ECLI:NL:RBROT:2025:15154

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
FT RK 25/1660, FT RK 25/1661, FT RK 25/1662 , FT RK 25/1663
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om moratorium en voorlopige voorziening in faillissementszaak met betrekking tot huurbetalingen

In deze zaak hebben verzoekers op 16 september 2025 een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 284 en 287b van de Faillissementswet (Fw) om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek op 7 oktober 2025 bepaald. Tijdens de zitting zijn de verzoekers en hun advocaat verschenen, evenals vertegenwoordigers van de verweerster, Stichting Waterweg Wonen. Verzoekers, die beiden werken voor een uitzendbureau, hebben gezamenlijk een inkomen van ongeveer € 4.000,00 per maand, wat voldoende is om de huur van € 654,06 per maand te betalen. Echter, verzoeker staat onder beschermingsbewind en heeft enige vertraging ondervonden in het opstarten van het beschermingsbewind, wat heeft geleid tot een huurachterstand van circa € 12.000,00. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een bedreigende situatie, aangezien er een vonnis tot ontruiming was uitgesproken. De rechtbank heeft de belangen van verzoekers, die in hun huurwoning willen blijven, zwaarder laten wegen dan die van de verweerster. De rechtbank heeft het moratorium toegewezen voor een periode van drie maanden, in plaats van de verzochte zes maanden, en heeft voorwaarden gesteld aan de toewijzing. Tevens zijn verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, maar zij kunnen in de toekomst een nieuw verzoek indienen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 15 oktober 2025
[verzoeker]
en
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.

1.De procedure

Verzoekers hebben op 16 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 16 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 7 oktober 2025.
Ter zitting van 7 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • de heer [persoon A] , advocaat van verzoekers;
  • de heer C.P. van den Bosse en de heer J. Pouwelsen, beiden werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoeringen (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • de heer [persoon B] , werkzaam bij Stichting Waterweg Wonen (hierna: verweerster);
  • de heer [persoon C] , werkzaam bij Willems Gerechtsdeurwaarders & Incasso, namens Stichting Waterweg Wonen (hierna: verweester).
De advocaat van verzoekers heeft op 9 oktober 2025 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
Verweerster heeft hierop gereageerd in een aanvullend e-mailbericht van 9 oktober 2025.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers werken beide voor een uitzendbureau en hebben inkomen uit arbeid. Zij ontvangen gezamenlijk in totaal circa € 4.000,00 per maand aan inkomsten. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 654,06 per maand te voldoen. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat de huur over oktober 2025 is voldaan op 3 oktober 2025.
Verzoeker staat sinds december 2024 onder beschermingsbewind. De beschermings-bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat hij het beschermingsbewind sinds juli 2025 heeft overgenomen. Het opstarten van het beschermingsbewind heeft enige vertraging opgelopen omdat hij geen stukken van de voormalig beschermingsbewindvoerder heeft ontvangen waardoor hij het dossier zelf heeft moeten opbouwen.
De beschermingsbewindvoerder heeft verzoeker aangemeld voor schuldhulpverlening. Verzoeker is op 2 oktober 2025 toegelaten tot schuldhulpverlening van de gemeente. Het schuldhulpverleningstraject zal nu worden opgestart en de schulden zullen worden geïnventariseerd. Verzoekster staat niet onder beschermingsbewind. Voor haar zal een verzoek tot onderbewindstelling worden ingediend waarna er ook een schuldhulpverleningsaanvraag zal worden ingediend.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurachterstand is in 2023 al ontstaan. Vanaf juni 2024 is er, op twee maanden na, geen huur betaald terwijl verzoeker in deze periode (deels) onder beschermingsbewind stond. De huurachterstand bedraagt thans circa € 12.000,00. Na de wisseling van het beschermingsbewind per 1 juli 2025 is er door de beschermingsbewindvoerder geen contact opgenomen met verweerster. Verweerster heeft alleen een e-mailbericht ontvangen waarin wordt aangegeven dat de lopende huur niet betaald kan worden en dat de beschermingsbewindvoerder bezig is om een fonds aan te vragen. Volgens verweerster is na controle gebleken dat verzoekers geen inkomsten ontvangen en het bevreemd haar dan ook dat er nu opeens wel inkomsten zouden zijn. Naar aanleiding van de na de zitting toegezonden loonstroken heeft verweerster opgemerkt dat verzoekers kennelijk nog maar recent in dienst zijn getreden bij hun werkgevers en er mogelijk nog sprake is van een proeftijd. Daarnaast is er slechts sprake van een nul-urencontract waardoor er volgens verweerster geen garantie bestaat dat de inkomsten voldoende en stabiel zijn om de lopende huurbetalingen structueel te voldoen.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 19 augustus 2025 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 september 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 25 juli 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers ontvangen gezamenlijk inkomsten uit arbeid van in totaal circa € 4.000,00 per maand. De huur bedraagt € 654,06 per maand. Het inkomen van verzoekers is ruim voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen De huur over oktober 2025 is voldaan op 3 oktober 2025. Het feit dat de huur voor oktober 2025 iets te laat is voldaan, staat aan die vaststelling niet in de weg. Verzoeker staat onder beschermingsbewind en zijn vaste lasten, waaronder de huur, worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan. Voor verzoekster zal een verzoek tot onderbewindstelling worden ingediend. Hierdoor is voldoende gewaarborgd dat de lopende huurbetalingen tijdig kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. In de omstandigheid dat verzoekers nog niet hebben kunnen aantonen dat sprake is van een bestendig inkomen, ziet de rechtbank evenwel aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor drie maanden.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 25 juli 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan [adres] te Vlaardingen, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 16 september 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2025.