ECLI:NL:RBROT:2025:14869

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
10.402952.24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van (met)amfetamine en MDMA en voorbereidingshandelingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het voorhanden hebben van 3,7 gram (met)amfetamine en 31,2 gram MDMA, alsook van het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs. De verdachte, geboren in 1991 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y.L. Zandbergen. Tijdens de zitting op 7 november 2025 werd het bewijs tegen de verdachte besproken, waarbij de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden eiste, met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 120 uur. De rechtbank oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen was dat de verdachte de genoemde hoeveelheden drugs voorhanden had en dat hij zich schuldig had gemaakt aan voorbereidingshandelingen. De rechtbank achtte het niet geloofwaardig dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de in zijn woning aangetroffen goederen en vloeistoffen die bestemd waren voor de productie van verdovende middelen. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 100 uur. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. De rechtbank motiveerde de straf op basis van de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die een hoog risico op recidive vertoonde.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1
Parketnummer: 10.402952.24
Datum uitspraak: 21 november 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres], maar ten tijde van de zitting naar eigen zeggen: zonder vaste woon- of verblijfplaats,
raadsvrouw mr. Y.L. Zandbergen, advocaat te Rotterdam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K.L. Rook heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden: meldplicht, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), dagbesteding en begeleid wonen en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Feit 1
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte 3,7 (met)amfetamine en 31,2 gram MDMA opzettelijk voorhanden heeft gehad. De verdachte moet van het overigens onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit verder niet zal motiveren.
4.2.
Feit 2
Op 18 december 2024 is de woning van de verdachte doorzocht door de politie. In de slaapkamer zijn aan de productie van harddrugs te relateren goederen en vloeistoffen aangetroffen, zoals handvloeistofpompen en jerrycans met aceton, zoutzuur en bio ethanol.
De verdachte heeft ontkend dat hij zich bezig hield met het vervaardigen van verdovende middelen. De verdachte heeft verklaard dat deze goederen en vloeistoffen niet van hem waren maar van [naam], de huurder van de kelderbox van de woning. De slaapkamer in de woning werd door [naam] gebruikt als opslag. Hij heeft naar eigen zeggen [naam] geholpen met het naar boven sjouwen van in ieder geval twee jerrycans en ook aan hem gevraagd of de spullen in de slaapkamer niets met drugs te maken hadden.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte goederen en vloeistoffen voorhanden heeft gehad waarmee verdovende middelen kunnen worden bewerkt, verwerkt, dan wel vervaardigd. Uitgangspunt is dat de verdachte bekend is met en verantwoordelijk is voor dat wat er in zijn woning wordt aangetroffen. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat de verdachte als gebruiker van verdovende middelen niet wist dat deze goederen en vloeistoffen bedoeld waren om harddrugs mee te bewerken, verwerken of vervaardigen. Dat de verdachte een vermoeden had dat de goederen en vloeistoffen met drugs te maken hadden, volgt ook uit de vraag die hij hierover heeft gesteld aan [naam]. Met het negatieve antwoord van [naam] heeft de verdachte zich echter te snel tevreden gesteld. Op de etiketten stond dat jerrycans ‘esprit de sel’ (vertaald in het Nederlands: zoutzuur), ethanol en aceton bevatten. Dit zijn stoffen waarvan het hoogst ongebruikelijk is om in een slaapkamer op te slaan. De verdachte heeft aan [naam] geen plausibele uitleg gevraagd voor de opslag van deze chemische stoffen. De verdachte wist daarom of had ernstige reden om te vermoeden dat de goederen en vloeistoffen bestemd waren voor de productie van verdovende middelen. Hij heeft gefaciliteerd dat deze spullen in zijn woning konden worden opgeslagen. De verdachte heeft hiermee ( minst genomen voorwaardelijk) opzet gehad op het treffen van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.
