ECLI:NL:RBROT:2025:14934

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
ROT 23/8636
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in persoonsgegevens in de FSV, beroep ongegrond

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam, gedateerd 12 december 2025, wordt het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de systemen van de Belastingdienst behandeld. Eiser is het niet eens met het besluit van de minister van Financiën, die volgens hem ten onrechte geen volledige inzage heeft gegeven in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en andere systemen van de Belastingdienst. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is.

De minister had op 26 september 2023 het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens toegewezen, maar had niet de naam van de overheidsinstantie die de gegevens had opgevraagd verstrekt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, wat leidde tot een bestreden besluit op 16 november 2023, waarin de minister zijn standpunt handhaafde. De rechtbank heeft de zaak op 21 mei 2025 behandeld en na heropening van het onderzoek heeft de minister aanvullende informatie overgelegd.

De rechtbank concludeert dat de minister aan de inzageverplichting heeft voldaan door eiser een overzicht van zijn persoonsgegevens in de FSV te geven. De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht was om de naam van de overheidsorganisatie die de gegevens had opgevraagd te verstrekken, omdat deze informatie niet onder het toepassingsbereik van de AVG valt. De rechtbank wijst erop dat de minister ook een zoekslag heeft verricht in andere systemen van de Belastingdienst en dat hij hiermee aan de inzageverplichting heeft voldaan. De beroepsgronden van eiser worden verworpen, en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/8636

