ECLI:NL:RBROT:2025:15002

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
24/11292
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 bevestigd

Eiseres heeft een aanvraag voor maatschappelijke opvang ingediend bij de gemeente Rotterdam op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze aanvraag werd op 9 juli 2024 afgewezen en het bezwaar van eiseres werd op 5 november 2024 eveneens ongegrond verklaard. Eiseres stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 behandeld. Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit in staat zich zelfstandig of met hulp van haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Zij had onder meer een woonnetinschrijving, inkomsten uit arbeid en uitkeringen, en kon zorgtoeslag en kinderbijslag aanvragen. De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was omdat het probleem van eiseres vooral gelegen was in het vinden van huisvesting, wat niet onder de Wmo 2015 valt.

Hoewel eiseres per 1 mei 2025 alsnog werd toegelaten tot maatschappelijke opvang, deed dit niet af aan de rechtmatigheid van het eerdere besluit. De rechtbank erkende het procesbelang van eiseres vanwege de mogelijke immateriële schade door de onzekerheid en het ontbreken van opvang, maar concludeerde dat het bestreden besluit niet onrechtmatig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op de juiste gronden heeft geweigerd om eiseres toe te laten tot de maatschappelijke opvang
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 9 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar begeleidster mevrouw [persoon A] , en de gemachtigden van partijen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en verblijft sinds februari 2021 in Nederland. Zij woonde sinds haar komst naar Nederland afwisselend bij een vriendin, bij haar nicht en bij haar begeleider mevrouw [persoon A] . Eiseres heeft zich op 4 juli 2024 bij Centraal Onthaal gemeld met het verzoek gebruik te mogen maken van maatschappelijke opvang. Zij was toen 34 weken zwanger.
4. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres in staat wordt geacht zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Daarnaast is er geen noodzaak voor maatschappelijke opvang omdat eiseres niet dakloos is.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
5. Eiseres is, nadat zij zich op 24 april 2025 wederom bij verweerder heeft gemeld, per 1 mei 2025 door verweerder toegelaten tot de maatschappelijke opvang. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres daarom geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde beroep.
6. Eiseres heeft aangevoerd en ter zitting toegelicht dat schade is geleden als gevolg van de besluitvorming en dat om die reden procesbelang moet worden aangenomen. Eiseres stelt emotionele en geestelijke schade te hebben opgelopen en op zoek te zijn naar psychologische hulp vanwege de periode waarin verweerder haar geen maatschappelijke opvang heeft geboden.
7. Volgens vaste rechtspraak [1] van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
8. De rechtbank stelt vast dat het geschil gaat over de beoordeling van een al verstreken periode. Hoewel eiseres de gestelde emotionele en psychische schade niet met stukken heeft onderbouwd, acht de rechtbank het voorstelbaar dat het in onzekerheid verkeren over een slaapplek en het steeds van plek naar plek moeten verkassen, voor iemand die hoogzwanger is psychische last kan veroorzaken. De rechtbank is dus van oordeel dat het niet reeds op voorhand onaannemelijk is dat eiseres immateriële schade heeft geleden. Wil eiseres kans maken op schadevergoeding, dan zal vast moeten komen te staan dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Er is in het geval van eiseres daarom sprake van voldoende procesbelang.
De maatschappelijke opvang
9. Op grond van artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, wanneer hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.
10. Volgens de Memorie van Toelichting [2] (MvT) bij de Wmo 2015 kan, naast de situatie van (dreiging van) huiselijk geweld, ook maatschappelijke opvang plaatsvinden in geval van dak- en thuislozen: mensen die geen huis meer hebben en niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden. Zij kunnen tijdelijk opgevangen worden door de gemeente en ondersteuning ontvangen om hun leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. Uit de MvT blijkt ook dat, slechts wanneer wordt vastgesteld dat iemand (blijvend of tijdelijk) niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, er aanleiding is voor de gemeente om die persoon te ondersteunen. Uitgangspunt is dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie.
11. Niet in geschil is dat eiseres als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt en dat zij haar thuissituatie heeft verlaten. Beoordeeld dient te worden of eiseres in staat is zich te handhaven in de samenleving.
12. Eiseres voert aan dat zij niet zelf in staat is om een oplossing voor haar problematiek te vinden met betrekking tot het vinden van een adequaat verblijf voor haar en haar kind. Dit is ook de reden dat eiseres wordt ondersteund door verschillende instanties. Eiseres leunt in overwegende mate op de steun van deze instanties. Er is sprake van een fragiele balans, waardoor eiseres niet zelfredzaam is. Er is dus niet alleen sprake van een huisvestingsprobleem. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het nog minderjarige kind bij een adequate huisvesting. Eiseres en het kind hebben een stabiele situatie nodig ter bevordering van het fysieke en geestelijke welzijn van het gezin.
13.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ten tijde van de datum in geding (5 november 2024, de datum van het bestreden besluit) niet behoorde tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015. Uit de toen beschikbare informatie bleek dat eiseres zich tot haar vertrek naar Nederland zelfstandig heeft kunnen handhaven. Zij heeft op Aruba onderwijs gevolgd en gewerkt. In Nederland heeft eiseres steeds via haar eigen netwerk onderdak weten te regelen. Daarnaast heeft eiseres in Nederland een opleiding gevolgd en is zij ook werkzaam geweest. Verder heeft eiseres een woonnetinschrijving en reageerde zij op huisvesting. Eiseres had inkomsten uit arbeid, een WW-uitkering en een Wazo-uitkering ontvangen en zij is in staat gebleken om kinderbijslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag aan te vragen. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat eiseres niet voldoende zelfredzaam was. De omstandigheid dat eiseres per 1 mei 2025 wel is toegelaten tot de maatschappelijke opvang doet aan het voorgaande niet af. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat pas bij de melding van 24 april 2025 feiten en omstandigheden (onder andere over het verleden van eiseres) naar voren zijn gekomen die maakten dat verweerder over is gegaan tot toelating tot de maatschappelijke opvang. Verweerder heeft er dus van uit mogen gaan dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit in staat was om zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit haar sociale netwerk te handhaven in de samenleving. Hoewel de situatie van eiseres ook toen niet makkelijk was, kon verweerder op basis van de toen bekende informatie concluderen dat het probleem van eiseres gelegen was in het vinden van huisvesting als gevolg van de huidige schaarste op de woningmarkt, en niet in het niet in staat zijn zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven. De Wmo 2015 is niet bedoeld om voor huisvestingsproblemen een oplossing te bieden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1651).
13.2.
Daarbij heeft verweerder in het bestreden besluit de belangen van het kind van eiseres kenbaar betrokken en daarover opgemerkt dat in de situatie van eiseres niet kan worden gezegd dat de belangen van haar kind niet zijn gewaarborgd of dat het gezin niet onder waardige omstandigheden leeft. Nu ervan mocht worden uitgegaan dat eiseres zelfredzaam is, kon zij in staat worden geacht om vorm te geven aan het gezinsleven en zorg te dragen voor haar kind. Uit artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volgt niet dat in zodanig geval het ontbreken van huisvesting verweerder ertoe zou nopen om daarin te voorzien.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3014.
2.Kamerstukken II, 2013–2014, 33 841, nr. 3.