ECLI:NL:RBROT:2025:14947

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/10/699802 / HA ZA 25-408
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. Baetsen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietige overeenkomst van geldlening in verband met drugshandel

In deze zaak vordert eiseres, wonende te Krimpen aan den IJssel, terugbetaling van € 15.000,00 van gedaagde, wonende te Hoogvliet, die zij in augustus 2024 zou hebben geleend. Gedaagde betwist de lening en stelt dat hij het geld niet heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst mogelijk nietig is omdat eiseres zich ervan bewust was dat gedaagde het geld zou kunnen gebruiken voor drugshandel, wat in strijd is met de openbare orde. De rechtbank draagt partijen op om bewijs te leveren over de gestelde feiten en de mogelijke nietigheid van de overeenkomst. Eiseres heeft contant geld aan gedaagde overhandigd, maar gedaagde ontkent dit. De rechtbank zal getuigen horen om de feiten vast te stellen en de partijen in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de nietigheid en onverschuldigde betaling. De zaak wordt aangehouden voor verdere bewijslevering en uitlatingen van partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/699802 / HA ZA 25-408
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonende te Krimpen aan den IJssel,
eisende partij,
advocaat: mr. D.P. Kant,
tegen
[gedaagde],
wonende te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. W. Suttorp.
Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseres] vordert in deze procedure terugbetaling door [gedaagde] van het bedrag van € 15.000,00 dat zij hem in augustus 2024 zou hebben geleend, vermeerderd met de volgens haar overeengekomen rente van € 15.000,00. [gedaagde] betwist dat hij € 15.000,00 van [eiseres] leende en dat hij een dergelijk bedrag van haar heeft ontvangen. De rechtbank oordeelt dat als partijen de afspraak maakten waarop [eiseres] zich beroept, mogelijk sprake is van een nietige overeenkomst omdat [eiseres] zich ervan bewust was dat [gedaagde] het geld zou kunnen gebruiken voor drugshandel. Als sprake is van een nietige overeenkomst, maar [eiseres] in het kader van de afspraken waarop zij zich beroept wel € 15.000,00 aan [gedaagde] overhandigde, kan zij dit bedrag mogelijk terug vorderen als onverschuldigd betaald. De rechtbank draagt bewijs op over de over en weer gestelde en betwiste feiten en stelt partijen in de gelegenheid om zich nader uit te laten over eventuele nietigheid van de gestelde overeenkomst en over de rechtsgrond van onverschuldigde betaling ter zake van het door [eiseres] van [gedaagde] gevorderde bedrag van € 15.000,00.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 mei 2025, met producties 1-4;
- de conclusie van antwoord met productie 1;
- de brief van 28 juli 2025 van de rechtbank waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van 6 oktober 2025 van de rechtbank met daarin opgenomen de zittingsagenda;
- het bericht van 1 november 2025 met producties 5-10 van [eiseres] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 november 2025;
- de spreekaantekeningen van mr. Kant.
2.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- primair [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.000,00 vermeerderd met de overeengekomen rente van € 15.000,00 alsmede tot vergoeding van de wettelijke rente over € 30.000,00 vanaf 2 december 2024, althans vanaf 23 april 2025, althans vanaf de dag van dagvaarding;
- subsidiair: [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 15.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente ex art 6:119 BW vanaf 15 augustus 2024, althans vanaf 2 december 2024, althans vanaf 23 april 2025, althans vanaf de dag der dagvaarding;
- veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente als de proceskosten niet binnen veertien dagen na het vonnis zijn voldaan.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in augustus 2024 een overeenkomst sloot met [gedaagde] , welke overeenkomst inhield dat [eiseres] een bedrag van € 15.000,00 aan [gedaagde] zou lenen, welk bedrag hij 1 december 2024 terug zou betalen vermeerderd met € 15.000,00 rente. [eiseres] heeft op 13 augustus 2024 € 6.000,00 in contanten aan [gedaagde] overhandigd en op 14 augustus 2024 nog eens € 9.000,00. [gedaagde] heeft [eiseres] tot op heden niet terugbetaald.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Van Lochem voert het volgende aan. Hij en [eiseres] hadden een affectieve relatie en gebruikten hard drugs. Mogelijk heeft [eiseres] daar meer aan betaald dan [gedaagde] , maar ook [gedaagde] heeft betalingen gedaan. [gedaagde] heeft geen overeenkomst van geldlening gesloten met [eiseres] en in heeft augustus 2024 geen € 15.000,00 van haar ontvangen. Wel heeft hij na beëindiging van de affectieve relatie € 1.500,00 aan [eiseres] betaald om, in zijn beleving, haar tegemoet te komen in haar idee dat zij in de relatie meer had betaald dan hij.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Nietige overeenkomst
4.1.
