of whom the fund has been constituted, which has been arrested or attached within the jurisdiction of a State Party for a claim which may be raised against the fund, or any security given, may be released by order of the Court or other competent authority of such State. However, such release shall always be ordered if the limitation fund has been constituted:
( a) at the port where the occurrence took place, or, if it took place out of port, at the first port of call thereafter; or
( b) at the port of disembarkation in respect of claims for loss of life or personal injury, or
( c) at the port of discharge in respect of damage to cargo; or
( d) in the State where the arrest is made
3. The rules of paragraphs 1 and 2 shall apply only if the claimant may bring a claim against the limitation fund before the Court administering that fund and the fund is actually available and freely transferable in respect of that claim.
Article 14
Governing law
Subject to the provisions of this Chapter the rules relating to the constitution and distribution of a limitation fund, and all rules of procedure in connexion therewith, shall be governed by the law of the State Party in which the fund is constituted.
Binnen het door de LLMC 1996 bepaalde kader, zijn verder van belang de artikelen 8:752 BW en de artikelen 642k, 642u leden 2 en 3, 642v en 642w Rv. Die bepalingen luiden als volgt.
Artikel 8:752 BW
1. Onder voorbehoud van de artikelen 753 en 754 bestaat de bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor de hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of bezit van of een voorrecht op het schip of uit het feit, dat dit onder hoede of toezicht is van hem die zich op de beperking van aansprakelijkheid beroept:
a. vorderingen terzake van dood of letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan zaken (met inbegrip van schade aan kunstwerken van havens, aan dokken, waterwegen of hulpmiddelen voor de scheepvaart), opgekomen aan boord van het schip of in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor vorderingen terzake van schade tengevolge van een of ander;
b. [..]
c. vorderingen terzake van andere schade ontstaan door inbreuk op enig niet op overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of met werkzaamheden ter hulpverlening;
[..]
Artikel 642 k Rv
De schuldeiser die tegen het verzoek van een schuldenaar verweer voert, moet niettemin zijn vordering ter verificatie aanmelden. Hetzelfde geldt ten aanzien van een schuldeiser die twijfelt of de schuldenaar gezien de aard van de vordering met betrekking tot deze vordering jegens hem een beroep kan doen op de beperking van zijn aansprakelijkheid.
Artikel 642 u, leden 2 en 3 Rv
2 Van de nederlegging wordt door de vereffenaar aankondiging gedaan op de wijze voorgeschreven in artikel 642i, terwijl daarvan bovendien bij aangetekende brief kennis wordt gegeven aan de schuldenaren en aan ieder der schuldeisers wier vorderingen zijn erkend met vermelding van het voor hen uitgetrokken bedrag; ieder van hen kan gedurende de genoemde termijn bij de rechtbank tegen de staat van verdeling in verzet komen door indiening van een met redenen omkleed bezwaarschrift ter griffie.
3 Na afloop van de termijn geeft de rechtbank haar beschikking, nadat zij de schuldeisers en de schuldenaren heeft gehoord of behoorlijk doen oproepen. De oproeping geschiedt bij aangetekende brief door de vereffenaar.
Artikel 642 v Rv
Nadat een staat van verdeling door de rechter-commissaris of, indien tijdig verzet is gedaan, door de rechtbank is vastgesteld, roept de griffier bij aangetekende brief de schuldeisers op het hun toekomende bedrag in ontvangst te nemen.
Artikel 642 w Rv
Behoudens het vierde lid van artikel 642f gaan de vorderingen van schuldeisers die, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen zijnde, deze niet ter verificatie hebben aangemeld, door het in kracht van gewijsde gaan van de staat van verdeling teniet.
Artikel 642 y Rv
1. De beschikkingen [..] van de rechtbank krachtens artikel 642u, derde lid, zijn niet vatbaar voor hoger beroep, noch voor beroep in cassatie.
3.3.
Die regelingen geven voor de verzetprocedure een beperkt beoordelingskader. De beoordeling in verzet vindt plaats aan het slot van de beperkingsprocedure, wanneer alle inhoudelijke vragen en verschillen van mening al zijn afgewikkeld. De bewoordingen van de leden 2 en 3 van artikel 642u Rv duiden op een beperkte beoordeling. Het appel- en cassatieverbod van artikel 642y Rv wijst erop dat van de rechtbank geen beslissing wordt verwacht waarover men ook anders zou kunnen denken. In de verzetprocedure is de bevoegdheid van de rechtbank derhalve beperkt tot de beoordeling of vorderingen al dan niet terecht, respectievelijk voor het juiste bedrag in de staat van verdeling zijn geverifieerd, tot het maken van aanpassingen in de staat van verdeling en tot vaststelling van de staat van verdeling.
Ook de wetshistorie noopt tot een beperkende uitleg van de bevoegdheid van de rechtbank in het kader van artikel 642u Rv.
De regeling van verzet tegen de staat van verdeling werd ingevoerd in 1924 bij de herziening van het zeerecht [2] . In de Toelichting bij 320o Rv [3] , dat praktisch dezelfde bewoordingen heeft als het huidige artikel 642u Rv, stelt de Minister daarover:
In de derde plaats komt het bij nadere overweging wenschelijk voor de mogelijkheid te openen van verzet tegen den door den rechter-commissaris goedgekeurden staat; daardoor komt de uiteindelijke beslissing te berusten bij de rechtbank. De verzetprocedure is zoo eenvoudig mogelijk gehouden.
Bij de invoering van het Brussels Beperkingsverdrag 1957 [4] werd de bepaling vernummerd tot artikel 320s, maar niet inhoudelijk gewijzigd. In de Memorie van Toelichting [5] , wordt het volgende opgemerkt:
Verg. het huidige artikel 320o [en artikelen 183 en 184 F.W].
De procedure tot betwisting van de lijst van verdeling kan eenvoudiger zijn dan voorzien in artikelen 183 e.v. F.W. Vooral ook omdat vragen nopens voorrang geen rol meer spelen [..] is de opstelling van de lijst zeer eenvoudig en zal verzet waarschijnlijk slechts voorkomen bij gemakkelijk te herstellen rekenfouten.
Bij de Invoeging van de Titels betreffende beperking van aansprakelijkheid in Boek 8 BW [6] is die bepaling verder vernummerd tot artikel 642u Rv met “enkele louter redaktionele aanpassingen” [7] .
3.4.
Baltic Cable en de Verzoekers hebben op de mondelinge behandeling bevestigd dat het kader van deze beoordeling door de rechtbank geen ander is dan de verzetprocedure van artikel 642u en volgende Rv.
3.5.
Ingevolge artikel 2 LLMC 1996 en het daarmee corresponderende artikel 8:752 BW zijn aan beperking van aansprakelijkheid (‘subject to limitation of liability’) van de ‘eigenaar’ van een zeeschip geen andere vorderingen onderworpen dan de in die artikelen genoemde vorderingen. Voor de onderhavige zaak gaat het om vorderingen ‘occurring [..] in direct connexion with the operation of the ship [..] and consequential loss resulting therefrom’.
Gelet op het beperkte beoordelingskader, komt de rechtbank in deze verzetprocedure niet toe aan de beoordeling of een vordering (wegens de aard ervan) naar deze maatstaf al dan niet aan beperking is onderworpen.
3.6.
Het hiervoor geschetste beperkte kader geeft ook geen ruimte voor beoordeling door de rechtbank of het Baltic Cable al dan niet vrijstaat om buiten de beperkingsprocedure om verhaal te zoeken voor haar vordering wegens de Zweedse proceskosten.
De verzoeken van Baltic Cable in het licht van het beoordelingskader
3.7.
De in de het Bezwaarschrift en de Akte/Nader verzoek van Baltic Cable onder a en b geformuleerde verzoeken vallen binnen het hiervoor beschreven beperkte beoordelingskader.
3.8.
Echter, de in het Bezwaarschrift onder c geformuleerde verzoeken en de in de Akte/Nader verzoek onder c tot en met e geformuleerde verzoeken vallen daarbuiten.
Die verzoeken gaan ervan uit dat de rechtbank in dit kader de mogelijkheid heeft om de behandeling naar de rechter-commissaris terug te verwijzen en om aan deze instructies te geven, maar die bevoegdheden geeft de wet in dit kader niet aan de rechtbank. Die verzoeken bevatten bovendien telkens zodanige voorwaarden of voorbehouden dat ze de bevoegdheid van de rechtbank te buiten gaan.
De rechtbank volgt Baltic Cable niet in haar betoog dat juist wegens het beperkte beoordelingskader in de verzetprocedure, de rechtbank de bevoegdheid heeft om de behandeling naar de rechter-commissaris terug te verwijzen en om aan deze instructies te geven en dergelijke. Zodanige bevoegdheden geeft de wet in dit kader niet aan de rechtbank.
De rechtbank begrijpt het verzoek onder e ‘meer subsidiair’ aldus dat Baltic Cable (ook nu nog) haar vordering voor de Zweedse proceskosten niet daadwerkelijk uit de beperkingsprocedure heeft teruggenomen, maar deze vordering op voorhand beoordeeld wil zien als ware deze teruggenomen, zodanig dat, mocht later geoordeeld worden dat die vordering wel aan beperking van aansprakelijkheid onderhevig is, voor haar het rechtsgevolg van tenietgaan van artikel 642w Rv niet van toepassing is. Voor zover een dergelijke hypothetische stellingname zich al leent voor beoordeling door de rechter, past die beoordeling in ieder geval niet binnen het beperkte kader van artikel 642u Rv.
3.9.
Het beperkte beoordelingskader geeft wel ruimte voor de beantwoording van de vraag of een vordering al dan niet daadwerkelijk is ingediend in, dan wel daadwerkelijk is teruggenomen uit de beperkingsprocedure, met dienovereenkomstige vaststelling van de Staat van verdeling. Voor zover Baltic Cable met haar verzoek in de Akte/Nader verzoek onder f ‘uiterst subsidiair’ bedoelt een zodanige beslissing van de rechtbank te verkrijgen, overweegt de rechtbank het volgende.
3.10.
Tot op heden, ook in deze verzetprocedure, is het de rechtbank niet duidelijk geworden of Baltic Cable haar vordering wegens de Zweedse proceskosten al dan niet daadwerkelijk heeft teruggenomen. Het lijkt erop dat Baltic Cable ook hier een hypothetische feitenvoorstelling aan de rechtbank voorlegt, die zich niet leent voor beoordeling de door de rechter, zoals ook volgt uit het bepaalde in artikel 149 Rv. In ieder geval leent een dergelijke hypothetische voorstelling zich niet voor beoordeling binnen het beperkte kader van artikel 642u Rv. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
In haar Bezwaarschrift, noch in haar Akte/Nader verzoek heeft Baltic Cable haar vordering voor de Zweedse proceskosten (daadwerkelijk) uit de beperkingsprocedure teruggenomen. Dat blijkt uit de omstandigheid dat de verzoeken onder c ‘primair’, d ‘subsidiair’ en e ‘meer subsidiair’ ervan uitgaan dat de vordering wegens de Zweedse proceskosten niet uit de beperkingsprocedure is teruggenomen.
Op de mondelinge behandeling van 4 juli 2025 heeft de advocaat van Baltic Cable dat bevestigd. In het proces-verbaal is daarover opgenomen:
Op de vraag of de rechtbank ervan uit moet gaan dat de proceskostenvordering nu daadwerkelijk is teruggenomen door Baltic Cable of niet, antwoordt mr. Knottenbelt dat de rechtbank alleen voor het subsidiaire geval ervan moet uitgaan dat die vordering nu is teruggenomen.
Onder de nummers 2.2.11 en 2.2.13 van haar Antwoordakte van 3 september 2025 heeft Baltic Cable die stellingname als volgt gepreciseerd:
2.2.11
Baltic Cable heeft daarnaast, meer en uiterst subsidiair, verzocht om de staat van verdeling vast te stellen zonder de Proceskostenvordering. Deze verzoeken zijn ingediend om het scenario te ondervangen waarin de rechtbank de staat van verdeling toch zou vaststellen.
2.2.13
Dit geldt temeer nu de suggestie tot terugtrekking reeds op 28 februari 2024 door de rechter-commissaris is gedaan. Destijds gaf Baltic Cable (ook uiterst subsidiair) aan bereid te zijn haar vordering terug te trekken om te voorkomen dat deze in de staat van verdeling zou worden opgenomen. Hieraan verbond Baltic Cable wel enkele voorwaarden, om te voorkomen dat een dergelijke terugtrekking haar in de toekomst zou kunnen worden tegengeworpen en/of dat zij daarmee bepaalde rechten zou prijsgeven. Om die laatste reden heeft Baltic Cable in haar meer subsidiaire verzoek de rechtbank verzocht te bepalen dat deze vordering na terugtrekking niet onder het regime van artikel 642w Rv valt.
Verderop in haar Antwoordakte onder nr. 3.3 stelt Baltic Cable daarover onder meer het volgende.
3.3.
Baltic Cable kan haar vordering terugtrekken
Baltic Cable heeft zoals uiteengezet in sub e) en f) van de Akte Nader Verzoek de Proceskostenvordering in het meer en uiterst subsidiaire geval teruggetrokken uit de verificatie. Ter zitting heeft zij dit desgevraagd bevestigd.
Het eerste moment waarop Baltic Cable aangaf dat haar vordering wegens de Zweedse proceskosten niet (meer) in de beperkingsprocedure thuis hoorde, was in de e-mail van haar advocaat aan de vereffenaar en de advocaat van Verzoekers van 11 december 2023, te weten als volgt (zie ook 3.30):
In de lijst van betwiste vorderingen is een p.m. post ten aanzien van proceskosten opgenomen. Bij het opmaken van de staat van verdeling ga ik er evenwel van uit dat de proceskosten (…) niet onder de beperking vallen en dus niet in de staat van verdeling van het fonds zullen hoeven worden opgenomen.
Maar in deze verzetprocedure neemt Baltic Cable niet het standpunt in dat zij met die e-mail haar vordering wegens de Zweedse proceskosten daadwerkelijk heeft teruggenomen. In de correspondentie volgende op de e-mail van 11 december 2023 heeft Baltic Cable een ander standpunt ingenomen, zoals hieronder zal blijken.
Het verloop van de (gevoegde) beperkingsprocedure(s)
3.11.
De rechtbank onderzoekt hierna nader of Baltic Cable haar vordering wegens de Zweedse proceskosten daadwerkelijk heeft teruggenomen.
Verzoekers voeren onder meer als verweer dat Baltic Cable haar vordering wegens de Zweedse proceskosten in 2013 onvoorwaardelijk bij de vereffenaar in het zakenfonds heeft ingediend en dat het Baltic Cable niet (meer) vrijstaat om die vordering in 2023 of nu nog terug te nemen, te meer niet omdat Verzoekers die vordering intussen hadden erkend in de beperkingsprocedure (zie daarover 3.63).
Gelet op dat verweer en op het vorenstaande, zet de rechtbank de gang van zaken in de beperkingsprocedure uiteen, vanaf de indiening van de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid tot en met de Beschikking en de goedkeuring van de Staat van verdeling.
De inleiding van de beperkingsprocedures en de verificatievergaderingen
3.12.
[verzoeker 1] en Delfborg hebben op 6 mei 2013 een verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid bij de rechtbank ingediend in verband met het voorval met de DELFBORG.
3.13.
Na de mondelinge behandeling van het verzoekschrift van [verzoeker 1] en Delfborg, op 28 juni 2013, heeft de rechtbank bij beschikking van 5 juli 2013 bepaald dat de aansprakelijkheid van [verzoeker 1] en Delfborg voor zaakschade voorshands is beperkt tot SDR 1.795.600,- (te vermeerderen met rente) en heeft de rechtbank hen bevolen om zodanig zakenfonds te stellen. Ook heeft de rechtbank een rechter-commissaris en vereffenaar benoemd. De rechtbank heeft op 5 augustus 2013 verklaard dat [verzoeker 1] en Delfborg hadden voldaan aan het bevel tot fondsstelling.
3.14.
Bij beschikking van 6 augustus 2013 heeft de rechter-commissaris bepaald dat vorderingen op [verzoeker 1] en Delfborg en de betwistingen van het beroep op beperking van aansprakelijkheid uiterlijk op 24 september 2013 moesten worden ingediend bij de vereffenaar. Tevens heeft de rechter-commissaris bepaald dat de verificatievergadering van de vorderingen zou worden gehouden op 27 november 2013.
3.15.
Wagenborg heeft op 9 augustus 2013 een verzoekschrift tot beperking van haar aansprakelijkheid voor het voorval ingediend, waarbij Wagenborg heeft verzocht te bepalen dat het door [verzoeker 1] en Delfborg gestelde zakenfonds ook door Wagenborg is gesteld.
3.16.
Na de mondelinge behandeling van het verzoekschrift van Wagenborg, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2013, en na bij beschikking van 11 september 2013 de voeging van de beperkingsprocedure van [verzoeker 1] en Delfborg en die van Wagenborg te hebben bevolen, heeft de rechtbank bij beschikking van 18 september 2013 bepaald dat ook Wagenborg haar aansprakelijkheid voor het voorval voorshands kan beperken tot SDR 1.795.600,- (vermeerderd met rente) en dat het door [verzoeker 1] en Delfborg gestelde zakenfonds wordt aangemerkt als mede door Wagenborg te zijn gesteld. De rechtbank heeft tevens een rechter-commissaris en een vereffenaar benoemd, te weten dezelfde personen als in de door [verzoeker 1] en Delfborg ingeleide beperkingsprocedure.
In die beschikking is bepaald dat de vorderingen tegen Wagenborg alsmede de betwistingen van het beroep op beperking van aansprakelijkheid uiterlijk op 15 november 2013 moeten zijn ingediend bij de vereffenaar. Tevens heeft de rechter-commissaris bepaald dat de verificatievergadering op 15 januari 2014 zou worden gehouden.
3.17.
In het proces-verbaal van de op 27 november 2013 gehouden verificatievergadering in de beperkingsprocedure van [verzoeker 1] en Delfborg is het volgende opgenomen:
“In september 2013 is wegens de voeging met de zaak met kenmerk C/10/431772 / HA RK 13-787 met verzoekers, de bekende belanghebbenden en de vereffenaar afgesproken dat de inhoudelijke behandeling in de onderhavige zaak zal worden aangehouden tot de verificatievergadering van de gevoegde zaak en wel op 15 januari 2014.”
3.18.
Baltic Cable heeft haar vorderingen bij brieven van haar Zweedse advocaten Gernandt & Danielsson Advokatbyra KB van 11 september 2013, respectievelijk 5 november 2013 ingediend bij de vereffenaar. In de brieven van 11 september en 5 november 2013 van deze Zweedse advocaten namens Baltic Cable aan de vereffenaar is het volgende opgenomen:
“This will serve to submit the claim of our client Baltic Cable (…) against (…) [verzoeker 1] and (…) Delfborg (…). The claim of Baltic Cable has been calculated at the amount of € 11.266.352,50 to be increased by interest, costs of the proceedings and other legal costs. Baltic Cable explicitly disputes that either of [verzoeker 1] and Delfborg are entitled to rely on any limitation of their liability. (…) For further substation of the claim, we kindly refer to the attached claims form which has been submitted to the competent court in Malmö, Sweden”
en
“This will serve to submit the claim of our client Baltic Cable (…) against Wagenborg. The claim of Baltic Cable has been calculated at the amount of € 11.266.352,50 to be increased by interest, costs of the proceedings and other legal costs. Baltic Cable explicitly disputes that either of [verzoeker 1] and Delfborg are entitled to rely on any limitation of their liability. (…) For further substation of the claim, we kindly refer to the attached claims form which has been submitted to the competent court in Malmö, Sweden”
3.19.
De vereffenaar heeft de vordering wegens de Zweedse proceskosten geplaatst op de lijst van voorlopig betwiste schuldvorderingen, met de volgende vermelding:

(Advocaat)kosten procedure rechtbank Malmö
P.M.
Dit betreft de kosten van de procedure alsmede de eigen advocaatkosten
Op de mondelinge behandeling in deze verzetprocedure heeft de advocaat van Baltic Cable bevestigd dat de beschrijving van de vordering van de Zweedse proceskosten door de vereffenaar een correcte weergave is van hoe de proceskostenvordering door Baltic Cable is ingediend.
3.20.
Op de verificatievergadering van 15 januari 2014 in beide gevoegde zaken zijn de Verzoekers en Baltic Cable verschenen. Namens Baltic Cable is mr. M.J. Sturm (Houthoff) verschenen. Van de verificatievergadering is proces-verbaal opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“3. De rechter-commissaris stelt de door de vereffenaar opgestelde lijsten van erkende en betwiste schuldvorderingen aan de orde.
3.1
Mrs. Van der Kuil en Roos delen mede dat Delfborg c.s. en Wagenborg ook de door de vereffenaar voorlopig erkende vorderingen van Baltic Cable betwisten. (…).
Mr. Sturm deelt mede dat Baltic Cable in de “claim form” of dagvaarding in de procedure die zij heeft ingesteld bij het gerecht in Malmö, Zweden, een onderbouwing heeft gegeven voor de hoogte van de schade. (…)3.2 De vereffenaar verklaart dat de regresvordering van Wagenborg op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen een identieke vordering is als de vordering van Baltic Cable op Wagenborg (…).
