ECLI:NL:RBROT:2025:14975

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11863035 VV EXPL 25-519
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurzaak tussen horecagelegenheid en verhuurder over herstelwerkzaamheden en privacykwesties

In deze zaak, die op 26 november 2025 door de Rechtbank Rotterdam is behandeld, gaat het om een kort geding tussen een horecagelegenheid en haar verhuurders, [persoon A] en [persoon B]. De horecagelegenheid, die sinds 1 juli 2010 een horecabedrijfsruimte huurt in Capelle aan den IJssel, heeft vorderingen ingesteld tegen de verhuurders om hen te verplichten herstelwerkzaamheden aan de elektrische installatie en de afzuiginstallatie te dulden. De verhuurders hebben op hun beurt vorderingen ingesteld in reconventie, waaronder een eis tot medewerking aan een onafhankelijke inspectie en de verwijdering van video deurbellen en bloembakken.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van de horecagelegenheid toewijsbaar zijn, omdat de verhuurders moeten dulden dat de noodzakelijke herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd. De rechter heeft vastgesteld dat de elektrische installatie en de afzuiginstallatie niet tot het gehuurde behoren, maar dat de horecagelegenheid verantwoordelijk is voor het onderhoud en de keuringen. De vorderingen van de verhuurders zijn afgewezen, omdat deze geen spoedeisend belang hebben en de rechter heeft geoordeeld dat de video deurbellen in strijd zijn met de privacywetgeving. De rechter heeft dwangsommen opgelegd voor het niet naleven van de veroordelingen en de proceskosten zijn voor rekening van de verhuurders.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de horecagelegenheid de werkzaamheden kan laten uitvoeren, ook als de verhuurders in hoger beroep gaan.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11863035 VV EXPL 25-519
datum uitspraak: 26 november 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[naam horecagelegenheid],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. R.D. van der Woude,
tegen

1..[persoon A] ,

2. [persoon B],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde van [persoon C] : mr. C.J.H. Anker.
De partijen worden afzonderlijk ‘ [naam horecagelegenheid] ’, ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
[persoon A] en [persoon B] worden gezamenlijk ‘ [persoon A] c.s.’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 24 september 2025, met bijlagen 1 tot en met 24;
  • het antwoord in conventie met eis in reconventie (tegeneis) van [persoon A] c.s. zelf, met bijlagen 1 tot en met 44;
  • de e-mail van 3 november 2025 van [naam horecagelegenheid] , met bijlagen 26 en 27;
  • de e-mail van 4 november 2025 van de gemachtigde van [persoon A] , met een wijziging van eis in reconventie;
  • de spreekaantekeningen van [naam horecagelegenheid] .
1.2.
Op 5 november 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. Namens [naam horecagelegenheid] waren daarbij aanwezig de heer [persoon D] en mevrouw [persoon E] , bijgestaan door de gemachtigde en mr. F.C. Cieraad. [persoon A] , bijgestaan door zijn gemachtigde, is ook verschenen mede namens [persoon B] .

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[naam horecagelegenheid] huurt sinds 1 juli 2010 de horecabedrijfsruimte aan de [adres] in Capelle aan den IJssel. Het gaat om een deel van de benedenverdieping van het pand, dat een rijksmonument is. Sinds 26 juni 2016 zijn [persoon A] c.s. eigenaar van het pand en daarmee verhuurder van [naam horecagelegenheid] , die een restaurant in het gehuurde exploiteren. [persoon A] c.s. hebben het pand overigens in gebruik als woonruimte.
2.2.
[naam horecagelegenheid] heeft op 23 juni 2025 door Safe Inspex B.V. een SCIOS Scope 10 keuring laten uitvoeren aan de elektrische installatie die zich bevindt in de meterkast in de centrale hal van het pand. Hieruit zijn enkele herstelpunten naar voren gekomen. Deze herstel-werkzaamheden moeten nog uitgevoerd worden. Vervolgens dient een na-inspectie plaats te vinden, zodat de elektrische installatie over de benodigde certificering beschikt. Zolang dat niet het geval is, is de dekking van de brandverzekering opgeschort.