De vordering is gebaseerd op volgens [eiseres] gemaakte afspraken die inhielden dat zij in augustus 2024 een bedrag van € 15.000,00 aan [gedaagde] zou lenen en dat [gedaagde] dat bedrag op 1 december 2024 vermeerderd met € 15.000,00 terug zou betalen. [eiseres] beroept zich dus op een overeenkomst, een meerzijdige rechtshandeling waarbij partijen tegenover elkaar verplichtingen aangaan.
4.2.
Niet alle rechtshandelingen zijn geldig. Partijen kunnen geen afspraken maken die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van de rechtsorde. Anders gezegd: afspraken die absoluut onwenselijk zijn, kunnen partijen niet maken. Artikel 3:40 lid 1 BW bepaalt dat dergelijke afspraken nietig zijn omdat zij in strijd zijn met de openbare orde. Als een rechtshandeling op grond van strijd met de openbare orde nietig is, moet de rechter op grond van artikel 25 Rv. deze nietigheid tot uitgangspunt nemen, ook als partijen hier geen beroep op doen. [1]
4.3.
De afspraak tussen twee partijen waarbij de ene partij een geldbedrag leent aan de andere partij is op zichtzelf een geldige rechtshandeling. Maar dat is anders als de strekking van de overeenkomst in strijd is met de openbare orde. De strekking van een overeenkomst ziet op de vraag waarom partijen de afspraken maakten of wat zij met het resultaat ervan wilden bereiken. Dit hoeft niet in de overeenkomst te zijn opgenomen. Wel moet voor beide partijen op het moment dat zij de afspraken maakten, kenbaar of voorzienbaar zijn wat één of beide partijen met het resultaat van de overeenkomst wilde(n) bereiken. [2] Een voorbeeld van een overeenkomst van geldlening die door de strekking in strijd is met de openbare orde - en daarmee nietig - is een overeenkomst waarbij het geleende geld door de lener wordt gebruikt ten behoeve van een piramidespel, waarbij beide partijen zich bewust zijn van het ongeoorloofde doel waarvoor de lener het geld wil gebruiken. [3]
4.4.
De hiervoor in r.o. 4.1 weergegeven afspraken waarop [eiseres] zich beroept, betekenen een verdubbeling van [eiseres] ’ inleg in een periode van 3,5 maand. Dit roept vragen op naar de beoogde besteding van het geld door [gedaagde] . [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij goed mogelijk achtte dat [gedaagde] het geld zou gebruiken voor de handel in cocaïne. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verder verklaard dat beoogd gebruik van het geld voor de handel in cocaïne de reden was waarom zij het geld contant aan [gedaagde] overhandigde en waarom in de whatsappgesprekken tussen partijen niet met zoveel woorden over de lening wordt gesproken. Het gebruik van het geld voor drugshandel strookt met de verklaring die van [gedaagde] bij de mondelinge behandeling heeft gegeven van de Whatsappconversatie tussen partijen van begin september 2024. In deze Whatsappconversatie (opgenomen in de spreekaantekeningen van mr. Kant) schrijft [eiseres] aan [gedaagde] :
“Dit kan je random doen als er niks op tafel is gelegd, voor die dag. (…) Maar vanaf dat moment dat ik wat heb gelegd moet je wel ff zetten van yo er komt ff stilte laat me met rust ik zie je 1 december en klaar.”
[gedaagde] heeft verklaard dat dit gaat over door [eiseres] betaalde drugs en dat [eiseres] het geld dat zij voor die drugs betaalde terug wilde hebben.
4.5.
Cocaïnehandel is wereldwijd strafbaar en heeft vergaande negatieve impact op de samenleving. Onder meer staat de veiligheid van woonwijken onder druk door geweld gerelateerd aan drugscriminaliteit en wordt de leefomgeving vervuild door het dumpen van drugsafval. Ook is de schade voor de gebruikers groot. Rechtshandelingen die tot doel hebben de handel in of het gebruik van cocaïne te bevorderen, zijn dan ook onwenselijk en moeten worden tegengegaan. Dergelijke rechtshandelingen zijn in strijd met de openbare orde en daarmee nietig op grond van art. 3:40 lid 1 BW.