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en

de minister van Financiën,

(gemachtigden: mr. A. van der Linden en mr. E.J.P. Nevens).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de systemen van de Belastingdienst. Eiser is het niet eens met het besluit van de minister. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte geen volledige inzage gegeven in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) en de overige systemen van de Belastingdienst.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 26 september 2023 het verzoek van eiser om inzage in zijn persoonsgegevens in de FSV en de overige meest gangbare systemen van de Belastingdienst toegewezen. De minister heeft in het primaire besluit toegelicht dat de persoonsgegevens van eiser in de FSV stonden vermeld omdat een overheidsorganisatie de belastinggegevens van eiser had opgevraagd. De naam van de overheidsinstantie heeft de minister niet aan eiser verstrekt.
2.2.
.Met het bestreden besluit van 16 november 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.
2.6.
Na de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister opgedragen om een schermprint te overleggen van alle gegevens van eiser in de FSV en ook welke overheidsorganisatie, wanneer en om welke reden om de gegevens van eiser heeft verzocht. De minister heeft op 25 juli 2025 een schermprint van de registratie van eiser in de FSV overgelegd met daarbij een motivering van de registratie en een toelichting waarom eiser deze gegevens niet mag inzien. Daarbij heeft de minister de rechtbank verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat uitsluitend de rechtbank van de inhoud van deze stukken kennisneemt. Bij brief van 31 juli 2025 is aan eiser meegedeeld dat de rechtbank beperking van de kennisneming gerechtvaardigd acht, omdat de overgelegde stukken onderdeel zijn van deze procedure en de stukken daarmee inzet van het geding zijn. Eiser heeft de rechtbank op de zitting van 21 mei 2025 vooraf toestemming verleend om mede op de grondslag van deze stukken uitspraak te doen. [1] De rechtbank zal de stukken daarom betrekken bij de beoordeling van het beroep.
2.7.
Partijen hebben vervolgens desgevraagd aangegeven dat de rechtbank zonder nadere zitting uitspraak kan doen. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Bij brief van 4 juli 2022 (door de minister ontvangen op 9 augustus 2022) heeft eiser op grond van artikel 12 en 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die in de FSV en daarmee vergelijkbare systemen van de Belastingdienst staan. Eiser wil weten welke risico’s of risicoprofielen en/of kwalificaties aan zijn persoon zijn gekoppeld en waar deze informatie bij de Belastingdienst is opgeslagen.
3.2.
De minister heeft het inzageverzoek van eiser aangemerkt als een verzoek in de zin van de AVG.
3.3.
Met het primaire besluit van 26 september 2023 heeft de minister het inzageverzoek van eiser toegewezen. Gebleken is dat er persoonsgegevens van eiser zijn verwerkt in de FSV. De minister heeft een overzicht van de persoonsgegevens van eiser in de FSV met eiser gedeeld (BSN, voorletters en achternaam). De overheidsinstantie die verzocht heeft om de gegevens van eiser, heeft de minister niet met eiser gedeeld. De minister heeft toegelicht dat dit om twee redenen kan zijn: of de naam van die organisatie stond niet bij de registratie in de FSV, of de minister mag de naam van die overheidsorganisatie niet geven, in verband met de toezicht- of opsporingstaak van die organisatie. Verder heeft de minister een zoekslag verricht in een deel van de algemene systemen en applicaties die gebruikt worden voor de algemene registratie van eiser bij de Belastingdienst, voor de invordering en voor de belastingmiddelen. De hierin aangetroffen persoonsgegevens van eiser heeft de minister met hem gedeeld. De minister stelt zich op het standpunt dat hij met de overgelegde informatie een overzicht heeft gegeven van de persoonsgegevens van eiser die door de Belastingdienst in de gangbare systemen zijn verwerkt en dat hij met deze nadere zoekslag heeft voldaan aan het algemene inzagerecht. De minister heeft verder niet kunnen vaststellen dat er met de FSV vergelijkbare systemen of applicaties zijn waarin persoonsgegevens van eiser zijn opgenomen, zodat hierin geen inzage kan worden gegeven.
3.4.
Met het bestreden besluit van 16 november 2023 heeft de minister het bezwaar van eiser afgewezen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen volledige inzage heeft gegeven in zijn persoonsgegevens in de FSV en met wie die gegevens zijn gedeeld. Op grond van artikel 15 van de AVG heeft eiser recht om inzage te krijgen. De uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 41 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG) en artikel 23 van de AVG kunnen volgens eiser alleen worden gebruikt op het moment dat dit strikt noodzakelijk is en op proportionele wijze gebeurt. [2] Het bestreden besluit geeft geen blijk van een belangenafweging, laat staan de vereiste toetsing aan het strikte noodzakelijkheidscriterium van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Dit betekent dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. De minister heeft verder niet onderbouwd waarom het een onevenredige inspanning vraagt om een overzicht van de verwerking van eisers persoonsgegevens in de diverse belastingsystemen te geven. Dat de Belastingdienst in een groot aantal applicaties en systemen gegevens verwerkt, betekent niet dat van de minister niet mag worden verwacht dat hij in ieder geval probeert te achterhalen in welke applicaties en systemen gegevens van eiser zijn verwerkt. Eiser verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2022 [3] . Volgens eiser beperkt de minister zijn recht op inzage zonder enige onderbouwing.