De verdachte moet van het voorhanden hebben van de overige onder 2 ten laste gelegde voorwerpen en stoffen worden vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit verder niet zal motiveren.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de voor het bewijs redengevende inhoud van wat hiervoor onder 4.2 is opgemerkt , is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1.
hij op
of omstreeks18 december 2024 te Vlaardingen,
opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk gevalopzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van
(in totaal) ongeveer 988,13,7gram (met)amfetamine,
en
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 237,7 gram cocaïne, en/of
- een hoeveelheid van
(in totaal) ongeveer 43,431,2gram MDMA,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine en/of
cocaïne en/of MDMA, zijnde (met)amfetamine en
/of cocaïne en/ofMDMA,
middeleneen
middelals bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op 18 december 2024 te Vlaardingen,
om een feit, bedoeld in het vierde
of vijfdelid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk
telen, bereiden, bewerken, verwerken,
verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (met)a
fm
fetamine en/of MDMA en/of cocaïne en/of een of meer ander(e)
stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen
envervoermiddelen, stoffen,
gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door het voorhanden hebben van
een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen en/of
materialen,onder meer:
- meerdere jerrycans,
- meerdere handvloeistofpompen,
- een handpers,
- een vacuümapparaat,
- een centrifuge,
- meerdere vaten,
- een hoeveelheid (ongeveer
341,561,5liter) van een materiaal bevattende aceton,
- een hoeveelheid (ongeveer 28,28 kilogram) van een materiaal bevattende procaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende zwavelzuur
- een hoeveelheid (ongeveer 8 liter) van een materiaal bevattende hexaan
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende isopropanol
- een hoeveelheid (ongeveer
31liter) van een materiaal bevattende zoutzuur
- een hoeveelheid (ongeveer 15 kilogram) van een materiaal bevattende caustic
soda
- een hoeveelheid (ongeveer 1970 gram) van een materiaal bevattende lidocaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 530 gram) van een materiaal bevattende caffeïne
- een hoeveelheid (ongeveer 20,93 kilogram) van een materiaal bevattende
tetramisol
- een hoeveelheid (ongeveer 16,86 kilogram) van een materiaal bevattende
butacaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 31 liter) van een materiaal bevattende ammonia
- een hoeveelheid (ongeveer 1,34 kilogram) van een materiaal bevattende MAPA
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende natroonloog
- een hoeveelheid (ongeveer 22,5 liter) van een materiaal bevattende methanol
- een hoeveelheid (ongeveer 520 gram) van een materiaal bevattende ketamine
- een hoeveelheid (ongeveer 644 gram) van een materiaal bevattende benzocaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 5 liter) van een materiaal bevattende metamfetamine
- een hoeveelheid (ongeveer 15 liter) van een materiaal bevattende
natriumhypochloriet
- een hoeveelheid (ongeveer 40 liter) van een materiaal bevattende methylthylketon
- een hoeveelheid (ongeveer 445 gram) van een materiaal bevattende Baking soda
- een hoeveelheid (ongeveer 2 liter) van een materiaal bevattende bio ethanol
- een hoeveelheid (ongeveer 150 liter van een materiaal bevattende bewerkingsafval
- een hoeveelheid (ongeveer 49 liter) van een materiaal bevattende basische
vloeistof,
- een hoeveelheid (ongeveer 12 liter) van een materiaal bevattende zure vloeistof,
en/of
- een hoeveelheid (ongeveer 360 gram) van een materiaal bevattende ethylester van
PMK-glycidezuur.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemeen
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft in zijn woning een beperkte hoeveelheid (met)amfetamine en 79 XTC-tabletten (MDMA) voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij voorbereidings- en/of bevorderingshandelingen verricht om het bewerken, verwerken en vervaardigen van harddrugs mogelijk te maken. Hij heeft daartoe voorwerpen, waaronder jerrycans met onder andere zoutzuur, aceton en ethanol in zijn woning voorhanden gehad, die bestemd waren voor het bereiden en vervaardigen van harddrugs.
Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en de illegale handel in harddrugs gaat gepaard met vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden en verder uitbreiden van drugsgebruik en drugshandel en de daarmee samenhangende sociale en maatschappelijke problemen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 juni 2025. Dit rapport houdt het volgende in. De reclassering schat het risico op recidive hoog in. De risicofactoren zijn de drugsverslaving van de verdachte en zijn psychosociaal functioneren, gelet op de bij hem gestelde diagnose ODD/ADHD. De verdachte wil stoppen met het gebruik van drugs. Vanwege de jarenlange verslaving en de vastgestelde gedragsproblematiek wordt de responsiviteit laag tot laag-gemiddeld ingeschat. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname) en dagbesteding.
7.4.
