7.1.De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning 30,4 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne komt voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. Verder zijn in de woning ook 16 patronen van .22 Remmington munitie en een kogelwerend vest aangetroffen. De burgemeester heeft daarom kunnen aannemen dat de drugs in de woning aanwezig waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking in of vanuit de woning. De burgemeester is daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan (noodzaak)?
8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de Beleidslijn vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting over te gaan. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sluiting van de woning op zichzelf een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde, het wegnemen van de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit en het (verder) voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving, en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
10. Tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het besluit van de burgemeester om tot sluiting over te gaan, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting worden gediend.Van relevant tijdsverloop, zoals verzoekster stelt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake. De constatering van de overtreding vond plaats op 16 september 2025. Op 22 september 2025 is hiervan een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarna de burgemeester op 2 oktober 2025 een voornemen tot sluiting aan verzoekster en Woonstad bekend heeft gemaakt. Op 14 oktober en 16 oktober 2025 hebben respectievelijk Woonstad en verzoekster hun zienswijze op dit voornemen gegeven. Op 22 oktober 2025 heeft de politie nog een aanvullende bestuurlijke rapportage uitgebracht. Vervolgens heeft de burgemeester op 25 november 2025 het bestreden besluit genomen. De voorzieningenrechter acht dit nog voldoende voortvarend. Het enkele feit dat de drugs in de woning al op 16 september 2025 door de politie in beslag zijn genomen, betekent niet dat het risico op herhaling is geweken en dat de sluiting daarom geen geschikt middel meer zou zijn.
11. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
12. De burgemeester hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet het beleid dat bij een ernstig geval in beginsel wordt overgegaan tot het sluiten van de woning, maar dat nadrukkelijk zal worden overwogen of kan worden volstaan met een laatste waarschuwing, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel in drugs in of vanuit het pand, zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal.
Daarbij draagt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de noodzaak voor een sluiting ook bij of het pand is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk.
13. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester in het standpunt dat met de situatie die op 16 september 2025 werd aangetroffen sprake was van een ernstig geval. Daarbij is allereerst van belang dat in de woning een ruime (handels)hoeveelheid van 30,4 gram cocaïne is aangetroffen, in combinatie met 16 patronen van .22 remmington munitie en een kogelwerend vest. Dat laatste heeft verzoekster weliswaar betwist, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft mogen uitgaan van de juistheid van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal gebaseerde bestuurlijke rapportage. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van de drugs in combinatie met de overige aangetroffen goederen aannemelijk maakt dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel of in ieder geval betrokken is bij drugsgerelateerde criminaliteit.
14. Daarbij heeft de burgemeester van belang mogen achten dat de woning bij de politie in beeld is gekomen door meerdere (gedetailleerde) MMA-meldingen. Hoewel verzoekster kan worden nagegeven dat MMA-meldingen niet altijd objectief verifieerbaar zijn, neemt dat in dit geval niet weg dat het om concrete meldingen gaat en dat de situatie die de politie op 16 september 2025 heeft aangetroffen vrijwel geheel overeenkomt met wat in de MMA-meldingen zeer specifiek is omschreven. Namelijk dat het gaat om handel in (hard)drugs, door wie er wordt gehandeld, waar er wordt gehandeld en de manier waarop dit gebeurt. Daarbij is de bestuursrechtelijke pandsluiting een pandgebonden maatregel, waarop de strengere bewijsregels zoals die in het strafrecht gelden niet van toepassing zijn.
15. De burgemeester heeft op grond van de aangetroffen situatie in de woning, in combinatie met de MMA-meldingen, kunnen aannemen dat bij derden bekend is dat in of vanuit de woning verdovende middelen worden verhandeld. Daarbij is van belang dat de zoon van verzoekster op 16 september 2025 (op heterdaad) voor de deur van de woning is aangehouden vanwege drugshandel en dat van hem meerdere drugsgerelateerde registraties in de politiesystemen bekend zijn. De bekendheid van de woning bij (drugs)criminelen kan verder worden afgeleid uit wat omwonenden tegenover de politie hebben verklaard. Deze verklaringen geven ook blijk van loop op de woning en van (drugsgerelateerde) overlast. Naast de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit heeft de burgemeester bij de vraag of een sluiting noodzakelijk is tevens kunnen betrekken dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk die tevens is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
16. De burgemeester heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen en verdere herhaling te voorkomen en dat deze doelen niet enkel kunnen worden bereikt met het geven van een waarschuwing. De sluiting heeft in zoverre dan ook geen punitief karakter.
17. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
18. De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de situatie die op 16 september 2025 door de politie werd aangetroffen ernstig is te noemen. De burgemeester heeft immers in redelijkheid het vermoeden kunnen hebben dat er in of vanuit de woning in verdovende middelen werd gehandeld. Daarbij heeft verzoekster erkend dat zij wist van de verslavingsproblematiek van haar zoon. Zij had daarom kunnen vermoeden dat het overlaten van (de zorg voor) de woning aan haar zoon tijdens haar verblijf in het buitenland, zonder het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen, tot problemen zou kunnen leiden. Als hoofdhuurder van de woning is verzoekster te allen tijde verantwoordelijk voor wat er in de woning gebeurt. In dat licht bezien kan haar van de aantroffen situatie in de woning in zoverre een verwijt worden gemaakt.
19. De voorzieningenrechter ziet echter geen grond voor het oordeel dat de situatie in de woning verzoekster volledig kan worden toegerekend. Er is dus sprake van verminderde verwijtbaarheid. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting kan niet met zekerheid worden gesteld dat verzoekster wist, of had kunnen weten of vermoeden, dat haar zoon naast zijn verslavingsproblematiek ook daadwerkelijk in drugs handelde. De antecedenten van de zoon, zoals die in de terugkijkperiode in de politiesystemen bekend zijn, gaan over het bezit van harddrugs (op 5 februari en op 1 juli 2021) en een delict in de categorie ‘overige drugsdelicten’ (op 25 februari 2022) en dus niet over de handel in (hard)drugs. De MMA-melding van 9 mei 2021 gaat niet over handel vanuit de woning, maar vanuit de kelder naast de woning, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of verzoekster hiervan wist. Recent zijn er (slechts) twee MMA-meldingen van drugshandel in of vanuit de woning bekend, van 7 juli 2025 en 22 augustus 2025. Voor deze meldingen geldt echter dat de daarin beschreven incidenten hebben plaatsgevonden in de periode waarin verzoekster voor langere tijd in het buitenland verbleef. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat verzoekster hiervan geen weet had. Daarbij heeft verzoekster de objectiviteit van deze meldingen op de zitting in twijfel getrokken door te stellen dat beide meldingen afkomstig zijn van dezelfde ‘boze buurman’. Verder heeft zij verklaard dat zij nimmer rechtstreeks door Woonstad of door de politie (wijkagent) is benaderd over het (criminele) gedrag van haar zoon en de overlast rond de woning. Zij heeft nooit een brief van Woonstad gehad of een bezoek van de wijkagent. Bovendien hebben meerdere buren verklaard geen problemen te hebben met verzoekster en geen overlast van haar te hebben ervaren. Daarbij hebben de gemachtigden van de burgemeester op de zitting bevestigd dat hen geen nieuwe (meldingen van) incidenten bekend zijn sinds 16 september 2025. Verder staat buiten kijf dat verzoekster niet zelf betrokken is geweest bij de verboden activiteiten die in of vanuit de woning hebben plaatsgevonden.
20. De voorzieningenrechter laat ook zwaar meewegen dat verzoekster al het nodige heeft gedaan om het risico op herhaling van de verboden gebeurtenissen zoveel mogelijk te voorkomen. Zij heeft haar zoon inmiddels de toegang tot de woning ontzegd. Ook heeft zij het vliegticket betaald waarmee haar zoon op 22 december 2025 voor zes weken naar Zuid-Afrika zal vliegen, om daar in een afkickkliniek te worden behandeld. Tot slot weegt de voorzieningenrechter ook mee dat de kans reëel is dat verzoekster ook na de eventuele sluiting niet weer gebruik van de woning zal kunnen maken. Dit gelet op het door Woonstad uitgesproken voornemen om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden als de woning daadwerkelijk wordt gesloten. Bovendien is de verwachting dat verzoekster dan, na een woonduur van 40 jaar in dezelfde woning zonder incidenten, op een zwarte lijst zal worden geplaatst, waardoor zij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning zal kunnen huren in de regio. De voorzieningenrechter acht dit, ook gelet op de medische klachten van verzoekster, zoals die blijken uit de brief van de huisarts, zeer onwenselijk.
21. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. Aan het belang van de burgemeester bij het afgeven van een signaal naar omwonenden van de woning komt daarom geen doorslaggevend gewicht toe.
22. Uit het voorgaande volgt dat bij afweging van alle betrokken belangen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen.