ECLI:NL:RBROT:2025:14866

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11922409 VV EXPL 25-613
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming van woonruimte en betaling van huurachterstand in kort geding

In deze zaak heeft VDM Vastgoed Groep B.V. een kort geding aangespannen tegen een gedaagde, die zelf procedeert, met als doel de ontruiming van een woning in Schiedam en betaling van huurachterstand. De eiseres, VDM, stelt dat de gedaagde een huurachterstand heeft van € 2.185,93 en dat er sprake is van onderverhuur, wat in strijd is met de huurovereenkomst. De gedaagde betwist de onderverhuur en voert aan dat hij tijdelijk een bekende heeft laten logeren, maar dat hij zelf de enige huurder is. De kantonrechter heeft op 17 december 2025 uitspraak gedaan. De rechter oordeelt dat VDM een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming, ondanks de betwisting van de gedaagde over de onderverhuur. De rechter concludeert dat de huurachterstand van meer dan vier maanden voldoende is om de ontruiming te rechtvaardigen. De ontruimingstermijn wordt vastgesteld op veertien dagen na betekening van het vonnis. De gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van de huurachterstand en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat het onmiddellijk kan worden uitgevoerd, ook als de gedaagde in hoger beroep gaat.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11922409 VV EXPL 25-613
datum uitspraak: 17 december 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
VDM Vastgoed Groep B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. V. Kortenbach,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Schiedam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VDM’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 29 oktober 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 3 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • namens VDM mevrouw [persoon A] en de gemachtigde;
  • [gedaagde] en zijn vader [persoon B] .

2.Het geschil

2.1.
VDM eist samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen de woning aan de [adres] te Schiedam te ontruimen;
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 2.185,93,- en een bedrag van € 479,24 per maand aan gebruiksvergoeding vanaf november 2025 totdat de woning is ontruimd;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
VDM baseert de eis op het volgende.
VDM als (opvolgend) eigenaar verhuurt aan [gedaagde] de woning aan de [adres] te Schiedam. De overeengekomen huurprijs bedraagt € 479,24. [gedaagde] heeft een huurachterstand van € 2.185,93 berekend tot en met oktober 2025 laten ontstaan. Daarnaast heeft [gedaagde] de woning in strijd met artikel 1.3. van de Algemene Bepalingen onderverhuurd. Dit blijkt zowel uit een getuigenverklaring van een buurtbewoner als uit een brief van de onderhuurder. Gelet op deze tekortkomingen van [gedaagde] heeft VDM recht en een spoedeisend belang bij een veroordeling van huurder tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de achterstallige huur.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan.
Er is geen sprake van onderverhuur van de woning. [gedaagde] heeft een bekende van hem een paar dagen bij hem laten logeren, omdat hij onderdak nodig had. [gedaagde] begrijpt niet waarom hij post van die persoon op zijn adres krijgt. [gedaagde] woont alleen in de woning en kan vanwege de sluiting van de zaak van zijn vader de huur niet meer betalen. Er wordt sinds mei 2025 geen omzet meer gedraaid en hierdoor hebben ze geen inkomsten. [gedaagde] heeft meerdere schulden en morgen heeft hij een afspraak met Stroomopwaarts voor het bespreken van zijn schulden. Als de zaak van zijn vader weer open kan gaan, dan is er weer geld om de huurachterstand in te lopen. Als de woning wordt ontruimd, dan komt [gedaagde] op straat te staan.

3.De beoordeling

Juridisch kader
3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat VDM heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
3.2.
Gelet op de aard van de vorderingen oordeelt de kantonrechter dat VDM een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
Onderverhuur
3.3.
Partijen verschillen van mening of er al dan niet sprake is van onderverhuur van de woning. Weliswaar wijzen de overgelegde brieven op een vermoeden van een illegale situatie waarin de woning wordt onderverhuurd, maar voor het vaststellen daarvan is meer informatie en bewijs nodig. Een kort geding leent zich daarvoor niet. De overgelegde getuigenverklaring is onvoldoende om als bewijs te kunnen dienen, omdat deze slechts zeer algemene bewoordingen bevat en het niet bekend is van wie de verklaring afkomstig is. Ook is het niet duidelijk in welke periode de woning zou zijn onderverhuurd of in gebruik zou zijn gegeven aan derden. De kantonrechter kan gelet op de betwisting van [gedaagde] dan ook niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat er sprake is van onderverhuur.
Huurachterstand
3.4.
[gedaagde] heeft niet betwist dat er sprake is van een huurachterstand van
€ 2.185,93 berekend tot en met oktober 2025. De kantonrechter begrijpt dat de huurachterstand het gevolg is van verschillende – vervelende – persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] , maar die omstandigheden kunnen niet aan VDM worden tegengeworpen. Die omstandigheden bevrijden [gedaagde] namelijk niet van zijn verplichting om de huur volledig en op tijd aan VDM te betalen. Hoewel [gedaagde] heeft aangegeven dat hij bezig was met het opstarten van schuldhulpverlening, is tijdens de zitting niet gebleken dat dit traject inmiddels daadwerkelijk is opgestart. Enige waarborg voor een behoorlijke nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst in de toekomst, is door [gedaagde] (op dit moment) dan ook niet gegeven. De gevorderde huurachterstand wordt toegewezen.
Ontruiming
3.5.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de vordering tot ontruiming zal worden toegewezen. Hoewel er nu geen onderverhuur kan worden vastgesteld, is er wel sprake van een huurachterstand van meer dan 4 maanden en het is aannemelijk dat die achterstand – gezien de hierboven genoemde omstandigheden - nog verder zal oplopen. In dit kader is van belang dat de kantonrechter ook in de procedure tussen de vader van [gedaagde] en VDM de vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimte heeft toegewezen, zodat er geen zicht is op inkomsten op korte termijn. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de beslissing in een bodemprocedure en [gedaagde] te veroordelen het gehuurde te ontruimen. Dit betekent dat [gedaagde] het gehuurde moet verlaten en leeg en netjes moet achterlaten.
Ontruimingstermijn en machtiging
3.6.
VDM heeft op de zitting aangegeven bereid te zijn een langere ontruimingstermijn aan te houden. De ontruimingstermijn wordt daarom vastgesteld op veertien dagen na het vonnis. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf uit te voeren met hulp van politie en justitie wordt niet toegewezen. Op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, immers al bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen.
Gebruiksvergoeding
3.7.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van
€ 479,24 per maand betalen (artikel 7:225 BW). VDM eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan VDM moet betalen op € 120,21 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 933,21. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat VDM dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te Schiedam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van VDM te stellen;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan VDM te betalen € 2.185,93 aan huur berekend tot en met oktober 2025, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 2 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf november 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan VDM te betalen € 479,24 per maand;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VDM worden begroot op € 933,21 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
821