Mr. Sturm verklaart dat Baltic Cable de regresvordering van Wagenborg bij gebrek aan informatie betwist. Mr. Sturm stelt voor om ook die zaak naar de rolprocedure te verwijzen.3.3 In de procedure voor het gerecht in Malmö zijn Delfborg c.s. en Wagenborg gedaagden, zo verklaart mr. Sturm. In die procedure heeft Baltic Cable een “reply” ingediend, waarin onder meer een reactie is opgenomen op de vanwege de gedaagden gevorderde “dismissal”. Rond 3 februari 2014 moeten de gedaagden reageren op die “reply”. Daarna zal het gerecht een beslissing geven over de gevraagde “dismissal”. Vervolgens zal een “hearing” in mei/juni 2014 worden gehouden, te volgen door een schriftelijke ronde. (…)4. Mr. Sturm deelt mede dat Baltic Cable zich op het standpunt stelt (a) dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en de Rotterdamse rechtbank geen bevoegdheid toekomt ten aanzien van de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid en (b) dat verzoekers geen recht tot beperking van aansprakelijkheid toekomt. Baltic Cable verzoekt verwijzing van deze onderwerpen naar een rolprocedure.Gevraagd naar het schriftelijk stuk waarin Baltic Cable beroep op het ontbreken van rechtsmacht en van bevoegdheid doet, verklaart mr. Sturm dat Baltic Cable dat heeft gedaan in de brieven van haar Zweedse advocaten aan de vereffenaar van 11 september 2013 en 5 november 2013, waarin de vorderingen werden aangemeld. Met name de bewoordingen in de brief van 11 september 2013: “For further substation of the claim, we kindly refer to the attached claims form which has been submitted to the competent court in Malmö, Sweden (translated into Dutch). The submission of this claims form marks the commencement of the proceedings. Consequently, the proceedings can be considered pending as of March 15, 2013. Baltic Cable’s claim, including the question whether [verzoeker 1] and Delfborg can rely on a limitation, will be decided upon by the Swedish court in de proceedings before the Malmö Court”, respectievelijk in die van 5 november 2013: “For further substation of the claim, we kindly refer to the attached claims form which has been submitted to the competent court in Malmo, Sweden (translated into Dutch). The submission of this claims form marks the commencement of the proceedings. Consequently, the proceedings can be considered pending as of March 15, 2013. Baltic Cable’s claim, including the question whether [verzoeker 1] and Delfborg can rely on a limitation, will be decided upon by the Swedish court in de proceedings before the Malmö Court”. Die brieven dienen gelezen te worden in samenhang met de daarbij gevoegde “claims form’, te weten de dagvaarding. In de punten 2.8 en 7 van dat stuk doet Baltic Cable ook een beroep op het ontbreken van rechtsmacht en op onbevoegdheid, zo betoogt mr. Sturm.mr. Sturm deelt desgevraagd mede dat de vraag of in die brieven en die bijlage voldoende duidelijk aan de orde is gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en de Rotterdamse rechtbank geen bevoegdheid toekomt ten aanzien van de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid, naar Nederlands recht dient te worden beoordeeld. Inderdaad is dat daarin voldoende duidelijk gedaan, zo betoogt mr. Sturm.Voor het geval geoordeeld zou worden dat in die brieven of in die bijlage niet voldoende duidelijk aan de orde is gesteld dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht en de Rotterdamse rechtbank geen bevoegdheid toekomt, stelt mr. Sturm dat uit de memorie van toelichting blijkt dat een belanghebbende ter verificatievergadering voor het eerst een beroep kan doen op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter of van bevoegdheid van de aangezochte rechter. Voor dat geval doet mr. Sturm die beroepen ter verificatievergadering.De vereffenaar verklaart dat hij de aangehaalde passages in de brieven van de advocaten van Baltic Cable van 11 september 2013 en 5 november 2013 heeft opgevat als een mededeling dat Baltic Cable voor haar vorderingen de rechter in Zweden had geadieerd, niet als een beroep op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter of van bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank. Daarom heeft hij een dergelijk beroep ook niet mee genomen in de lijsten met vorderingen. (…)
Mr Sturm vraagt om ook dan naar de rolprocedure te verwijzen over deze geschillen, indien de rechter-commissaris oordeelt dat Baltic Cable op het ontbreken van rechtsmacht of bevoegdheid niet voldoende duidelijk en tijdig beroep heeft gedaan, dan wel dat zodanig beroep niet ter verificatievergadering kan worden.
4. De rechter-commissaris zal, omdat hij partijen daarover niet kan verenigen, Baltic Cable als schuldeiser en Delfborg c.s. en Wagenborg als schuldenaren ten aanzien van alle vorderingen van Baltic Cable en dier betwisting van het recht tot beperking van aansprakelijkheid verwijzen naar de rolprocedure, bij dezelfde beschikking. Partijen zullen worden verwezen naar de rolzitting van 26 maart 2014.”
3.21.
De rechter-commissaris heeft tijdens de verificatievergadering medegedeeld dat hij bij beschikking van 12 februari 2014 zal oordelen over de vragen (a) of Baltic Cable voldoende duidelijk en tijdig beroep heeft gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter en van bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank en – indien die beslissing voor Baltic Cable negatief uitvalt – (b) of dat beroep voor het eerst ter verificatievergadering kan worden gedaan. indien het oordeel inhoudt dat Baltic Cable op dat ontbreken voldoende duidelijk en tijdig beroep heeft gedaan, dan wel dat beroep ter verificatievergadering heeft kunnen doen, zal de rechter-commissaris partijen ten aanzien van dat geschil naar de rol van 26 maart 2014 verwijzen voor renvooi.
3.22.
In de beschikking van 12 februari 2014 heeft de rechter-commissaris partijen naar renvooi verwezen voor de volgende onderwerpen:
de gestelde aansprakelijkheid van [verzoeker 1] , Delfborg en Wagenborg ten opzichte van Baltic Cable;
de omvang van de vorderingen van Baltic Cable; en
de stelling van Baltic Cable dat geen van de verweerders gerechtigd is tot beperking van aansprakelijkheid.
De rechter-commissaris heeft elke verdere behandeling aangehouden.
De renvooiprocedure bij de rechtbank
3.23.
In de renvooiprocedure bij deze rechtbank is op 21 december 2016 tussenvonnis gewezen (ECLI:NL:RBROT:2016:10263). In dat vonnis is geoordeeld:
  • i) dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft in beperkingsprocedures;
  • ii) dat over de aansprakelijkheid en de schadeomvang ook in Zweden een procedure aanhangig was, en dat de renvooiprocedure over deze geschilpunten zou worden aangehouden totdat in Zweden zou zijn beslist over de bevoegdheid van het gerecht in Malmö ten aanzien van deze onderwerpen;
  • iii) dat (de gerechtigdheid tot) beperking van aansprakelijkheid in die renvooiprocedure aan de orde bleef, en dat Baltic Cable op de rol van 18 januari 2017 haar eis tot verificatie kon indienen (r.o. 5.2-5.3).
3.24.
In deze renvooiprocedure is op 12 december 2018 vonnis gewezen (ECLI:NL:RBROT:2018:10933). In dat vonnis heeft de rechtbank (kort samengevat) de vordering tot een verklaring voor recht dat (een of meer van) Verzoekers onbeperkt aansprakelijk zijn afgewezen en de zaak naar de parkeerrol verwezen in afwachting van een beslissing van de rechter in Zweden over de bevoegdheid van het gerecht in Malmö ten aanzien van de onderwerpen aansprakelijkheid en omvang daarvan.
3.25.
De renvooiprocedure is op 2 oktober 2019 op de parkeerrol doorgehaald. De renvooiprocedure is nadien niet meer op de rol geplaatst.
3.26.
De verificatievergaderingen zijn op verzoek van beide partijen steeds aangehouden in afwachting van de uitkomst van (de procedure in Zweden en) de renvooiprocedure.
Na beëindiging van de procedure in Zweden
3.27.
Bij beslissing van 14 november 2023 heeft de Högsta Domstolens, de hoogste rechter in Zweden, verworpen het beroep van [verzoeker 1] tegen de beslissing van de appelrechter waarin was vastgesteld dat [verzoeker 1] jegens Baltic Cable aansprakelijk is tot schadevergoeding ter zake van het voorval. Bij die beslissingen zijn aan Baltic Cable de Zweedse proceskosten toegewezen.
Na afronding van de procedure in Zweden is tussen de advocaten van Baltic Cable en die van de Verzoekers, de vereffenaar en de rechter-commissaris correspondentie gevoerd over de Zweedse proceskosten. De relevante inhoud van die berichten wordt hierna weergegeven.
3.28.
Op 29 november 2023 berichtte de advocaat van de Verzoekers de rechter-commissaris als volgt:
“(...) de procedure(s) in Zweden zijn afgerond met een beslissing van de Zweedse Hoge Raad van 14 november jl. (...)
Dat een en ander betekent dat het Rotterdamse beperkingsfonds kan worden afgewikkeld omdat [verzoeker 1] , één van de beperkers, aansprakelijk is geoordeeld.
Het komt mij voor dat de geëigende weg is om aan de vereffenaar te vragen om een concept staat van verdeling op de stellen die erop neer komt dat het fonds aan Baltic Cable kan worden overgemaakt. Partijen kunnen die dan goedkeuren, de kosten en het fonds kunnen worden afgewikkeld en dan is de zaak ten einde nadat is betaald.”
3.29.
De advocaat van Baltic Cable berichtte de rechter-commissaris op 7 december 2023 als volgt:
“Voor de goede orde bevestig ik het bericht van mr. Den Haan van 29 november 2023, namelijk dat in Zweden in hoogste instantie is beslist over de aansprakelijkheid en hoogte van de schade, een en ander conform de vonnissen die mr. Den Haan in kopie meestuurde. Ik zie de verdere berichten ten aanzien van de staat van verdeling dan ook met belangstelling tegemoet.”
3.30.
De advocaat van Baltic Cable berichtte de vereffenaar en de advocaat van de Verzoekers op 11 december 2023 als volgt:
“In de lijst van betwiste vorderingen is een p.m. post ten aanzien van proceskosten opgenomen. Bij het opmaken van de staat van verdeling ga ik er evenwel van uit dat de proceskosten (…) niet onder de beperking vallen en dus niet in de staat van verdeling van het fonds zullen hoeven worden opgenomen.”
3.31.
De vereffenaar heeft de advocaten van partijen op 19 december 2023 als volgt bericht:
“Baltic heeft in haar brief van 11 september 2013 haar vordering ingediend “to be increased by interest, cost of the proceedings and other legal cost”. Mijn voorlopig oordeel is dat de Kosten veroordeling van de heer [verzoeker 1] in de Zweedse procedure een niet voor beperking vatbare vordering is. Het is mij bekend dat hier anders over wordt gedacht.”
3.32.
De advocaat van Verzoekers heeft de vereffenaar en de advocaat van Baltic Cable op 20 december 2023 als volgt bericht:
“Ik dank de vereffenaar voor zijn bericht en denk ook dat de weg is om een concept staat van verdeling op te maken en die na goedkeuring middels een (papieren) verificatievergadering goed te keuren zodat op die basis tot betaling kan worden overgegaan. (…) Hierbij bericht ik u voor zover nog nodig dat de vorderingen zoals ingediend door Baltic Cable geheel worden erkend, de betwistingen zijn van de baan. Dit er verduidelijking van mijn bericht dat het fonds naar Baltic Cable kan worden overgemaakt.”
3.33.
De advocaat van de Verzoekers heeft de vereffenaar en de advocaat van Baltic Cable op 25 januari 2024 (onder meer) als volgt bericht:
“Hierbij meld ik de vereffenaar, dat mr. Knottenbelt rauwelijks is overgegaan tot het in Nederland leggen van beslagen voor de Zweedse proceskosten, hoewel deze zonder bemerking tegen het fonds zijn ingediend en inmiddels erkend, nogmaals bij dezen, zodat deze vordering op de lijst van erkende vorderingen dient te komen en aldus te worden vereffend.”
