ECLI:NL:RBROT:2025:15043

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
C/10/700027 / JE RK 25-1020
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling van een minderjarige door de kinderrechter

Op 10 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2021. De zaak betreft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, die betrokken is bij de zorg voor de minderjarige. De moeder van de minderjarige is belast met het ouderlijk gezag en woont samen met de minderjarige. De kinderrechter heeft eerder op 8 juli 2025 de ondertoezichtstelling al verlengd tot 10 januari 2026, maar er zijn nog steeds zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de thuissituatie van de minderjarige. Tijdens de zitting op 10 december 2025 was de moeder telefonisch aanwezig, en de kinderrechter heeft de situatie besproken met de jeugdbeschermer. De moeder heeft aangegeven dat ze actief zal meewerken aan de hulpverlening en dat het goed gaat met haar en de minderjarige. De kinderrechter heeft echter vastgesteld dat er nog steeds onvoldoende zicht is op de ontwikkeling van de minderjarige en dat de zorgen over de opvoedsituatie blijven bestaan. Daarom heeft de kinderrechter besloten de ondertoezichtstelling te verlengen tot 10 juli 2026, met de verwachting dat de moeder zich verder zal openstellen voor hulpverlening en dat de jeugdbeschermer betrokken blijft bij de situatie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/700027 / JE RK 25-1020
Datum uitspraak: 10 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats].

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 25 november 2025, ontvangen op 1 december 2025.
1.2.
Op 10 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder via een telefonische verbinding;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 januari 2026. Het overige verzochte werd aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI heeft bij verzoekschrift van 22 mei 2025 verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 10 juli 2026. Op dit verzoek is reeds voor de duur van zes maanden beslist. Op het restant moet nog worden beslist.
3.2.
De GI heeft het restant van het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het contact tussen de moeder en de jeugdbeschermer verloopt wisselend. De jeugdbeschermer betreurt dat het de moeder niet gelukt is fysiek naar de zitting te komen. Het is belangrijk dat de moeder haar verhaal kan doen. De jeugdbeschermer heeft er daarom bij de kinderrechter op aangedrongen te proberen de moeder telefonisch te bereiken.
Het is de GI in de afgelopen zes maanden opnieuw niet gelukt zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder woont met [minderjarige] via een zorg -en huurcontract in een woning van Timon. Voorwaarde voor hun verblijf is dat de moeder deelneemt aan het traject Ouder & Kind via Timon. Onlangs heeft Timon bij de jeugdbeschermer aangegeven het traject af te zullen sluiten omdat de moeder niet naar de afspraken komt. Daarnaast heeft de moeder [minderjarige] enige tijd geleden zonder toestemming naar de vader gebracht terwijl de wijkagent herhaaldelijk heeft aangegeven dat het niet veilig is voor [minderjarige] bij de vader. Sinds de zomer is [minderjarige] ingeschreven op school. Ze is echter nog niet leerplichtig en haar schoolgang verloopt wisselend. [minderjarige] is geregeld afwezig waardoor ook de school geen goed beeld heeft van de situatie. De jeugdbeschermer heeft het beste met de moeder en [minderjarige] voor en wil hen graag helpen. Het is de jeugdbeschermer inmiddels gelukt om Timon ervan te overtuigen een nieuw traject met de moeder en [minderjarige] te starten. Voorwaarde hiervoor is wel dat de moeder zich aan de veiligheidsafspraken houdt zoals deze in het veiligheidsplan zijn opgesteld. Bij eerdere (huis)bezoeken heeft de jeugdbeschermer een goede en gezonde interactie tussen de moeder en [minderjarige] gezien. De jeugdbeschermer zou graag meer zicht willen krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige], zodat bezien kan worden of een ondertoezichtstelling nog nodig is.

4.Het standpunt van de moeder

De kinderrechter heeft de moeder op verzoek van de GI telefonisch gesproken tijdens de zitting. De moeder heeft aangegeven dat het goed gaat met haar en [minderjarige]. Toen de moeder uit elkaar ging met haar partner was er veel gedoe, en hoewel dit nog niet helemaal is opgelost ziet de moeder in dat de situatie bij de vader op dit moment niet veilig is voor [minderjarige] De moeder doet haar best en heeft morgen een gesprek met een nieuwe school voor [minderjarige], omdat ze op haar huidige school wordt gepest. De moeder heeft toegezegd actief mee te gaan werken aan het Ouder & Kind-traject van Timon en [minderjarige] zonder (ongeoorloofd) verzuim naar school te brengen.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog onveranderd zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige], mede doordat de GI nog onvoldoende zicht heeft op haar ontwikkeling. De zorgen zijn gelegen in haar opvoedomgeving, de opvoedvaardigheden van de moeder en het contact met haar vader. Daarom moest er zicht komen op de thuissituatie van [minderjarige]. Omdat dat in het vrijwillig kader onvoldoende lukte, is [minderjarige] onder toezicht gesteld.
5.3.
Het is de GI in de afgelopen periode nog steeds niet gelukt om een duidelijk beeld
te krijgen van de thuissituatie van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden van de moeder. Inmiddels is er een nieuwe jeugdbeschermer bij het gezin betrokken. De communicatie tussen de moeder en de nieuwe jeugdbeschermer is de afgelopen periode wisselend verlopen, maar deze jeugdbeschermer ziet dat het contact tussen [minderjarige] en haar moeder goed lijkt en op een gezonde manier verloopt. Wel is het zorgelijk dat de moeder afhoudend is geweest met het toelaten van de hulpverlening. Ook de school van [minderjarige] heeft maar beperkt zicht op haar omdat zij vaak afwezig is.
5.4.
Positief is dat de moeder ter zitting heeft aangegeven dat het goed gaat met haar en [minderjarige] en dat zij mee gaat werken aan de hulpverlening. Daarmee zijn de eerdere zorgen echter niet weggenomen, de moeder moet dat eerst laten zien. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende duur van zes maanden verlengen, te weten tot 10 juli 2026. De aankomende tijd dient de GI betrokken te blijven om de hulpverlening vanuit Timon (Ouder & Kind-traject) opnieuw op te starten, de ontwikkeling van de [minderjarige] en het verloop van het hulpverleningstraject te volgen en te bezien of deze hulpverlening toereikend is.
5.5.
Het is verder van groot belang dat de moeder zich (verder) zal
openstellen en inzetten voor de hulpverlening zodat er zicht kan komen op de opvoedsituatie
en thuissituatie van [minderjarige]. Daarmee kunnen voornoemde zorgen mogelijk worden weggenomen of aangepakt. Zoals telefonisch besproken verwacht de kinderrechter van de moeder:
  • dat zij regelmatig contact houdt met de jeugdbeschermer (mw. Karon) en met haar bespreekt wat in het belang van [minderjarige] is;
  • dat zij meewerkt aan het Ouder & Kind-traject van Timon;
  • dat [minderjarige] regelmatig naar haar (nieuwe) school gaat;
  • dat [minderjarige] alleen contact met de vader heeft in overleg en met instemming van de jeugdbeschermer (mw. Karon).
5.6.
Als door de moeder goed wordt meegewerkt aan deze afspraken en de GI voldoende zicht heeft op de ontwikkeling van [minderjarige], is een verdere verlenging van de OTS mogelijk niet meer nodig. In geval van twijfel kan de GI tijdig verlenging verzoeken en kan ter zitting worden besproken of een ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is of dat met vrijwillige hulpverlening kan worden volstaan. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij in dat geval ter zitting zal verschijnen om haar standpunt toe te lichten.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 10 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.