2.3.
De afzuiginstallatie van het restaurant, waarvan de motorunit zich op het dak van het pand bevindt, moet gereinigd en gekeurd worden. Zolang dat niet het geval is, is de dekking van de brandverzekering opgeschort.
2.4.
[naam horecagelegenheid] eist in deze procedure [persoon A] c.s. te gebieden om de herstel-werkzaamheden aan de elektrische installatie van het restaurant, de na-inspectie van deze installatie en de plaatsing van een hoogwerker op het pad van het pand ten behoeve van de reiniging en keuring van de afzuiginstallatie te dulden. Daarnaast eist [naam horecagelegenheid] dat [persoon A] c.s. de video deurbellen in de hal en de meterkast verwijderen.
[persoon A] c.s. zijn het hier niet mee eens. Op hun beurt eisen [persoon A] c.s. (na wijziging van eis) te bevelen dat [naam horecagelegenheid] haar medewerking verleent aan een door [persoon A] c.s. in te schakelen onafhankelijke SCIOS Scope 10 inspectie (inclusief forensisch onderzoek), dat [naam horecagelegenheid] de afzuiginstallatie verplaatst, de camera’s verwijdert en de bloembakken bij de voordeur verwijdert.
2.5.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [naam horecagelegenheid] toe en de vorderingen van [persoon A] c.s. af. Hierna wordt uitgelegd waarom. De kantonrechter zal de diverse geschilpunten hierna per onderwerp behandelen.
In conventie en reconventie
Toetsingskader
2.6.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de gedaagde partij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Elektrische installatie
2.7.
Partijen zijn het erover eens dat de elektrische installatie in de centrale hal van het pand niet tot het gehuurde behoort. Dit volgt ook uit artikel 1.2 van de huurovereenkomst juncto artikel 1 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen en het tussen de vorige eigenaar/verhuurder van het pand en [naam horecagelegenheid] gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 februari 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3997, r.o. 46). Verder zijn partijen het er over eens dat zowel het onderhoud, herstel en de vernieuwing als de inspecties en keuringen van de elektrische installatie voor rekening van [naam horecagelegenheid] zijn. Dit volgt ook uit de artikelen 13.1 en 13.4 van de algemene bepalingen. Uit artikel 13.2 van de algemene bepalingen blijkt bovendien dat deze werkzaamheden worden verricht door of in opdracht van de partij voor wiens rekening de werkzaamheden zijn. Dit is dus [naam horecagelegenheid] . Omdat [naam horecagelegenheid] verantwoordelijk is voor de technische installatie, moeten [persoon A] c.s. aan [naam horecagelegenheid] naar voorlopig oordeel van de kantonrechter ongehinderd de gelegenheid bieden om aan haar verplichtingen te voldoen. De op [naam horecagelegenheid] rustende onderhoudsverplichting aan de elektrische installatie verhoudt zich niet met de door [persoon A] c.s. geëiste toestemming om de uit de SCIOS Scope 10 keuring naar voren gekomen noodzakelijke (herstel)werkzaamheden inclusief de na-inspectie uit te laten voeren door [naam horecagelegenheid] . Beide partijen hebben er groot belang bij dat dit op zeer korte termijn wordt uitgevoerd, zodat de elektrische installatie aan de certificeringseisen voldoet en het pand weer tegen brandschade is verzekerd.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat [persoon A] c.s. moeten dulden dat in opdracht en voor rekening van [naam horecagelegenheid] herstelwerkzaamheden aan en de na-inspectie van de elektrische installatie van het restaurant worden uitgevoerd. Deze vordering van [naam horecagelegenheid] wordt daarom toegewezen.
2.8.
