ECLI:NL:RBROT:2025:15118

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11816015 GZ VERZ 25-6676
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing meerderjarigenbewind wegens onvoldoende financiële zelfredzaamheid

Betrokkene heeft verzocht om opheffing van het meerderjarigenbewind dat in 2022 is ingesteld vanwege een lichamelijke en geestelijke beperking. Hij stelt dat zijn schulden zijn afgelost en hij een stabiel inkomen heeft, en dat hij met hulp van zijn vader zijn geldzaken wil regelen.

De bewindvoerder betoogt dat de grond voor bewind nog steeds bestaat omdat betrokkene moeite heeft met het behouden van een stabiele werkstructuur, impulsieve aankopen doet en zich gemakkelijk laat beïnvloeden. Ook ontbreekt voldoende professionele ondersteuning in zijn omgeving.

De kantonrechter oordeelt dat betrokkene onvoldoende heeft aangetoond dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren. Hij heeft schulden die deels zijn ontstaan doordat zijn vader tijdens coronatijd zijn inkomen gebruikte voor huishoudkosten. Betrokkene hield bovendien een bankrekening buiten het zicht van de bewindvoerder, wat wijst op gebrek aan financieel inzicht.

De kantonrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat betrokkene wel leefgeld in maandelijkse termijnen kan ontvangen om zijn financiële vaardigheden te oefenen. Tevens wordt betrokkene aangemeld voor een cursus financiële zelfredzaamheid. Een nieuw verzoek tot opheffing kan in de toekomst worden ingediend als de omstandigheden verbeteren.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het meerderjarigenbewind wordt afgewezen wegens onvoldoende financiële zelfredzaamheid van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11816015 GZ VERZ 25-6676
[registernummer]
uitspraak: 4 december 2025
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake opheffing meerderjarigenbewind
over de goederen van:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 2001,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen betrokkene.

Verloop van de procedure

Op 29 juli 2025 is het verzoek ontvangen van betrokkene om het bij beschikking door de kantonrechter te Rotterdam d.d. 21 maart 2022 ingestelde bewind over zijn goederen op te heffen.
Op 28 augustus 2025 is een schriftelijke reactie van de bewindvoerder W.G.M. Engels, vennoot van Engels Bewindvoering te Heerhugowaard ontvangen.
Op 18 november 2025 is aanvullende informatie van de bewindvoerder ontvangen
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 november 2025. Verschenen zijn:
  • betrokkene;
  • dhr. [persoon A] , vader van betrokkene.
De griffier heeft tijdens de zitting aantekeningen gemaakt.