3.34.
De vereffenaar heeft de advocaten van partijen op 29 januari 2024 als volgt bericht:
“Uitgangspunt voor de opstelling van de staat van verdeling zal zijn de erkenning van alle vorderingen die staan vermeld in de crediteurenlijsten daaronder begrepen de proceskosten gehouden van Baltic Cable. Mr. Knottenbelt heeft mij bericht dat bij de verdeling de Zweedse proceskosten buiten beschouwing dienen te blijven zonder daar een motivatie aan ten grondslag te leggen. Tijdens de verificatie vergaderingen zijn er voor zover ik kan nagaan geen voorbehouden gemaakt zijdens Baltic Cable dat deze kosten niet voor verificatie vatbaar zijn. In de eerst volgende verificatie vergadering waarin over de goedkeuring waarin over de goedkeuring van de staat wordt gesproken kan mr. Knottenbelt verzoeken om de crediteurenlijsten en de staat van verdeling aan te passen en kan mr. Den Haan verweer voeren.”
3.35.
De vereffenaar heeft de advocaten van partijen op 30 januari 2024 het concept voor de Staat van verdeling toegestuurd en heeft hen als volgt bericht:
“Op verzoek van mr. Knottenbelt heb ik opgenomen dat Baltic bezwaar maakt tegen de verificatie van de Zweedse proceskosten als pm post. In de verificatievergadering kan dit punt aan de orde komen. zoals ik u eerder berichtte wordt er verschillend over gedacht of de in het buitenland gemaakte proceskosten voor verificatie vatbaar zijn. De in de renvooi procedure gemaakte kosten vallen niet in het fonds en de vraag of dit wel het geval is in het buitenland weet ik niet gelijk van mijn collega vereffenaars.”
3.36.
In de brief van 2 februari 2024 heeft de advocaat van Baltic Cable de vereffenaar en de advocaat van de Verzoekers voor zover relevant als volgt bericht:
“Zoals aangegeven in mijn e-mails van 11 december 2023 en 30 januari 2024 stelt Baltic Cable (…) zich op het standpunt dat de proceskostenvergoeding waartoe (…) [verzoeker 1] (…) in Zweden is veroordeeld jegens Baltic Cablenietvatbaar is voor verificatie en aldus buiten het door (onder meer) [verzoeker 1] gestelde depot valt. U gaf in uw e-mail van 19 december 2023 aan dat u deze opvatting in beginsel deelt. Mr. Den Haan heeft echter aangegeven dat volgens hem de proceskostenveroordeling wel degelijk uit het fonds moet worden voldaan. Allereerst geldt dat naar Nederlands recht een proceskostenveroordeling geen onderdeel uitmaakt van de onderliggende schadevergoedingsveroordeling. (…)”
3.37.
De advocaat van de Verzoekers heeft de vereffenaar en de advocaat van Baltic Cable op 5 februari 2024 als volgt bericht:
“Ik denk niet, dat nog ruimte is voor een renvooi verwijzing en dat de zonder voorbehoud ingediende en erkende vordering (art 642q Rv) door de vereffenaar en RC gewoon op de uitdelingslijst moet worden geplaatst zonder dat dezen ruimte hebben voor een andere beslissing”
3.38.
De advocaat van Baltic Cable heeft de vereffenaar en de advocaat van de Verzoekers op 7 februari 2024 als volgt bericht:
“Partijen verschillen van mening over de vraag of de in Zweden gemaakte proceskosten voor verificatie vatbaar zijn. Onder verwijzing naar artikelen 642q lid 1 jo. 642k Rv lijkt ons de aangewezen route dat de rechter-commissaris partijen poogt te verenigen ten aanzien van dit punt van geschil en mocht dat niet lukken, partijen ter beslissing van dit punt naar de rechtbank te verwijzen.”
3.39.
De advocaat van de Verzoekers heeft de vereffenaar en de advocaat van Baltic Cable op 16 februari 2024 als volgt bericht:
“De brief van mr Knottenbelt van 2 februari jl. stelt dat sprake zou zijn van een internationaal gezien heersende opvatting dat de Zweedse proceskosten in ons geval onder de vigeur van het LLMC geen voor beperking vatbare vordering zouden opleveren. Dat is onjuist. Raadpleging van de door hem meegezonden stukken leert nu juist met nadruk dat grotere geesten dan hij en ik geen aanwijzingen hebben kunnen vinden op dat punt. Dat dit punt in Zweden, Noorwegen en Duitsland op grond van lokale wetgeving duidelijk zou zijn doet nu het hier om het LLMC gaat niet ter zake en wordt betwist. In Duitsland schrijven Prussman en Rabe (Seehandelsrecht, 4. Auflage, p. 82 (WH 021 2000) overigens nu juist het tegenovergestelde. Raadpleging van de beslissingen die werden meegestuurd leert bovendien, dat de beslissingen die erop neer komen dat zulke kosten in die gevallen niet voor beknotting in aanmerking kwamen, mede zijn ingegeven door lokale wetgeving en gebruiken (en niet zozeer het LLMC) alsmede procedurele ontwikkelingen die in onze zaak niet spelen, en door de gedachte, dat crediteuren die zulke kosten niet hebben hoeven maken benadeeld zouden kunnen worden door indiening van zulke kosten door crediteuren die zulke kosten wel hebben moeten maken. Die ratio ontbreekt in de onderhavige zaak volledig want Baltic Cable is hier de enige crediteur. Een crediteur bovendien, die deze kosten willens en wetens onnodig, en in strijd met de beslissingen van Rechtbank Rotterdam in deze zaak heeft veroorzaakt door in Zweden (net als in Nederland) maar te blijven proberen de Zweedse rechter te laten oordelen dat alleen daar beperkt zou kunnen worden, over de vraag of aansprakelijkheid in Rotterdam beperkt kan worden en of sprake is van gedrag dat tot doorbreking van de beperkte aansprakelijkheid moet leiden. Onderwerpen, die exclusief in het beslissingsdomein van de Rotterdamse beperkingsrechter vielen en vallen en die alhier ten nadele van Baltic Cable zijn beslist. Maar ook daarna bleef Baltic Cable het in Zweden proberen. In Nederland ook maar daar strandden de door Baltic Cable ingestelde hoger beroepen beiden op verstrijken van de appeltermijn, hetgeen ook door Baltic Cable tevergeefs bij het Hof werd bestreden. De Zweedse rechters hebben Baltic Cable niet geaccommodeerd in haar verlangen om over die onderwerpen te beslissen. Hierbij en los daarvan komt nog dat wat Baltic Cable in Rotterdam en middels de beslagen en de inmiddels lopende exequaturprocedure in Assen aan het doen is, evident in strijd is met artikel 13 lid 1 van het LLMC, dat ter zake volstrekt helder is. Baltic Cable heeft, en dat is onweersproken, de vordering ter zake van de Zweedse proceskosten destijds zonder enig voorbehoud ingediend, en deze verder in de uitgebreide Rotterdamse procedure of Zweedse procedure niet besproken, waarmee het rechtsgevolg van art. 13 LLM is ingetreden. Zij deed dat bovendien zonder gebruik te maken van de daarvoor middels art. 642k Rv (zie ook art. 642q lid 1 laatste zin) opgestelde regeling. Dus art. 13 lid 1 LLMC verbiedt uitdrukkelijk verhaal buiten het fonds om. Voor de betekenis van indienen zie de HR in de SEAWHEEL RHINE. En daar komt allemaal zelfs los daarvan nog bij, dat de vordering is erkend en dat alleen schuldeisers en schuldenaren een vordering kunnen betwisten, niet ook de vereffenaar en de RC, en dat vorderingen dus door de RC op het beweerde bedrag moeten worden vastgesteld; zie mijn eerdere bericht en art. 642p Rv. Voor betwisting door Baltic Cable was het gezien de indiening en procedurele verwikkelingen sedertdien en gezien erkenning voor haar betwisting, te laat.”
3.40.
De advocaat van Baltic Cable heeft de advocaat van de belanghebbenden van de Delfborg en de vereffenaar op 20 februari 2024 als volgt bericht:
“Artikel 642s lid 1 Rv stelt: "Na afloop van de in artikel 642n bedoelde zittingen, of indien deze tot geschillen aanleiding hebben gegeven, nadat daarover onherroepelijk is beslist,[onderstreping advocaat]
wordt door de vereffenaar een staat van verdeling van het betrokken fonds opgemaakt en aan de goedkeuring van de rechter-commissaris onderworpen". Dit impliceert dat eerst moet worden beslist over de vraag of de Zweedse proceskosten voor verificatie in aanmerking komen. Dat betekent dat, als er geen nieuwe verificatievergadering meer gepland zou worden, eerst de weg van artikel 642q lid 1 Rv gevolgd zou moeten worden, namelijk de verwijzing door de rechter-commissaris naar een zitting van de rechtbank ter beslissing van dit punt van geschil. Het is prima als de vereffenaar nu de concept staat van verdeling naar de rechter-commissaris stuurt, maar dan wel graag met deze opmerking van Baltic Cable. De goedkeuring van de staat van verdeling door de rechter-commissaris moet onzes inziens wachten tot het geschil over de proceskosten onherroepelijk is beslist. In die procedure kunnen de inhoudelijke standpunten van partijen verder worden beoordeeld. In dat verband behoudt Baltic Cable zich alle rechten voor, ook ten aanzien van de email van Mr Den Haan van 16 februari 2024. Baltic Cable is akkoord met het door u berekende uitkeringsbedrag van het beperkingsfonds. De p.m. post bedroeg inderdaad per 19 januari 2024 EUR 1.223.071,81 (inclusief wettelijke rente), maar dit bedrag loopt nog dagelijks op vanwege de wettelijke rente die de heer [verzoeker 1] naar Zweeds recht over de proceskosten verschuldigd is.”
3.41.
De advocaat van de Verzoekers heeft de vereffenaar en de advocaat van Baltic Cable op 21 februari 2024 als volgt bericht:
“Het is Baltic Cable die ervoor koos deze vordering tegen het fonds in te dienen en vervolgens geldend te maken waarmee het rechtsgevolg van art. 13 lid 1 LLMC is ingetreden en de zaak ging lopen. Zij heeft dit onderwerp nimmer aangekaart en geen gebruik gemaakt van de regeling van art. 642k Rv. De zittingen zijn gehouden en zijn afgelopen, de Zweedse Hoge Raad heeft (onherroepelijk) beslist en de vordering is bovendien erkend. Artikel 642p lid 2 Rv schrijft voor hoe het alleen maar verder kan. Voor verwijzing is derhalve al evenmin plaats als voor het nu alsnog openen en voeren van dit debat, anders dan wellicht en hooguit in verzet ex art. 642u Rv. Nieuwe bezwaren aanvoeren kan ook los van het voorgaande niet meer, vgl bijgaande uitspraken van Rechtbank Rotterdam van 1 februari 2023, vooral rondom RO 5.16 (nr eindigend 700), RO 5.17 (nr eindigend 701) en van 26 juli 2023 RO 5.7 t/m 5.10. Het zou onjuist en onbegrijpelijk zijn als de rechtbank het nu anders doet en afbreuk doen aan de rechtszekerheid. Helemaal, waar het hier een integraal deel van de vordering van Baltic Cable betreft, vgl S&S 2022, 75, vooral RO 4.7.”