De vordering van [persoon A] c.s. dat [naam horecagelegenheid] haar medewerking moet verlenen aan een door [persoon A] c.s. in te schakelen (nieuwe) onafhankelijke SCIOS Scope 10 inspectie (inclusief forensisch onderzoek) heeft een financiële achtergrond. Volgens [persoon A] c.s. wordt een deel van het stroomverbruik van [naam horecagelegenheid] niet geregistreerd op de tussenmeter van [naam horecagelegenheid] en komt dit verbruik voor rekening van [persoon A] c.s. Afgezien van het feit dat [naam horecagelegenheid] dit heeft betwist, wordt voorshands geoordeeld de brandveiligheid van het pand nu prioriteit heeft. Buiten kijf staat dat dit een spoedeisende kwestie is. De elektrische installatie moet zo snel mogelijk over de benodigde certificering beschikken, zodat het pand weer tegen brandschade is verzekerd. De tegenvordering van [persoon A] c.s. op dit punt heeft een louter financieel oogmerk zodat die naar voorlopig oordeel van de kantonrechter geen spoedeisend belang heeft. Dit leidt ertoe dat [persoon A] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.
Afzuiginstallatie
2.9.
Partijen zijn het erover eens dat de afzuiginstallatie niet tot het gehuurde behoort. Dit volgt ook uit artikel 1.2 van de huurovereenkomst juncto artikel 1 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene bepalingen. Verder zijn partijen het er over eens dat zowel het onderhoud, waaronder de reiniging, als de inspecties en keuringen van de afzuiginstallatie voor rekening van [naam horecagelegenheid] zijn. Dit volgt ook uit de artikelen 13.1 en 13.4 van de algemene bepalingen. Uit artikel 13.2 van de algemene bepalingen blijkt bovendien dat deze werkzaamheden worden verricht door of in opdracht van de partij voor wiens rekening de werkzaamheden zijn. Dit is dus [naam horecagelegenheid] . Omdat [naam horecagelegenheid] verantwoordelijk is voor de afzuiginstallatie, moeten [persoon A] c.s. [naam horecagelegenheid] naar voorlopig oordeel ongehinderd de gelegenheid bieden om aan haar verplichtingen te voldoen. Beide partijen hebben er groot belang bij dat de afzuiginstallatie op zeer korte termijn wordt gereinigd, zodat deze aan de keuringseisen voldoet en het pand weer tegen brandschade is verzekerd.
Uit het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 11 juli 2025 tussen [naam horecagelegenheid] en [persoon A] c.s. blijkt dat [persoon A] c.s. in die procedure niet hebben weersproken dat zij zelf, zonder overleg met [naam horecagelegenheid] , de motor van de afzuiginstallatie naar het dak van het pand hebben verplaatst (r.o. 4.58). [persoon A] c.s. hebben in de onderhavige procedure niet gemotiveerd betwist dat de Arbeidsinspectie niet toestaat dat de reinigingswerkzaamheden op deze hoogte door middel van een steiger met loopplank worden uitgevoerd.
De kantonrechter is op basis van het voorgaande voorshands van oordeel dat [persoon A] c.s. moeten dulden dat in opdracht en voor rekening van [naam horecagelegenheid] een hoogwerker wordt geplaatst op het pad van het pand ten behoeve van het reinigen en keuren van de afzuiginstallatie. Van [naam horecagelegenheid] kan naar voorlopig oordeel in redelijkheid niet worden verlangd dat zij een lichte hoogwerker (van maximaal 1.500 kilogram) gebruikt, zoals [persoon A] c.s. eisen. In dat geval moet een lier vanaf de dijk worden geplaatst. [naam horecagelegenheid] heeft onweersproken gesteld dat de kosten van de reiniging dan nog veel hoger zullen uitvallen. De kantonrechter zal wel bepalen dat de hoogwerker op rijplaten moet worden geplaatst ter voorkoming van eventuele schade aan het pad. [naam horecagelegenheid] heeft dit ook voorgesteld. Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het raadzaam is om zowel voor als na de reinigingswerkzaamheden de staat van het pad op te nemen, ter voorkoming van discussie over de vraag of de hoogwerker schade heeft veroorzaakt aan het pad. [naam horecagelegenheid] heeft toegezegd dat [persoon A] c.s. schadeloos worden gesteld in geval van schade aan het pad als gevolg van de hoogwerker. De kantonrechter gaat ervan uit dat [naam horecagelegenheid] zich aan deze toezegging houdt.