Straf
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte is gemotiveerd om zijn leven op orde te krijgen, onder meer door af te kicken van zijn gok- en drugsverslaving en door te gaan wonen in een begeleide woonvorm. Daarom zal de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt de bijzondere voorwaarde van begeleid wonen, zoals door de verdachte zelf verzocht, opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal als vergelding ook een taakstraf aan de verdachte worden opgelegd. Het opleggen van deze straffen is passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Omdat de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf inhoudt dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

9.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10.Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
1. de veroordeelde meldt zich binnen drie werkdagen bij GGZ Reclassering Rotterdam, Fivoor, op de Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. de veroordeelde laat zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Indien er sprake is van (een terugval in) middelengebruik waardoor een kortdurende klinische opname voor detoxificatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de veroordeelde zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
3. de veroordeelde verblijft in een instelling voor begeleid wonen/maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, en houdt zich aan de aanwijzingen die door of namens de directeur van die instelling worden gegeven, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;
4. de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf voor de duur van honderd (100) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat
zesentachtig(
86) uur taakstrafmoet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
43 dagen;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. de Veld, voorzitter,
en mrs. M.K. Asscheman-Versluis en L.N. Foppen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.A. Wolterink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 18 december 2024 te Vlaardingen,
opzettelijk heeft vervaardigd en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 988,1 gram (met)amfetamine,
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 237,7 gram cocaïne, en/of
- een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 43,4 gram MDMA,
in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine en/of
cocaïne en/of MDMA, zijnde (met)amfetamine en/of cocaïne en/of MDMA een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op 18 december 2024 te Vlaardingen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van (met)afmetamine en/of MDMA en/of cocaïne en/of een of meer ander(e)
stoffen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te
vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door het voorhanden hebben van een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen en/of
materialen, onder meer:
- meerdere jerrycans,
- meerdere handvloeistofpompen,
- een handpers,
- een vacuümapparaat,
- een centrifuge,
- meerdere vaten,
- een hoeveelheid (ongeveer 341,5 liter) van een materiaal bevattende aceton,
- een hoeveelheid (ongeveer 28,28 kilogram) van een materiaal bevattende procaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende zwavelzuur
- een hoeveelheid (ongeveer 8 liter) van een materiaal bevattende hexaan
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende isopropanol
- een hoeveelheid (ongeveer 3 liter) van een materiaal bevattende zoutzuur
- een hoeveelheid (ongeveer 15 kilogram) van een materiaal bevattende caustic
soda
- een hoeveelheid (ongeveer 1970 gram) van een materiaal bevattende lidocaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 530 gram) van een materiaal bevattende caffeïne
- een hoeveelheid (ongeveer 20,93 kilogram) van een materiaal bevattende
tetramisol
- een hoeveelheid (ongeveer 16,86 kilogram) van een materiaal bevattende
butacaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 31 liter) van een materiaal bevattende ammonia
- een hoeveelheid (ongeveer 1,34 kilogram) van een materiaal bevattende MAPA
- een hoeveelheid (ongeveer 10 liter) van een materiaal bevattende natroonloog
- een hoeveelheid (ongeveer 22,5 liter) van een materiaal bevattende methanol
- een hoeveelheid (ongeveer 520 gram) van een materiaal bevattende ketamine
- een hoeveelheid (ongeveer 644 gram) van een materiaal bevattende benzocaïne
- een hoeveelheid (ongeveer 5 liter) van een materiaal bevattende metamfetamine
- een hoeveelheid (ongeveer 15 liter) van een materiaal bevattende
natriumhypochloriet
- een hoeveelheid (ongeveer 40 liter) van een materiaal bevattende methylthylketon
- een hoeveelheid (ongeveer 445 gram) van een materiaal bevattende Baking soda
- een hoeveelheid (ongeveer 2 liter) van een materiaal bevattende bio ethanol
- een hoeveelheid (ongeveer 150 liter van een materiaal bevattende bewerkingsafval
- een hoeveelheid (ongeveer 49 liter) van een materiaal bevattende basische
vloeistof,
- een hoeveelheid (ongeveer 12 liter) van een materiaal bevattende zure vloeistof,
en/of
- een hoeveelheid (ongeveer 360 gram) van een materiaal bevattende ethylester van
PMK-glycidezuur.