5. Op grond van artikel 15 van de AVG heeft een betrokkene het recht op het verkrijgen van uitsluitsel over het al dan niet verwerken van hem of haar betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de informatie opgenomen onder artikel 15, eerste lid onder a tot en met h, van de AVG. Het inzagerecht beoogt de betrokkene in staat te stellen om de juistheid van de ten aanzien van hem of haar verwerkte persoonsgegevens alsmede de rechtmatigheid van de verwerkingen te controleren.
6. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c van de AVG omvat het inzagerecht ook informatie met betrekking tot de ontvanger aan wie persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Uit artikel 4, negende lid, van de AVG volgt echter dat niet als ontvangers mogen worden beschouwd overheidsinstanties die mogelijk persoonsgegevens ontvangen in het kader van een bijzonder onderzoek overeenkomstig het Unierecht of het lidstatelijke recht; de verwerking van die gegevens door die overheidsinstanties strookt met de gegevensbeschermingsregels die op het betreffende verwerkingsdoel van toepassing zijn.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldaan aan het inzageverzoek van eiser door hem een overzicht te verschaffen van zijn gegevens die zijn verwerkt in de FSV. Uit het overzicht volgt dat de voor- en achternaam en het BSN-nummer van eiser in de FSV geregistreerd stonden. Deze persoonsgegevens stonden geregistreerd in de FSV, omdat een overheidsorganisatie de belastinggegevens van eiser heeft opgevraagd. De minister heeft toegelicht dat hij niet aan eiser kan vertellen welke overheidsorganisatie de gegevens heeft opgevraagd. Dit kan om twee redenen zijn: of de naam van die organisatie stond niet bij de registratie in de FSV of de minister mag de naam van die overheidsorganisatie niet geven, in verband met de toezicht- of opsporingstaak van die organisatie. In het bestreden besluit heeft de minister toegelicht dat zo'n organisatie volgens de wet- en regelgeving gegevens mag opvragen met een informatieverzoek. De minister is dan wettelijk verplicht de opgevraagde gegevens aan deze organisatie te verstrekken. Voor de eigen administratie werd in de FSV geregistreerd dat zo'n verzoek was ontvangen.
9. Uit de door de minister overgelegde schermprint van de registratie van eiser in de FSV en de toelichting van de minister daarop, volgt dat een overheidsinstantie op grond van haar taken heeft verzocht om de gegevens van eiser. Nu de overheidsorganisatie geen ontvanger is zoals bedoeld in artikel 4, negende lid, van de AVG, valt deze informatie niet onder het toepassingsbereik van artikel 15, eerste lid, van de AVG en heeft de minister deze informatie niet aan eiser hoeven te verstrekken. Op de schermprint staat ook een naam van een medewerker van de Belastingdienst. Op grond van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder i, van de AVG en artikel 41, eerste lid, aanhef en onder i, van de UAVG heeft de minister het belang van privacy van deze medewerker zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het uitoefenen van zijn inzagerecht. Eiser heeft op de zitting ook laten weten dat het hem niet om de naam van de medewerker gaat. Op de schermprint staan verder geen andere gegevens betreffende de persoon van eiser vermeld. De minister heeft eiser hierin dan ook geen inzage kunnen en hoeven geven.
10. Ten aanzien van het verzoek van eiser om inzage in de persoonsgegevens die de Belastingdienst in alle (overige) systemen heeft verwerkt, heeft de minister toegelicht dat de Belastingdienst voor de uitvoering van haar taken ongeveer 970 systemen en applicaties gebruikt. Volgens de minister is het momenteel niet mogelijk om een geautomatiseerde zoekslag naar persoonsgegevens te maken binnen alle systemen en applicaties, of binnen een domein. Een AVG-behandelaar dient handmatig in systemen en applicaties te kijken of daarin persoonsgegevens van een betrokkene worden verwerkt. Een handmatige zoekslag in al deze 970 gekoppelde systemen en applicaties zou volgens de minister een onevenredige (en onnodige) inspanning betekenen en levert tevens vele malen dezelfde persoonsgegevens (zoals BSN, naam en adres) op.
11. De minister heeft echter alsnog een zoekslag verricht naar de aanwezigheid van eisers persoonsgegevens. Conform de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 18 juni 2021 [4] is een zoekslag gemaakt in (volgens de minister) de meest gangbare systemen en applicaties van de Belastingdienst naar de persoonsgegevens die de Belastingdienst van eiser verwerkt. Er is gezocht in de systemen en applicaties waarin gegevens van eiser redelijkerwijs zijn opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met eisers belastingplicht. Er is gezocht in de algemene systemen en applicaties die gebruikt worden voor de algemene registratie van eiser bij de Belastingdienst, voor de invordering en voor de belastingmiddelen. De minister heeft de volgende persoonsgegevens van eiser gevonden: zijn naam, BSN-nummer, meerdere adressen waar hij in het verleden heeft gewoond, geslacht, burgerlijke staat, geboortedatum, aantal kinderen en bankrekening.
Volgens de minister is hiermee een overzicht gegeven van de persoonsgegevens van eiser die door de Belastingdienst in de gangbare systemen zijn verwerkt en is volgens de minister met deze nadere zoekslag voldaan aan het algemene inzagerecht. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser zijn verzoek niet nader heeft gepreciseerd.
12. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
2.Eiser verwijst in dit kader naar de memorie van toelichting van de Uitvoeringswet AVG, Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34 851, nr. 3, blz. 48.