3.42.
De advocaat van Baltic Cable heeft de vereffenaar en de advocaat van de Verzoekers op 21 februari 2024 als volgt bericht:
“Uit de laatste emailwisselingen is duidelijk dat partijen grondig van mening verschillen over het verdere verloop van de procedure. Het is denk ik niet aan de vereffenaar hier een beslissing in te nemen. Wellicht is de beste route nu dat de vereffenaar, als hij de concept staat van verdeling aan de rechter-commissaris stuurt, melding maakt van de
punten die partijen nu nog verdeeld houden, te weten (i) de vraag of de kosten in de Zweedse procedure voor verificatie in aanmerking komen (m.a.w. uit het fond betaald moeten worden) en (ii) welke procedure gevoerd moet worden om dat vast te stellen.”
3.43.
De vereffenaar heeft de rechter-commissaris op 22 februari 2024 ter goedkeuring de Staat van verdeling toegezonden en daarbij melding gemaakt van de ontstane discussie tussen de advocaten van betrokken partijen. Daarna is een verdere e-mailwisseling ontstaan tussen de advocaten van partijen, met de rechter-commissaris en vereffenaar meelezend in kopie. De relevante onderdelen van deze e-mailwisseling worden hieronder weergegeven.
3.44.
De vereffenaar heeft de rechter-commissaris op 22 februari 2024 als volgt bericht:
“Hierbij zend ik ter goedkeuring de staat van verdeling die ik eerst in concept langs partijen heb gestuurd (…). Partijen zijn het niet eens over de vraag of de Zweedse proceskosten, die in de lijst van voorlopig betwiste schuldvorderingen als pm post zijn aangeduid als (Advocaat)kosten rechtbank Malmö, voor verificatie vatbaar zijn. (…) Volgens Verzoekster is in dit stadium van de procedure geen plaats voor wijzigingen in de lijsten en is er hoogstens een mogelijkheid van verzet ex 642u lid 1 Rv. Volgens Baltic dient eerst onherroepelijk over de proceskosten te worden beslist voorafgaand aan de goedkeuring van de staat van verdeling en wijst op 642s lid 1 Rv en 642q Rv. De staat van verdeling heb ik gebaseerd op alle door Verzoekster erkende vorderingen inclusief de pm posten die, zonder voorbehoud, zijn vermeld in de lijst van erkende en betwiste schuldvorderingen zoals besproken ter zitting van de laatstelijk gehouden verificatievergadering 15 januari 2014. (…) De pm post Zweedse proceskosten is inmiddels door partijen erkend en bedraagt EUR 1.223.071,81 (…).”
3.45.
De advocaat van de Verzoekers heeft de advocaat van Baltic Cable, de rechter-commissaris en vereffenaar op 23 februari 2024 als volgt bericht:
“Voor het standpunt van mijn achterban moge ik verwijzen naar de mails die de vereffenaar bij sloot en niet zozeer de samenvatting daarvan, vooral mijn berichten van 16 dezer en van 21 dezer met bijgesloten jurisprudentie. Ik ben op zichzelf natuurlijk gaarne bereid tot nadere toelichting, maar de standpunten van partijen zijn u bekend gemaakt en lijken me wel genoegzaam uitgewisseld, terwijl het stadium van de verificatievergadering is gepasseerd en het te laat is om een nieuw debat aan te vangen. Ik moge u overeenkomstig art. 642p lid 2 Rv verzoeken om de vordering voor de Zweedse proceskosten vast te stellen op het erkende en genoemde bedrag en dat overeenkomstig art. 642p lid 3 Rv op de lijst aan te tekenen, waarna deze kan worden goed gekeurd en ex art. 642u Rv ter inzage kan worden gelegd.”
3.46.
De advocaat van Baltic Cable heeft de advocaat van de Verzoekers, de rechter-commissaris en vereffenaar op 26 februari 2024 als volgt bericht:

1. Baltic Cable stelt zich op het standpunt dat de proceskostenvergoeding waartoe de heer [verzoeker 1] (" [verzoeker 1] ") in Zweden is veroordeeld jegens Baltic Cable niet vatbaar is voor verificatie en aldus buiten het door (onder meer) [verzoeker 1] gestelde depot valt.
2. In 2013 heeft Baltic Cable conform art. 642k Rv al haar vorderingen jegens onder andere [verzoeker 1] opgegeven, dus inclusief de vorderingen ten aanzien waarvan zij twijfelt of de schuldenaar jegens haar een beroep op de beperking kan doen. In 2013 startte ook de procedure in Zweden. Op 15 januari 2014 is een verificatievergadering gehouden, waarin Baltic Cable haar vorderingen op [verzoeker 1] c.s. heeft toegelicht. De rechter-commissaris heeft vervolgens op 12 februari 2014 een renvooiprocedure bevolen. In die renvooiprocedure heeft de rechtbank Rotterdam uiteindelijk bij vonnis van 21 december 2016 de behandeling van het onderwerp van aansprakelijkheid van [verzoeker 1] , CV Delfborg en Wagenborg en de omvang van de vorderingen van Baltic Cable aangehouden tot de rechter in Zweden had beslist over de bevoegdheid van het gerecht in Malmo ten aanzien van deze onderwerpen. Beide partijen waren het erover eens dat de beperkingszaak in de tussentijd zou worden aangehouden. Op 25 april 2022 vroeg uw collega mevrouw Meeuwisse - den Boer de rechtbank of de beperkingszaak diende te worden aangehouden, of dat er inmiddels een verificatievergadering gepland kon worden. Mr. Den Haan antwoordde hierop namens [verzoeker 1]
dat de procedure in Zweden nog liep en dat de beperkingszaak daarom nog aangehouden moest worden.
3. Het aanhouden van de beperkingszaak duurde totdat de procedures in Zweden waren afgerond, dit gebeurde pas bij het vonnis van de hoogste Zweedse rechter op 11 november 2023. Bij vonnis van de hoogste Zweedse rechter werd ook de hoogte van de totale proceskostenveroordeling van [verzoeker 1] aan Baltic Cable duidelijk. Namens Baltic Cable hebben wij de vereffenaar bericht dat Baltic Cable van mening is dat deze proceskosten niet onder het beperkingsfonds vallen. De discussie die hierover tussen partijen is ontstaan dient volgens Baltic Cable te worden voorgelegd aan de rechter-commissaris. Partijen dienen ook de mogelijkheid te krijgen hun standpunten schriftelijk en/of mondeling toe te lichten, zodat de rechter-commissaris conform art. 642q lid 1 Rv kan pogen partijen te verenigen, dan wel partijen kan verwijzen naar de rechtbank ter beslissing van dit punt van geschil.
4. Het betreft een wezenlijk geschilpunt waarover partijen gehoord dienen te worden alvorens de rechter-commissaris tot goedkeuring van de staat van verdeling over kan gaan. De stelling van mr Den Haan dat het te laat is een nieuw debat aan te vragen omdat het stadium van de verificatievergadering is gepasseerd lijkt ons niet juist. Niet alleen was, op het moment dat Baltic Cable kenbaar maakte dat naar haar mening de proceskostenvergoeding in Zweden niet voor verificatie vatbaar is, de verificatievergadering nog aangehouden, bovendien gaat dit debat niet (meer) om de vraag of [verzoeker 1] het recht heeft zijn aansprakelijkheid te bepreken, maar uitsluitend om de vraag zoals hiervoor in 1. gesteld. En dat is precies wat in de tweede zin van artikel 642q lid 1 Rv is bedoeld. De door mr Den haan voorgestelde route zou Baltic Cable die mogelijkheid ontzeggen. Zeker nu tegen een beslissing op een eventueel verzet geen beroep en cassatie openstaat (artikel 642u lid 2 Rv).
5. Kortom, er heeft geen gebeurtenis plaatsgevonden die de conclusie rechtvaardigt dat de verificatiefase plots is geëindigd. De vereffenaar deelt die mening en heeft u daarom op 22 februari 2024 verzocht een verificatievergadering te houden ter beslechting van dit geschil. Gelijk het verzoek van de vereffenaar verzoekt ook Baltic Cable u derhalve een verificatievergadering te gelasten.
3.47.
De advocaat van de Verzoekers heeft de advocaat van Baltic Cable, de rechter-commissaris en vereffenaar op 27 februari 2024 als volgt bericht:

De suggestie dat Baltic Cable “conform art. 642k Rv al haar vorderingen” heeft opgegeven, dus inclusief de vorderingen ten aanzien waarvan zij twijfelt of de schuldenaar jegens haar een beroep op beperking kan doen is evident een onjuist gelegenheidsargument. Art. 642k Rv onderscheidt tussen twee geheel verschillende gevallen. In de eerste zin gaat het om de schuldeiser die tegen het beperkingsverzoek verweer voert, en in de tweede zin om de schuldeiser die twijfelt of de schuldenaar
gezien de aard van de vordering met betrekking tot deze vordering jegens hem een beroep kan doen op beperking van zijn aansprakelijkheid. Die schuldeiser legt bovendien een schriftelijke verklaring over bevattende de gronden voor deze twijfel; art. 6421 lid 1 Rv. Wat Baltic Cable thans betoogt valt duidelijk onder de beschrijving van alleen de tweede zin. Als haar huidige bezwaren mede zouden worden omvat door haar algemene betwisting zoals zij nu suggereert dan zijn de tweede zin van art. 642k Rv, art. 642I lid 1 Rv en de tweede zin van art. 642q lid 1 Rv zinledig. Dat kan natuurlijk niet en zo heeft Baltic Cable een en ander ook uitdrukkelijk nooit voorgesteld. Integendeel, zo volgt al uit de e-mail van mr Agranovich van 26 dezer, punt 3. Het procesdossier laat daarbij het volgende zien. Baltic Cable heeft uitsluitend de in de eerste zin van art. 642k Rv bedoelde algemene betwisting gedaan. Zij betwistte bevoegdheid van Rechtbank Rotterdam en stelde dat sprake was van gedrag dat tot doorbreking van beperkte aansprakelijkheid moest leiden. Maar zij heeft niet de in de tweede zin van art. 642k Rv bedoelde twijfel geuit, en zij heeft daarvoor dan ook geen gronden aangevoerd zoals voorgeschreven in art. 642I lid 1 Rv. Zij heeft niet aangevoerd dat de Zweedse proceskosten niet voor beperking vatbaar zouden zijn. Niet in de verzoekschriftfase waarin de dagvaarding met deze kostenpost voor de rechtbank Malmo centraal stond en uitgebreid verweer werd gevoerd, niet in de brief waarmee zij haar vordering indiende, niet op de verificatievergadering en ook niet in haar conclusie van eis tot verificatie, waarin ook de onderhavige vordering telkens expliciet en zonder enige kanttekening, twijfel of betwisting werd ingediend en gehandhaafd. Zij heeft uitsluitend opzet/grove schuld en jurisdictie ten grondslag gelegd aan haar stelling dat niet beperkt kon worden, verder niets. Baltic Cable kwalificeert dus geenszins als een schuldeiser zoals in de tweede zin van art. 642k Rv bedoeld en alleen al daarom mist de tweede zin van art. 642q Rv toepassing. Die ziet bovendien op de situatie op de verificatievergadering ter bespreking van de ingediende en dus kenbaar gemaakte vorderingen en betwistingen of twijfel, en duidelijk niet op de onderhavige. Met de renvooiverwijzing bij beschikking van 12 februari 2014 was dat stadium voorbij. Art. 642q Rv kan niet zien op een situatie als de onderhavige, waarin een schuldeiser telkens de talrijke mogelijkheden om haar standpunt op de daartoe wettelijk voorgeschreven momenten kenbaar te maken (in elk geval reeds vier op grond van het voorgaande) ongebruikt en zonder deze vorderingscomponent te bespreken voorbij heeft laten gaan en dan opeens iets nieuws verzint. Dat zou in strijd zijn met de Wet en een behoorlijke procesorde en de jurisprudentie op dat punt en in dit geval bovendien met art. 13 lid 1 LLMC waarnaar ik eerder verwees.
