ECLI:NL:CRVB:2017:3014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2017
Publicatiedatum
1 september 2017
Zaaknummer
16/4274 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij afwijzing maatschappelijke opvang

Appellant diende op 1 juni 2015 een aanvraag in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college wees deze aanvraag af en verklaarde het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij mogelijk schade had geleden doordat hij elders onderdak moest zoeken. De Centrale Raad van Beroep onderzocht ambtshalve of appellant voldoende procesbelang had. Uit de feiten bleek dat appellant sinds november 2015 een eigen woning had en een bijstandsuitkering ontving, en dat er geen concrete dreiging van dakloosheid was.

De Raad oordeelde dat een formeel of principieel belang onvoldoende is en dat appellant geen concrete schade had gesteld, slechts een veronderstelling. Daarom ontbrak het aan voldoende procesbelang. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.

Uitspraak

16/4274 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2016, 15/5258 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 23 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N. Roos, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Roos. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 1 juni 2015 heeft appellant bij het college een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Bij besluit van 1 juni 2015 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft op 5 augustus 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2015.
1.2.
Bij besluit van 18 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant niet‑ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden behaald en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Verder kan volgens vaste rechtspraak van (voldoende) procesbelang sprake zijn, als het gestelde belang bestaat in de vergoeding van schade en het feit dat schade is geleden niet op voorhand onaannemelijk moet worden geacht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 29 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD1593).
4.2.
Niet is in geschil dat er ten tijde van belang geen sprake is geweest van een situatie van dakloosheid bij appellant. Evenmin is genoegzaam gebleken van een concrete dreiging van dakloosheid. Verder is niet aannemelijk dat een inhoudelijke beoordeling voor de toekomst van belang zal zijn, nu appellant (sinds november 2015) een eigen woning heeft en een bijstandsuitkering ontvangt.
4.3.
Ter zitting is namens appellant betoogd dat hij mogelijk schade heeft geleden doordat hij – wegens de afwijzing van het college van de aanvraag van appellant om hem in aanmerking te laten komen voor maatschappelijke opvang – elders onderdak heeft moeten zoeken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant verklaard niet te weten of appellant vanwege het zoeken en vinden van onderdak elders, kosten heeft moeten maken. Met deze wijze van formuleren heeft appellant geen schade gesteld, maar slechts verondersteld dat schade zou kunnen zijn geleden. Dat is niet voldoende om procesbelang aan te kunnen nemen.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet‑ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) R.H. Budde

AB