Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon C] , begeleidster van het wijkteam (hierna: begeleidster).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op 16 september 2025 een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet om uitvoering van een vonnis tot ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie omdat de ontruiming gepland stond voor 23 september 2025.
Verzoekster is werkzaam voor 32,5 uur bij twee werkgevers en ontvangt diverse toeslagen, waardoor zij in staat is de lopende huurtermijnen te voldoen. Zij heeft de huur over augustus, september en oktober 2025 betaald en is zich bewust van haar betalingsverplichtingen. Verweerster, de verhuurder, verscheen niet ter zitting en verwees naar eerdere moratoria die waren toegekend, maar stelde dat hernieuwde toewijzing geen zin had.
De rechtbank oordeelde dat het belang van verzoekster om in haar woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De eerdere moratoria uit 2016 en 2024 staan een nieuw moratorium niet in de weg omdat er een nieuwe executoriale titel en huurschuld aan ten grondslag liggen.
De rechtbank wees het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.
Uitkomst: Het moratoriumverzoek wordt toegewezen voor zes maanden, waardoor de ontruiming wordt opgeschort en de huurovereenkomst wordt verlengd, onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.