Pas toen de gehele vordering zoals ingediend en dus inclusief deze vorderingscomponent was erkend is Baltic Cable tot betwisting overgegaan en aanvankelijk, toen de uitspraak van de Zweedse Hoge Raad werd toegezonden, merkte zij slechts op dat zij “er van uit ging” dat de onderhavige vorderingscomponent niet op de staat van verdeling zou komen te staan. Maar dan is er geen ruimte meer voor een nieuwe renvooiverwijzing, of een vergadering daartoe, en voor de RC en de vereffenaar voor een andere handelwijze dan is beschreven in art. 642p lid 2 en lid 3 Rv.”
3.48.
De rechter-commissaris heeft de advocaten van partijen en de vereffenaar op 28 februari 2024 als volgt laten berichten:
“De kern van de mailwisseling lijkt te zijn dat Baltic Cable de eerder door haar ter verificatie aangemelde proceskostenvordering tegen de heer [verzoeker 1] , waarvan de omvang
inmiddels in Zweden is vastgesteld, niet wil handhaven. Het komt de rechter-commissaris voor dat het intrekken van die vordering Baltic Cable vrijstaat, maar Baltic Cable moet dat dan wel uitdrukkelijk doen. Wordt de vordering ingetrokken, dan blijft de vordering buiten de verificatie. Wordt de vordering niet ingetrokken, dan lijkt verificatie daarvan tot de inmiddels vastgestelde omvang de logische vervolgstap.
De rechter-commissaris ziet nog niet hoe zij (of de rechtbank in renvooi) in het kader van de beperkingsprocedure kan beslissen (i) dat de door Baltic Cable aangemelde kostenvordering als niet-aangemeld geldt, dan wel (ii) dat een beslag dat buiten het beperkingsfonds om in Assen is gelegd niet mag worden vervolgd. Het is aan de voorzieningenrechter te Assen, al dan niet in het kader van een executiegeschil, om te oordelen over de gevolgen van een aldaar gelegd beslag.
Kortom: Baltic Cable wordt verzocht om duidelijkheid te verschaffen over wat zij wil met de vordering tot vergoeding van de in Zweden gemaakte proceskosten. De andere partijen mogen op het bericht van Baltic Cable reageren.”
3.49.
De advocaat van Baltic Cable heeft daarop bij schrijven van 4 maart 2024 als volgt geantwoord:

Namens Baltic Cable AB ("Baltic Cable") reageer ik hierbij op uw e-mailbericht van 28 februari 2024 inzake het verdere verloop van de beperkingsprocedure tussen de heer [verzoeker 1] (" [verzoeker 1] ") en Baltic Cable. U hebt in dat bericht aangegeven nog niet te zien hoe u (of de rechtbank in renvooi) in het kader van de beperkingsprocedure kan beslissen (i) dat de door Baltic Cable
aangemelde vordering die ziet op de proceskostenvergoeding waartoe [verzoeker 1] in de Zweedse procedures veroordeeld is ("Proceskostenvordering") als niet-aangemeld geldt, dan wel (ii) dat een beslag dat buiten het beperkingsfonds om in Assen is gelegd niet mag worden vervolgd.
Baltic Cable merkt op dat de heer [verzoeker 1] inmiddels een garantie heeft gesteld en dat de beslagen vervolgens zijn opgeheven. De Rechtbank Assen heeft op 27 februari 2024 een beschikking gewezen waarin verlof is verleend de Zweedse uitspraak ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter wijst in r.o. 3.8 van die beschikking op het gegeven dat de schadevordering van Baltic Cable op [verzoeker 1] is beperkt, maar overweegt niet dat ook de Proceskostenvordering onder de beperking valt.Baltic Cable is de enige schuldeiser die aanspraak maakt op het geld in het schadefonds. Dat zij een omvangrijke vordering heeft staat niet ter discussie. Het juridische punt dat partijen verdeeld houdt betreft de vraag of de Proceskostenvordering volledig kan worden geïnd, of dat deze ook is beperkt op de voet van het Beperkingsverdrag 1976. De vraag die voorligt is welke rechter daarover zou kunnen of moeten oordelen. Baltic Cable heeft begrip voor uw e-mail en de wens te komen tot een pragmatische oplossing. Ook zij wenst te komen tot een pragmatische oplossing. In deze brief zal zij toelichten op welke wijze zij meent dat een oplossing kan worden gevonden. Zij is en blijft overigens gaarne beschikbaar om in overleg met u en de wederpartij afspraken te maken.Allereerst lijkt tussen partijen in confesso dat hier sprake is van een geschil als bedoeld in artikel 642k tweede zin Rv. Het punt van geschil betreft de vraag of ten aanzien van de proceskosten een beroep kan worden gedaan op de beperking van de aansprakelijkheid.De heer [verzoeker 1] heeft de Proceskostenvordering erkend en stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van die vordering wel degelijk een beroep op beperking kan doen. Baltic Cable meent dat die vordering separaat geïnd kan en mag worden. Op grond van artikel 642k Rv diende Baltic Cable als schuldeiser ook deze vordering ter verificatie in te dienen en dat heeft zij ook gedaan.
Baltic Cable is er vervolgens van uitgegaan dat de rechter-commissaris, op basis van artikel 642q tweede zin Rv, haar naar de rechtbank zou verwijzen "ter beslissing van de vraag of zijn vordering terecht ter verificatie werd ingediend". In de toelichting bij artikel 642k Rv staat in dit verband (Koopman, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 642k, aant. 4):
"De rechter-commissaris verwijst ook de schuldeiser bij wie twijfel is gerezen of de schuldenaar jegens hem zijn aansprakelijkheid mag beperken en wiens vordering overigens niet wordt betwist naar de rechtbank (art. 642q lid 1, tweede zin jo. art. 642k, tweede zin). Doorgaans zal één van de andere schuldeisers de vordering van de twijfelende schuldeiser wel betwisten, indien daartoe grond bestaat. Dit is immers in het belang van de andere schuldeisers. De mogelijkheid bestaat echter dat noch de schuldenaar noch één van de op het fonds gerechtigde schuldeisers de vordering van deze schuldeiser betwist.Met de door de twijfelende schuldeiser op basis van art. 642l lid 1 overgelegde schriftelijke verklaring met de gronden van zijn twijfel is de rechter in de gelegenheid een declaratoir vonnis te wijzen omtrent het punt of zijn vordering al dan niet valt onder de vorderingen waarvoor de schuldenaar zijn aansprakelijkheid mag beperken."[onderstreping advocaat]
De in artikel 642l Rv bedoelde schriftelijke verklaring heeft Baltic Cable aan de vereffenaar toegestuurd. Als deze procedure verder gevolgd zou worden, kan de rechtbank in een declaratoir vonnis beslissen over het juridische punt dat partijen nu nog verdeeld houdt, namelijk of de heer [verzoeker 1] zich ten aanzien van de Proceskostenvordering al dan niet op beperking van zijn aansprakelijkheid kan beroepen. Indien Baltic Cable haar vordering in de verificatieprocedure intrekt, zal dit punt in een procedure buiten de verificatie beslist moeten worden. Dat is op zichzelf denkbaar. Baltic Cable wil echter niet dat een intrekking van een vordering haar op een later moment kan worden tegengeworpen. Zij wil op geen enkele wijze de indruk wekken of tegengeworpen kunnen krijgen dat zij enig recht om de proceskostenveroordeling (buiten de verificatie en buiten het fonds) op de heer [verzoeker 1] te verhalen heeft prijsgegeven.Baltic Cable wil ook voorkomen dat, na intrekking van haar vordering en definitieve afwikkeling van het beperkingsfonds, in een eventuele andere procedure (voor een andere rechtbank) uiteindelijk toch wordt geoordeeld dat de vraag of de heer [verzoeker 1] zich ten aanzien van de Proceskostenvordering op beperking van zijn aansprakelijkheid kan beroepen, toch in het kader van de verificatieprocedure beslist had moeten worden (artikel 642q Rv).
Met inachtneming van het voorgaande stelt Baltic Cable daarom het volgende voor:
Ten eersteverzoekt zij u om op grond van artikel 642x Rv een voorlopige staat van verdeling vast te stellen, waarin de Proceskostenvordering niet is opgenomen. Vervolgens kan direct worden overgegaan tot uitkering van het fonds aan Baltic Cable. Het antwoord op de vraag of de Proceskostenvordering binnen het fonds valt, heeft immers geen gevolgen voor het totale bedrag dat onder het fonds aan Baltic Cable als enige schuldeiser moet worden uitgekeerd. De door de heer [verzoeker 1] erkende vordering van Baltic Cable is immers een veelvoud van het fondsbedrag. Er zijn geen andere crediteuren. Er is dus geen reden om de uitkomst van een eventuele (renvooi)procedure af te wachten tot het fonds aan Baltic Cable kan worden uitgekeerd.
Ten tweedeverzoekt Baltic Cable u toch om de volgens haar aangewezen route van artikel 642q tweede zin Rv te volgen en Baltic Cable te verwijzen naar de rechtbank die dan vervolgens in een declaratoir vonnis kan beslissen of de Proceskostenvordering al dan niet valt onder de vorderingen waarvoor de heer [verzoeker 1] zijn aansprakelijkheid mag beperken. Immers, mocht de rechtbank die vraag bevestigend beantwoorden, dan is de zaak daarmee ten einde. Mocht het antwoord op de vraag ontkennend zijn, dan kan Baltic Cable de Proceskostenvordering buiten het fonds tegen [verzoeker 1] ten uitvoer leggen. Daarmee is het geschilpunt tussen partijen beslist en kan hoe dan ook de definitieve staat van verdeling worden opgemaakt en goedgekeurd.
Strikt subsidiair, voor het geval u geen ruimte of noodzaak ziet tot verwijzing van dit geschil naar de rechtbank, dan is Baltic Cable, geheel onder voorbehoud van rechten, bereid haar Proceskostenvordering voorlopig in te trekken, doch onder uitdrukkelijk voorbehoud dat:
(i) zij daarmee op geen enkele wijze afstand doet van deze vordering en haar recht om deze ten uitvoer te leggen,
(ii) de rechter-commissaris vooralsnog slechts overgaat tot vaststelling en goedkeuring van een voorlopige staat van verdeling als bedoeld in artikel 642x Rv, onder aanhouding van de verificatie van de Proceskostenvordering. De gedachte zou dan moeten zijn dat een verwijzing naar een verificatieprocedure alsnog mogelijk is als in een andere procedure ooit bepaald zal worden dat de Proceskostenvordering beoordeeld moet worden in de verificatieprocedure als bedoeld in artikel 642q Rv.
3.50.
De advocaat van de Verzoekers heeft de advocaat van Baltic Cable, de rechter-commissaris en vereffenaar op 6 maart 2024 als volgt bericht:
“1. Baltic Cable gaat eraan voorbij, dat zij de vordering voor Zweedse proceskosten aldus specifiek benoemd en zonder enig voorbehoud heeft ingediend, dat daarmee het rechtsgevolg van art. 13-1 LLMC is ingetreden en dat wat zij duidelijk beoogt - verkrijgen van betaling buiten het fonds om - expliciet verboden is. Art. 13-1 LLMC is volstrekt helder, het was dus aan Baltic Cable om te kiezen, en dat heeft zij gedaan door in te dienen. Dat rechtsgevolg kan niet ongedaan worden gemaakt. Baltic Cable gaat er bovendien aan voorbij dat de Zweedse proceskostenveroordeling moet worden gezien als onderdeel van de schadevergoeding (zie mijn e-mail van 21 februari jl.) en valt onder de desbetreffende beschrijving in het LLMC en vergelijk ook art. 642t lid 3 Rv, zodat deze wordt beknot door het fonds.
2. Baltic Cable blijft ten onrechte maar volhouden, dat zij overeenkomstig art. 642k en 642I Rv heeft gehandeld. Ik wil niet in herhaling vervallen en wijs onder meer op mijn e-mals van 27 februari jl. en van 21 februari jl., die op zichzelf ook niet weersproken zijn. Dat kan ook niet en die stelling van Baltic Cable is gewoon niet waar: de processtukken bewijzen de feiten en de conclusies die ik daar heb weergegeven en dat Baltic Cable minst genomen vier momenten (!) ongebruikt voorbij heeft laten gaan om haar visie naar voren te brengen. Haar bezwaar is dus volgens haar niet nieuw, maar voor mij en alle anderen wel, want eerst onlangs naar voren gebracht, na erkenning van deze vordering,
en dus te laat. Wat Baltic Cable daarover in haar schrijven van 4 maart jl. aanvoert ondersteunt het standpunt van mijn clienten, en ondergraaft dat van Baltic Cable alleen maar verder. De ratio van de tweede zin van art. 642k en lid 1 laatste zin van art. 642I Rv vanwege art. 642q lid 1 tweede zin Rv is dat een schuldenaar die twijfelt zulks kenbaar maakt met redenen, zodat hij daarmee de renvooirechter in de gelegenheid stelt om daarover te oordelen. Die gelegenheid heeft Baltic Cable die rechter (en daarmee ook alle partijen er wat over te zeggen) op minstens vier momenten nu juist onthouden. Nu voor het eerst met dit blijkbaar al oudere argument over de Zweedse proceskostenveroordeling komen is gewoon te laat.
3. Eenzelfde hardnekkige onjuistheid is mijns inziens dat Baltic Cable maar blijft vragen, wellicht met het oog daarop, om een nieuwe renvooiverwijzing, zodat zij met deze nieuwe trouvaille ongehinderd door eerdere procedurele verwikkelingen met bijbehorende rechtsgevolgen aam de slag zou kunnen. Maar de processtukken (vooral ook het proces verbaal van de verificatievergadering) laten zien dat dit niet meer kan en dat het stadium waarin dat kon eindigde met de renvooiverwijzing in de beschikking van 12 februari jl. Ik moge in dit verband verwijzen naar mijn eerdere mails en de daarin genoemde jurisprudentie. Een nieuwe renvooiverwijzing is dus onmogelijk.
4. Anders dan mr Knottenbelt meen ik niet dat de vraag is welke rechter zou kunnen of moeten oordelen over de vraag of verhaal voor de proceskostenveroordeling buiten het fonds om mogelijk is. Ik denk dat de vraag welke vorderingen door het fonds worden beknot het exclusieve domein is van de beperkingsrechter en dat executie door schuldeisers alleen kan geschieden met inachtneming van het beperkingsfonds. Of dat in acht nemen al dan niet gebeurt is dan wellicht aan een executie rechter, die desgewenst helderheid kan verkrijgen van de fondsrechter. Vergelijk de zaak van de [persoon A] . Welke vorderingen beknot zijn kan uit renvooibeslissingen blijken en blijkt uiteindelijk altijd uit de staat van verdeling. Daar ligt dus voor de fondsrechter de mogelijkheid om aan andere rechters die mogelijk gaan over executiegeschillen elders de weg te wijzen.
5. Mijn cliënten handhaven hun verzoek om de vordering voor de Zweedse proceskosten overeenkomstig art. 642p Rv vast te stellen op het erkende bedrag en dat overeenkomstig art. 642p lid 3 Rv op de lijst aan te tekenen, zoals gedaan bij e-mail van 23 februari jl.
6. Mijn cliënten maken bezwaar tegen toewijzing van het verzoek van Baltic Cable om op grond van art. 642x Rv een voorlopige staat van verdeling vast te stellen waarin de proceskostenveroordeling niet is opgenomen zodat het fonds aan Baltic Cable kan worden uitgekeerd. Ik denk dat dit verzoek op oneigenlijke gronden is gebaseerd door de opmerking over het niet opnemen van de proceskostenveroordeling. Ik denk dat Baltic Cable dat wil aangrijpen om executie buiten het fonds om alvast ter hand te kunnen nemen zonder daarbij duidelijkheid van de beperkingsrechter af te wachten hoe het eigenlijk zit. Wat zijdens Baltic Cable wordt opgemerkt over RO 3.8 van de beslissing van de Voorzieningenrechter te Assen is wat dat betreft veelzeggend. Een niet door de inhoud van RO 3.8 gesteunde a contrario redenering overigens. Dat is misbruik van het recht van art. 642x Rv en is geen rechtens te respecteren belang. Baltic Cable is een enorm bedrijf waarvoor het bedrag van het fonds slechts een pluisje op de begroting is en enig spoedeisend of ander belang is niet aan de orde of gesteld. Nou ben ik misschien wel te wantrouwig en het klopt natuurlijk dat het fonds uiteindelijk toch naar Baltic Cable toe gaat. Mijn bezwaar is te ondervangen (maar ik heb nog geen akkoord van mijn cliënten) door de proceskostenveroordeling voorlopig juist wel op te nemen, door de bevestiging van Baltic Cable dat zij totdat de beperkingsrechter definitief gesproken heeft niet tot executie buiten het fonds om zal overgaan of door zonder voorlopige staat van verdeling over te laten gaan tot betaling van een voorschot uit het fonds, eventueel ten bedrage van het fonds. Ik verzoek mr Knottenbelt om aan te geven of Baltic Cable daarmee zou kunnen instemmen. Dan
hebben we meteen helderheid over het al dan niet terecht zijn van mijn wantrouwen, en of al dan niet van een oneigenlijk verzoek, ontbreken van rechtens te respecteren belang en misbruik van recht sprake is.
7. Voor het tweede verzoek van Baltic Cable zie hierboven sub 3; mijn cliënten maken daar bezwaar tegen en menen dat het niet voor toewijzing in aanmerking komt.
8. Voor het strikt subsidiaire verzoek van Baltic Cable geldt, dat het aan Baltic Cable is om te bezien of en hoe het mogelijk is om haar vordering in te trekken, en als dat kan of dat kan op een manier die haar goed dunkt en welke rechtsgevolgen dat dan heeft nu zij die dan heeft te dragen. Daarover en over allerlei voorbehouden en voorwaarden die zij daaraan jegens mijn cliënten en zelfs de RC wil stellen, en over rechtsgevolgen die zij denkt te kunnen vermijden kan zij op voorhand mijn cliënten noch de RC zich laten committeren, die daar dan ook niet op in kunnen gaan. Ik merk overigens op dat een gedachte dat de onderhavige vordering bij intrekking buiten de verificatie zal blijven volgens mij onjuist is maar dat zien we dan eventueel wel weer en ik denk dat het niet aan mij of de RC is om
Baltic Cable te sturen en mijn cliënten behouden zich alle rechten uitdrukkelijk voor, ook voor wat betreft al het bovenstaande.”
3.51.
De advocaat van Baltic Cable heeft de advocaat van de Verzoekers, de rechter-commissaris en vereffenaar op 6 maart 2024 als volgt bericht:

Mr. Den Haan stelt dat Baltic Cable's bezwaar ten aanzien van het opnemen van de proceskosten in de staat van verdeling pas kwam nadat deze proceskostenvordering was erkend door de heer [verzoeker 1] . Dat is onjuist. De vordering tot betaling van proceskosten is steeds opgenomen geweest op de lijst van betwiste vorderingen. Toen de proceskosten eind 2023 met het vonnis van de hoogste Zweedse rechter definitief werden, liet Baltic Cable op 11 december 2023 aan mr. Den Haan en de vereffenaar weten: "In de lijst van betwiste vorderingen is een p.m. post ten aanzien van de proceskosten opgenomen. Bij het opmaken van de staat van verdeling ga ik er evenwel van uit dat de proceskosten waarin de heer [verzoeker 1] in Zweden is veroordeeld, niet onder de beperking vallen en dus niet in de staat van verdeling van het fonds zullen hoeven worden opgenomen." De vereffenaar merkte vervolgens op 19 december 2023 op "Mijn voorlopig oordeel is dat de kostenveroordeling van de heer [verzoeker 1] in de Zweedse procedure een niet voor beperking vatbare vordering is."
Mr. Den Haan reageerde pas na deze berichten, op 20 december 2023: "Hierbij bericht ik u voor zover nog nodig dat de vorderingen zoals ingediend door Baltic Cable geheel worden erkend; de betwistingen zijn van de baan." Om een einde te maken aan een discussie via (email)correspondentie geeft Baltic Cable u, voor zover de in haar brief van 4 maart 2024 voorgestelde route op grond van art. 642q Rv niet wordt gevolgd, in overweging een laatste verificatievergadering te gelasten waarin partijen hun standpunten uiteen kunnen zetten, op basis waarvan u vervolgens een beslissing kunt nemen ten aanzien van de verdere procedure.”
3.52.
Bij e-mail van 7 maart 2024 aan partijen en aan de vereffenaar heeft de rechter-commissaris partijen verzocht geen nadere berichten over en weer te sturen en medegedeeld dat zij een beslissing zal nemen over de volgende stap in de procedure.
3.53.
Bij beschikking van 27 juni 2024 (de Beschikking) heeft de rechter-commissaris beslist dat geen aanleiding bestaat voor voortzetting van de verificatiefase en dat zij de inmiddels door de vereffenaar opgestelde Staat van verdeling zal goedkeuren. De goedgekeurde Staat van verdeling is ter inzage gelegd op grond van artikel 642u lid 1 Rv.
De verdere beoordeling
3.54.
Uit hetgeen hiervoor is aangehaald onder 3.18 tot en met 3.22 leidt de rechtbank af dat Baltic Cable haar vordering ter zake van de Zweedse proceskosten onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud heeft ingediend bij de vereffenaar. Baltic Cable heeft bij die indiening, noch op de verificatievergaderingen het standpunt ingenomen dat die vordering wegens de aard ervan niet onderhevig is aan de beperking van aansprakelijkheid, of daarover twijfel geuit als bedoeld in artikel 642k Rv. Bij de verwijzing door de rechter-commissaris naar de renvooiprocedure (3.20 tot en met 3.22) is de vordering wegens de Zweedse proceskosten niet zelfstandig aan de orde gekomen en is de beoordeling van alle vorderingen van Baltic Cable naar de rechtbank verwezen. Daarmee vormde ook de vordering wegens de Zweedse proceskosten onderwerp van de beoordeling door de rechtbank in de renvooiprocedure.
3.55.
Uit de samenvatting van de procedure hierboven blijkt dat de vraag of de vordering wegens de Zweedse proceskosten al dan niet aan de beperking van aansprakelijkheid is onderworpen, niet aan de orde is gekomen in die renvooiprocedure. Het vanaf 11 december 2023 door Baltic Cable ingenomen standpunt (of twijfel) daarover zou aan de orde hebben kunnen komen in het gedeelte van de renvooiprocedure waarin werd geoordeeld over de vraag of Verzoekers zich op beperking van hun aansprakelijkheid konden beroepen. Maar dat onderwerp is niet aan de orde gesteld in die procedure, welke werd beslist met het vonnis van de rechtbank van 12 december 2018 (zie 3.24). Die beslissing is onherroepelijk geworden.
3.56.
Bij Baltic Cable is pas twijfel gerezen of de vordering ter zake van de Zweedse proceskosten wegens de aard ervan al dan niet aan de beperking van aansprakelijkheid is onderworpen, nadat de hoogste rechter in Zweden in november 2023 had beslist (zie 3.30). Op de mondelinge behandeling heeft de advocaat van Baltic Cable bevestigd dat die twijfel toen pas bij haar is ontstaan. Sedertdien is Baltic Cable het standpunt gaan innemen dat die vordering niet voor beperking vatbaar is en is zij overgegaan tot het zoeken van verhaal buiten het zakenfonds om.
3.57.
Bij het innemen van dat standpunt en het ondernemen van verhaalsactie buiten de beperkingsprocedure om lag het in de rede dat Baltic Cable haar vordering uit de beperkingsprocedure zou terugnemen. Immers, voor een vordering die onderworpen is aan beperking van aansprakelijkheid, kan de schuldeiser buiten de beperkingsprocedure om geen verhaal op het vermogen van de schuldenaar nemen, zoals artikel 13 lid 1 LLMC 1996 duidelijk bepaalt. Voor het uiten van twijfel in de zin van artikel 642k Rv was het eind 2023/voorjaar 2024 te laat. Zoals hiervoor overwogen had verwijzing van de vordering voor de Zweedse proceskosten naar de renvooiprocedure al plaatsgevonden. Een tweede verwijzing van dezelfde vordering zou in strijd zijn met een behoorlijke procesorde.
3.58.
Hoewel het dus in de rede lag dat Baltic Cable uitdrukkelijk haar vordering wegens de Zweedse proceskosten zou terugnemen uit de beperkingsprocedure, ziet de rechtbank nog steeds geen blijk van daadwerkelijke terugneming van die vordering door Baltic Cable.
3.59.
Baltic Cable heeft gelijk waar zij stelt (onder nummer 3.3.11 Bezwaarschrift) dat de renvooiprocedure najaar 2023 formeel nog niet was afgelopen. Anders dan Baltic Cable in haar Bezwaarschrift en Akte/Nader verzoek lijkt te betogen, ligt het niet binnen het domein van de rechter-commissaris om een renvooiprocedure weer op de rol te plaatsen, maar ligt de verantwoordelijkheid daarvoor bij partijen. Gesteld noch gebleken is, echter, dat Baltic Cable de renvooiprocedure heeft voortgezet (door de zaak weer op de rol te plaatsen en een desbetreffend processtuk in te dienen). Het past Baltic Cable dan ook niet dat zij zich er in deze verzetprocedure over beklaagt dat de renvooiprocedure niet is voortgezet.
3.60.
Met de beslissing van de hoogste rechter in Zweden, welke beslissing in Nederland in beginsel erkend wordt, en de erkenning door Verzoekers van alle vorderingen van Baltic Cable, had de (slapende) renvooiprocedure praktisch geen inhoud meer. Partijen hebben er kennelijk vanaf gezien om die te vervolgen en de vereffenaar benaderd voor het opmaken van de Staat van verdeling. Bij die informele procesgang zou Baltic Cable haar vordering voor de Zweedse processtukken hebben kunnen terugnemen, maar dat heeft zij niet gedaan. Immers, voor zover Baltic Cable met haar e-mail van 11 december 2023 bedoelde die vordering terug te nemen, heeft zij dat in de volgende correspondentie ontkracht. Partijen debatteerden over de vraag of de vordering wegens de Zweedse proceskosten onderworpen is aan de beperking van aansprakelijkheid, zonder dat die vordering uit de beperkingsprocedure werd teruggenomen.
Nu partijen buiten de renvooiprocedure om de weg naar de Staat van verdeling zijn ingeslagen, past het niet meer om alsnog de renvooiprocedure te heropenen.
3.61.
De vraag of de vordering wegens de Zweedse proceskosten onderworpen is aan de beperking van aansprakelijkheid, zou ook ter beoordeling komen indien Baltic Cable haar verhaalsactie buiten de beperkingsprocedure om zou doorzetten. Maar ook die procedure zet Baltic Cable kennelijk niet door.
3.62.
Het lag dus in de rede dat Baltic Cable haar vordering voor de Zweedse proceskosten uit de beperkingsprocedure zou terugnemen, los van de vraag of die vordering inmiddels door Verzoekers was erkend. Waar Baltic Cable daartoe niet overging, heeft de rechter-commissaris haar die vraag uitdrukkelijk gesteld in het schrijven van 28 februari 2024 (zie 3.48). Baltic Cable sprak zich daarover niet (voldoende duidelijk) uit in haar reactie van 4 maart 2024 (zie 3.49).
3.63.
De omstandigheid dat Verzoekers de vordering wegens de Zweedse proceskosten inmiddels hebben erkend, maakt dat niet anders. Een schuldeiser kan zijn vordering op elk door hem gewenst moment terugnemen uit de beperkingsprocedure, ongeacht de vraag of de schuldenaar die vordering erkent of heeft erkend. Voor zover Verzoekers betogen dat door hun erkenning het onmogelijk wordt om een vordering uit de beperkingsprocedure terug te nemen, volgt de rechtbank hen daarin dus niet. Voor zover Verzoekers betogen dat door hun erkenning een vordering onderworpen wordt aan beperking van aansprakelijkheid, volgt de rechtbank hen daarin evenmin. Het is, zoals onder 3.5 gezegd, slechts het stelsel van de LLMC 1996 en de corresponderende regeling in Boek 8 BW die bepalen of een vordering aan beperking van aansprakelijkheid is onderworpen. Ingevolge artikel 13 LLMC kan een schuldeiser een vordering die onderworpen is aan beperking van aansprakelijkheid alleen via de beperkingsprocedure vervolgen.
Maar indien een schuldeiser een vordering, die wegens de aard ervan niet aan beperking van aansprakelijkheid is onderworpen, zonder voorbehoud in een beperkingsprocedure indient en die niet daaruit terugneemt, raakt die vordering ook onderworpen aan die beperking.
3.64.
De stand van zaken is dus deze. Baltic Cable heeft haar vordering wegens de Zweedse proceskosten zonder voorbehoud in de beperkingsprocedure ingediend. In een door de Nederlandse rechter in beginsel te erkennen beslissing van de Zweedse rechter is vastgesteld dat die vordering Baltic Cable toekomt. Verzoekers hebben die vordering erkend. Baltic Cable heeft die vordering niet teruggenomen. Bij die stand van zaken kan niet geoordeeld worden dat die vordering ten onrechte in de Staat van verdeling is opgenomen.
3.65.
Indien de rechtbank dienovereenkomstig zou beslissen, zou daarmee de rijkelijk laat ontstane discussie over de vraag of de vordering wegens de Zweedse proceskosten onderworpen is aan de beperking van aansprakelijkheid, aflopen zonder dat die discussie inhoudelijk is beoordeeld. Zulks terwijl er wellicht een procesgang open staat waarin dat debat gevoerd kan worden en een beoordeling kan worden gegeven. De rechtbank vindt zodanige uitkomst, mede gelet op het appel- en cassatieverbod van artikel 642y lid 1 Rv, onbevredigend. Daarom zal de rechtbank Baltic Cable nog één maand de gelegenheid geven bij akte aan te tonen dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief heeft teruggenomen uit de beperkingsprocedure. Verzoekers zullen op die akte kunnen reageren.
Mocht Baltic Cable binnen die termijn haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief hebben teruggenomen uit de beperkingsprocedure, dan zal de rechtbank de Staat van verdeling vaststellen met weglating van die vordering. Mocht Baltic Cable dat niet (tijdig) doen, dan zal de rechtbank beslissen als hiervoor onder 3.64 overwogen.
3.66.
De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
laat Baltic Cable toe om uiterlijk op maandag
19 januari 2026bij akte het bewijs over te leggen dat zij haar vordering wegens de Zweedse proceskosten definitief heeft teruggenomen uit de beperkingsprocedure;
4.2.
laat Verzoekers toe om uiterlijk op donderdag 19 februari 2026 bij akte te reageren op zodanige akte van Baltic Cable;
4.3.
houdt elke verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. W.P. Sprenger, M. Witkamp en S.H.L. Niessen en is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 in aanwezigheid van de griffier mr. B. Meeuwisse-den Boer.
3266/1928/2054/3261

Voetnoten

1.Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen 19 november 1976, Trb. 1980, 23, met Protocol tot wijziging van dat verdrag, Londen 2 mei 1996, Trb. 1997, 300
2.Wet van 22 december 1924, tot herziening van verschillende titels van het Tweede Boek van het W.v.K. en wijziging van daarmee samenhangende artikelen in andere wetboeken en in de Faillissementswet, Stb. 1924, 573.
3.Kamerstukken 1924, 68, Nr. 5 Nadere Nota van wijzigingen, p. 73/74.
4.Verdrag van Brussel, 10 oktober 1957 nopens de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen, Trb. 1958, 46
5.Kamerstukken 1963, 7248, Nr. 3, p. 9
6.Wet van 31 oktober 1996 tot Invoeging van titels 7 en 12 in Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, Stb 1996, 548; Kamerstukken 1994-1995, 24061
7.Kamerstukken 1994-1995, 24061, Nr. 3, p. 4