2.10.
[persoon A] c.s. willen dat de afzuiginstallatie wordt verplaatst. De kantonrechter stelt voorop dat een restaurant nu eenmaal een afzuiginstallatie moet hebben en dat [persoon A] c.s. er zelf voor hebben gekozen om een pand te kopen waarin een restaurant is gevestigd.
[persoon A] c.s. hebben gesteld dat zij geluidsoverlast ervaren van de motor van de installatie.
Hiervoor (r.o. 2.9) is al overwogen dat uit het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 11 juli 2025 blijkt dat [persoon A] c.s. de motor van de afzuiginstallatie zelf
naar het dak van het pand hebben verplaatst. [naam horecagelegenheid] heeft gemotiveerd weersproken dat de motor geluidsoverlast veroorzaakt. Uit de door [naam horecagelegenheid] overgelegde e-mail van DCMR Milieudienst Rijnmond van 3 november 2025 blijkt dat toezichthouders van DCMR op
5 september 2025 verschillende geluidsmetingen hebben uitgevoerd bij de afzuiginstallatie. Daaruit is gebleken dat het geluidsniveau de grenswaarde die is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Capelle aan den IJssel niet overschrijdt. Naar voorlopig oordeel kan er gelet op al het voorgaande niet vanuit worden gegaan dat de motor van de afzuiginstallatie onrechtmatige hinder veroorzaakt. In het licht hiervan hebben [persoon A] c.s. onvoldoende gesteld dat zij, vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure, thans een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde verplaatsing van de afzuiginstallatie. Dit leidt ertoe dat [persoon A] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.
Video deurbellen en camera’s
2.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door [persoon A] c.s. gemonteerde video deurbellen in de door partijen gedeelde centrale hal in het pand en in de meterkast niet alleen beeld, maar ook geluid kunnen opnemen. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit in strijd is met artikel 6 lid 1 AVG en daarmee een onrechtmatige schending vormt van de privacy van (de gasten van) [naam horecagelegenheid] . [persoon A] c.s. hebben dit ook niet betwist. Omdat de video deurbellen niet zijn toegestaan, worden [persoon A] c.s. verplicht om deze te verwijderen en verwijderd te houden.
Vaststaat dat de door [naam horecagelegenheid] opgehangen camera’s in de centrale hal en aan de buitengevel van het pand alleen beeld registreren en geen geluid kunnen opnemen. [naam horecagelegenheid] heeft onweersproken gesteld dat zij deze camera’s op advies van de politie en gemeente en met goedkeuring van de vorige eigenaar/verhuurder van het pand heeft geplaatst na een gewapende overval. Het voorgaande betekent dat naar voorlopig oordeel geen grond bestaat voor de door [persoon A] c.s. gevorderde verwijdering van deze camera’s. Daarom wordt deze vordering afgewezen.
Bloembakken
2.12.
Niet in geschil is dat de bloembakken bij de voordeur van het pand al vele jaren op deze locatie staan, al voordat [persoon A] c.s. eigenaren werden van het pand. Bovendien heeft [naam horecagelegenheid] gemotiveerd weersproken dat de oorzaak van de scheuren in de vloerplaat is gelegen in de aanwezigheid van de bloembakken, zoals door [persoon A] c.s. is gesteld. Daartoe heeft [naam horecagelegenheid] aangevoerd dat de ondergrond is verzakt en dat de vloerplaat al was gebarsten toen de bloembakken er nog niet stonden. In het licht hiervan hebben [persoon A] c.s. onvoldoende gesteld dat zij, vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure, thans een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde verwijdering van de bloembakken. Dit betekent dat [persoon A] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.
Dwangsommen
2.13.