Beoordeling van het verzoek

1. Betrokkene stelt dat het al een hele tijd goed gaat met hem. Zijn schulden zijn afgelost en hij heeft een stabiel inkomen. Hij is er klaar voor om zelf zijn geldzaken te gaan regelen, met de hulp van zijn vader.
2. De bewindvoerder heeft aangevoerd dat betrokkene onder bewind is gesteld wegens een lichamelijke/geestelijke toestand en dat deze grond nog bestaat. Betrokkene heeft inmiddels werk, maar in de praktijk blijkt dat hij moeite heeft met het aanhouden van een stabiele werkstructuur. Ook laat betrokkene zich gemakkelijk beïnvloeden door zijn familie, en doet hij vaak impulsieve aankopen. Betrokkene vindt het moeilijk om om te gaan met zijn weekgeld. De bewindvoerder meent dat nog steeds professionele ondersteuning noodzakelijk is om financiële stabiliteit te waarborgen en dat in de omgeving van betrokkene niemand is die hem hierin voldoende ondersteuning kan geven.
3. De kantonrechter is met de bewindvoerder van oordeel dat opheffing van het bewind nog (veel) te vroeg is. Betrokkene heeft de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat hij zijn geldzaken zelf kan regelen. Daarvoor is het volgende redengevend.
4. Betrokkene staat sinds 2022 onder bewind op lichamelijke/geestelijke gronden. Hij heeft een niet aangeboren hersenafwijking en een verstandelijke beperking. Een eerder verzoek van betrokkene om opheffing van het bewind is afgewezen bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 19 september 2022. Daartegen heeft betrokkene hoger beroep ingesteld, maar uit de beschikking van het Hof Den Haag van 20 december 2023 blijkt dat betrokkene het hoger beroep heeft ingetrokken.
5. Toen betrokkene in 2022 (op eigen verzoek) onder bewind werd gesteld, had hij een aantal schulden (zorgverzekering en telefoonabonnement). Betrokkene kon ter zitting geen antwoord geven op de vraag van de kantonrechter hoe deze schulden waren ontstaan. Hij wist dat niet (meer). Zijn vader wist het wel te vertellen: omdat vader in coronatijd was ontslagen en geld tekort kwam, heeft hij het inkomen van betrokkene gebruikt voor de ‘kosten van de huishouding’. Daardoor zijn de vaste lasten van betrokkene destijds niet betaald en heeft hij schulden gekregen.
6. Verder heeft betrokkene tijdens de zitting toegegeven dat hij, naast de leefgeld- en beheerrekening, nog een ING-rekening op zijn naam heeft staan (het rekeningnummer eindigt op [rekeningnummer] ). Hij heeft de bewindvoerder hierover niet geïnformeerd..
7. Aanvankelijk beweerde betrokkene dat dit zou gaan om de beheerrekening, maar deze rekening heeft een heel ander rekeningnummer. Bovendien is ter zitting duidelijk geworden dat de leefgeldrekening en beheerrekening bij de ABN AMRO bank lopen, terwijl dit om een ING rekening ging. Betrokkene maakte zijn bewindvoerder ten onrechte het verwijt dat de bewindvoerder heeft gezorgd voor onvoldoende saldo op deze bankrekening, waardoor de kosten van de OV chipkaart van betrokkene niet via een automatische incasso konden worden geïncasseerd. Zoals de kantonrechter tijdens de zitting aan betrokkene heeft uitgelegd, is het niet terecht om de bewindvoerder verwijten te maken over een ontoereikend saldo op een bankrekening, die betrokkene zelf buiten het zicht van zijn bewindvoerder heeft gehouden. Dat betrokkene hier een punt van maakte geeft ook te denken over zijn gebrek aan financieel inzicht.
8. Betrokkene heeft verder gesteld dat zijn vader hem voortaan zou kunnen helpen bij het regelen van zijn geldzaken, maar vader staat zelf ook onder bewind en is nog niet toegelaten tot een schuldenregeling, zo heeft hij ter zitting bevestigd. Bovendien blijkt uit de gang van zaken in de periode voorafgaand aan het bewind, dat vader met het inkomen van betrokkene zijn eigen financiële gaten heeft geprobeerd te dichten. Dit ten koste van betrokkene, die toen betalingsachterstanden kreeg bij zijn zorgverzekering en telefoonabonnement.
9. Dus de kantonrechter is het met de bewindvoerder helemaal eens dat vader niet de aangewezen persoon is om betrokkene voortaan met zijn geldzaken te gaan helpen.
10. Gelet op dit alles heeft de kantonrechter grote twijfels over de vraag of het wel verstandig is dat betrokkene zijn eigen financiën moet gaan beheren, op dit moment al helemaal niet maar wellicht ook niet in de toekomst. Dit neemt niet weg dat betrokkene wel de mogelijkheid moet kunnen krijgen van zijn bewindvoerder om zijn leefgeld in de vorm van maandgeld te ontvangen, om te laten zien dat hij in staat is om daarmee om te gaan. Als dat niet lukt, dan kan de bewindvoerder dit weer terugdraaien. Daarnaast heeft betrokkene aangegeven dat hij graag de cursus Gers met Geld zou willen volgen. De kantonrechter verzoekt de bewindvoerder om betrokkene hiervoor aan te melden.
11. Als dit alles succesvol verloopt kan betrokkene in de toekomst – als vader schuldenvrij is – opnieuw een opheffingsverzoek indienen en zal op dat moment moeten worden beoordeeld of betrokkene in staat moet worden geacht om voortaan zijn eigen geldzaken te gaan regelen en of er voldoende aanleiding is om het bewind op te heffen.

Beslissing

De kantonrechter
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
937
Tegen deze beschikking kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.