4.6.
Dit betekent dat de afspraak waarop [eiseres] zich beroept mogelijk nietig is. Als dat zo is, kan de vordering van [eiseres] niet worden toegewezen op grond van de door haar gestelde overeenkomst, ook niet als zij bewijs van het bestaan van de overeenkomst zou kunnen leveren. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich hierover nader uit te laten. De rechtbank komt daar hierna onder 4.13 op terug.
Onverschuldigde betaling
4.7.
Als sprake is van nietigheid van de door [eiseres] gestelde overeenkomst betekent dat niet dat de vordering van [eiseres] moet worden afgewezen. Als de overeenkomst waarop [eiseres] zich beroept nietig is en [eiseres] overhandigde aan [gedaagde] wel € 15.000,00, dan betaalde [eiseres] het geld zonder rechtsgrond aan [gedaagde] . Uit haar stellingen vloeit voort dat zij het aan [gedaagde] gegeven bedrag dan als onverschuldigd betaald kan terugvorderen. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich ook hierover nog uit te laten. De rechtbank komt daar hierna onder 4.13 op terug.
Bewijsopdracht
4.8.
Wil de vordering van [eiseres] op welke rechtsgrond dan ook voor toewijzing in aanmerking kunnen komen, dan moet (in ieder geval) (ook) komen vast te staan dat [eiseres] € 15.000,00 aan [gedaagde] heeft overhandigd. [gedaagde] betwist immers dat [eiseres] hem € 15.000,00 heeft overhandigd. Dat is de kern van het geschil.
4.9.
[eiseres] draagt op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht de bewijslast van de door haar aan haar vorderingen ten grondslag gelegde, door [gedaagde] betwiste, stelling dat zij € 15.000,00 aan [gedaagde] heeft overhandigd. [eiseres] heeft gesteld dat zij op 13 augustus 2024 in de nabijheid van Brasserie Lookies te Rotterdam € 6.000,00 contant aan [gedaagde] heeft overhandigd en op 14 augustus 2024 in de woning van [gedaagde] in aanwezigheid van derden € 9.000,00. Ter onderbouwing heeft [eiseres] stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij op 13 en 14 augustus 2024 de hiervoor genoemde bedragen contant heeft opgenomen. Zij heeft ter mondelinge behandeling ook een logische verklaring gegeven voor het feit dat zij het geld in twee delen aan [gedaagde] overhandigd heeft, te weten dat de pinautomaat waar zij op 13 augustus 2024 geld opnam leeg was nadat zij € 6.000,00 had opgenomen. Ook heeft [eiseres] uitgelegd waarom zij een bedrag van € 9.000,00 eerst van een andere rekening heeft overgeboekt naar de rekening die zij voor de pintransacties gebruikte, namelijk omdat zij van de rekening waarop het geld stond geen contant geld kon opnemen. Verder heeft [eiseres] toegelicht hoe zij aan het geld kwam. Zij heeft als slachtoffer van de toeslagenaffaire een bedrag van € 30.000,00 ontvangen. [gedaagde] heeft erkend dat hij op 13 augustus 2024 bij Brasserie Lookies een ontmoeting met [eiseres] heeft gehad en dat zij elkaar ook daarna nog hebben gezien.
4.10.
[eiseres] heeft hiermee voldoende gesteld om toegelaten te worden tot bewijslevering van haar door [gedaagde] betwiste stelling dat zij op 13 en 14 augustus 2024 een bedrag van € 15.000,00 in contanten aan [gedaagde] heeft overhandigd. Het komt de rechtbank praktisch voor om dat bewijs al bij dit tussenvonnis op te dragen, voorafgaande aan de nadere schriftelijke uitlatingen die partijen zullen mogen doen bij conclusie en antwoordconclusie na getuigenverhoor.
Terugbetaling
4.11.