De door [naam horecagelegenheid] gevorderde dwangsommen worden toegewezen. Alleen al uit het feit dat reeds enkele maanden na de gevoerde bodemprocedure een kort geding als het onderhavige nodig is om noodzakelijke voorzieningen te treffen, blijkt dat een stevige prikkel tot nakoming noodzakelijk is. Bovendien is het gelet op de brandveiligheid en de verzekering van het pand nodig dat de werkzaamheden aan de elektrische installatie en de afzuiginstallatie op zeer korte termijn worden uitgevoerd. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat een forse prikkel in de vorm van een dwangsom nodig is om te voorkomen dat deze werkzaamheden verdere vertraging oplopen. Ditzelfde geldt voor de video deurbellen van [persoon A] c.s. Omdat deze deurbellen naar voorlopig oordeel niet zijn toegestaan, is ook op dit punt een aanzienlijke prikkel nodig om ervoor te zorgen dat deze op korte termijn worden verwijderd.
[persoon A] c.s. moeten de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [persoon A] c.s., omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon A] c.s. in conventie aan [naam horecagelegenheid] moeten betalen op € 122,16 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht,
€ 814,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.206,16. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna bij de beslissing vermeld.
In reconventie worden de proceskosten aan de kant van [naam horecagelegenheid] begroot op nihil, omdat de eis in reconventie nauw samenhangt met de eis in conventie en [naam horecagelegenheid] ook geen antwoord in reconventie heeft genomen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [naam horecagelegenheid] dat eist en [persoon A] c.s. daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
gebiedt [persoon A] c.s. te dulden dat herstelwerkzaamheden plaatsvinden aan de elektrische installatie die zich in de centrale hal van het pand aan de [adres] in Capelle aan den IJssel bevindt, met dien verstande dat [naam horecagelegenheid] dit minimaal 48 uur van tevoren moet aankondigen, en bepaalt dat [persoon A] c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeuren voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, ter hoogte van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- in totaal;
3.2.
gebiedt [persoon A] c.s. te dulden dat de na-inspectie plaatsvindt van de elektrische installatie die zich in de centrale hal van het pand aan de [adres] in Capelle aan den IJssel bevindt, met dien verstande dat [naam horecagelegenheid] dit minimaal 48 uur van tevoren moet aankondigen, en bepaalt dat [persoon A] c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeuren voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, ter hoogte van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- in totaal;
3.3.
gebiedt [persoon A] c.s. te dulden dat, met behulp van rijplaten, een hoogwerker wordt geplaatst op het pad van het pand aan de [adres] in Capelle aan den IJssel ten behoeve van het reinigen en keuren van de (buiteninstallatie van de) afzuiginstallatie, met dien verstande dat [naam horecagelegenheid] dit minimaal 48 uur van tevoren moet aankondigen, en bepaalt dat [persoon A] c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeuren voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, ter hoogte van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- in totaal;
3.4.
gebiedt [persoon A] c.s. om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de video deurbel naast de deur in de centrale hal die toegang geeft tot de woning van [persoon A] c.s. en de video deurbel in de meterkast die zich in de centrale hal van het pand aan de [adres] in Capelle aan den IJssel bevindt te verwijderen en verwijderd te houden, en bepaalt dat [persoon A] c.s. hoofdelijk een dwangsom verbeuren voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij nadien in gebreke blijven aan deze veroordeling te voldoen, ter hoogte van € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,- in totaal;
3.5.
veroordeelt [persoon A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [naam horecagelegenheid] worden begroot op € 1.206,16, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
in reconventie
3.6.
verklaart [persoon A] c.s. niet-ontvankelijk met betrekking tot de gevorderde medewerking van [naam horecagelegenheid] aan een SCIOS Scope 10 inspectie (inclusief forensisch onderzoek), de verplaatsing van de afzuiginstallatie en de verwijdering van de bloembakken;
3.7.
wijst de gevorderde verwijdering van de camera’s van [naam horecagelegenheid] af;
3.8.
veroordeelt [persoon A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [naam horecagelegenheid] worden begroot op nihil;
in conventie en in reconventie
3.9.
verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
764