[gedaagde] heeft gesteld dat hij op enig moment na augustus 2024 een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] heeft gegeven. Dit bedrag zou door [naam 1] aan [eiseres] zijn betaald. [naam 1] heeft dit bevestigd in een schriftelijke verklaring die door [gedaagde] in het geding is gebracht. De reden voor de betaling was volgens [gedaagde] dat hij hoopte daarmee een einde te maken aan de discussie met [eiseres] over de vraag of zij na beëindiging van hun relatie een vordering op hem had. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] zo dat hij stelt dat als de rechtbank bewezen zou achten dat [gedaagde] in augustus 2024 een bedrag van [eiseres] ontving dat hij terug moet betalen, hij daarvan al € 1.500,00 terug betaalde. [eiseres] heeft betwist na augustus 2024 € 1.500,00 van [gedaagde] te hebben ontvangen. Ook heeft zij betwist ooit een affectieve relatie met [gedaagde] te hebben gehad en tevens dat zij samen met hem drugs zou hebben gebruikt. [eiseres] heeft over de verhouding tussen partijen verklaard dat zij [gedaagde] , totdat hij ging ontkennen dat hij de op zijn verzoek van haar geleende € 15.000,00 van haar had ontvangen, altijd heeft beschouwd als een hele goede vriend die zij kon vertrouwen. Dat was voor haar ook de reden om het bedrag van € 15.000,00 op basis van vertrouwen aan hem uit te lenen en dat zij werkelijk verwachtte dat hij dat bedrag met de door hem genoemde rente uiterlijk op de overeengekomen datum zou terugbetalen.
4.12.
De bewijslast van de door [eiseres] betwiste stelling van [gedaagde] dat hij een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] heeft terugbetaald, rust op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht op [gedaagde] . [gedaagde] heeft voldoende gesteld om tot dit bewijs te worden toegelaten. Uit praktische overwegingen zal de rechtbank, voor het geval [eiseres] slaagt in het haar opgedragen bewijs dat zij in augustus 2024 € 15.000,00 aan [gedaagde] heeft overhandigd, [gedaagde] gelijktijdig toelaten tot bewijslevering van zijn stelling dat hij na augustus 2024 een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] betaalde. In praktische zin betekent dit dat eventuele getuigen die over beide bewijsonderwerpen kunnen verklaren tijdens hetzelfde getuigenverhoor over beide onderwerpen kunnen worden gehoord.
Nadere schriftelijke ronde
4.13.
Zoals hiervoor onder 4.6 en 4.7 vermeld wil de rechtbank partijen nog in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de door de rechtbank genoemde mogelijke nietigheid van de overeenkomst waarop [eiseres] zich beroept en over onverschuldigde betaling als rechtsgrond voor haar vordering. Gelet op wat partijen feitelijk verdeeld houdt en de bewijsaanbiedingen in dat verband is echter al duidelijk dat over de aan de vordering en het bevrijdend verweer ten grondslag gelegde feiten waarschijnlijk bewijsvoering door getuigen zal moeten plaatsvinden. Om onwenselijke vertraging van de procedure en van het kunnen horen van de getuigen te voorkomen, zal de rechtbank de op die feiten betrekking hebbende bewijsopdrachten al in dit tussenvonnis geven. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om na eventuele bewijsvoering door getuigen zich bij conclusie na enquête ( [eiseres] ) en antwoordconclusie na enquête ( [gedaagde] ) ook over eventuele nietigheid en onverschuldigde betaling uit te laten.
4.14.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
De rechtbank
4.15.
draagt [eiseres] op te bewijzen dat zij op 13 en 14 augustus 2024 een bedrag van € 15.000,00 in contanten aan [gedaagde] heeft overhandigd,
4.16.
draagt [gedaagde] op te bewijzen dat hij na augustus 2024 door [naam 1] een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] heeft laten overhandigen,
4.17.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 14 januari 2026voor uitlating door [eiseres] en [gedaagde] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
4.18.
bepaalt dat, als partijen geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,
4.19.
bepaalt dat, als partijen
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
februaritot en met
junidan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
4.20.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. K. Baetsen, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125,
4.21.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle nog niet overgelegde beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
4.22.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Baetsen. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
[1729;3979]

Voetnoten

1.GS Vermogensrecht, titel 3:2 BW, aant. 19.1.1 en aant. 19.3.
2.Conclusie [naam 2] voor HR 13 mei 2022, ECLI:NL:PHR:2022:456, par. 4.35 e.v. en de aldaar aangehaalde parlementaire geschiedenis, literatuur en jurisprudentie.
3.Zie HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:2011:BQ5986.