ECLI:NL:RBROT:2025:15156

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/9584
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning op grond van de Opiumwet

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster, een bewoner van een woning aan de Drievriendenstraat 81 in Rotterdam, verzet zich tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor drie maanden te sluiten op basis van de Opiumwet. De burgemeester heeft deze sluiting bevolen na meldingen van drugshandel vanuit de woning, waarbij op 16 september 2025 cocaïne en munitie zijn aangetroffen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen, omdat zij oordeelt dat de sluiting niet evenwichtig is. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoekster geen verwijt kan worden gemaakt voor de situatie in de woning, aangezien zij op dat moment in het buitenland verbleef en haar zoon, die betrokken was bij de drugshandel, de toegang tot de woning was ontzegd. De voorzieningenrechter heeft de belangen van verzoekster zwaarder laten wegen dan die van de burgemeester, en heeft besloten dat de woning open mag blijven tot zes weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens is de burgemeester veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9584

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),
en

de burgemeester van Rotterdam

(gemachtigden: mr. R. Duivenvoorde en mr. D. Boets).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Woonstad Rotterdam uit Rotterdam (Woonstad).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van verzoekster voor drie maanden te sluiten op grond van de Opiumwet. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt om een voorlopige voorziening omdat zij wil dat de woning open blijft tot op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, omdat zij de sluiting niet evenwichtig vindt.

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 heeft de burgemeester de sluiting bevolen van de woning van verzoekster aan de Drievriendenstraat 81 in Rotterdam (de woning), voor de duur van drie maanden
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar dochter, [persoon A] , en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Uit de bestuurlijke rapportage van de Politie Eenheid Rotterdam van 22 september 2025 blijkt het volgende.
2.1.
De politie heeft naar aanleiding van meerdere meld misdaad anoniem (MMA) meldingen over de handel in drugs, onder andere vanuit de woning van verzoekster, een onderzoek ingesteld naar twee personen, onder wie de zoon van verzoekster. Tijdens dit onderzoek is op 16 september 2025 waargenomen dat de onderzochte personen verdovende middelen verhandelden op de openbare weg, waarop beiden zijn aangehouden. Bij de aanhouding werd bij de zoon van verzoekster een bruto hoeveelheid van 15,3 gram (naar later bleek) cocaïne aangetroffen.
2.2.
Vervolgens heeft de politie, onder leiding van de rechter-commissaris, de woning op 16 september 2025 doorzocht. Op de bank in de woonkamer werden, onder een kussen, drie zakjes met witte brokken aangetroffen. Onderzoek door het NFI wees vervolgens uit dat het ging om in totaal netto 30,4 gram cocaïne. [1] Op een dressoir in de woonkamer werd een doosje aangetroffen met daarin 16 patronen van .22 Remmington munitie. In de slaapkamer, waar vermoedelijk de zoon van verzoekster slaapt, werd een kogelwerend vest aangetroffen. Tot slot werden ook diverse poststukken en het paspoort van de zoon in de woning aangetroffen. In een andere woning die in het onderzoek was betrokken werd op diezelfde dag een zogenoemd versnijdingspand aangetroffen, met daarin een grote hoeveelheid verdovende middelen.
2.3.
Over verzoekster zijn in de afgelopen vijf jaar geen relevante antecedenten in de politiesystemen vastgelegd. De zoon van verzoekster heeft in de afgelopen vijf jaar diverse antecedenten op zijn naam staan, waaronder een drugsdelict en het bezit van harddrugs. Verder is in de politiesystemen over de zoon van verzoekster vermeld dat hij veelvuldig door de politie is gecontroleerd met personen die antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet.
2.4.
Van de woning is in de afgelopen vijf jaar één bijzonderheid in de politiesystemen bekend. Op 3 september 2025 vond een verdachte situatie plaats bij de woning. Een aantal personen, bekend in het criminele circuit, werd gecontroleerd nadat zij agressief op de voordeur van de woning hadden gebonkt. Eén van de buurtbewoners heeft tegenover de wijkagent verklaard dat al een aantal jaren veel overlast wordt ervaren van de zonen van verzoekster en dat zij onder andere handelen in drugs op het adres. Het zou niet de eerste keer zijn dat er boze mensen bij de woning zijn geweest.
Waar gaat deze zaak om?
3. De burgemeester heeft het op grond van de bestuurlijke rapportage noodzakelijk geacht om de woning voor drie maanden te sluiten. De sluiting is gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet en de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022 (de Beleidslijn). Volgens de burgemeester is sprake van een ernstig geval. De burgemeester acht een sluiting van drie maanden daarom noodzakelijk om de openbare orde te herstellen en herhaling te voorkomen. Ook vindt de burgemeester het belangrijk om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken. Daarnaast wil de burgemeester met de sluiting een signaal afgeven aan de omgeving dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. De belangen van verzoekster en de pandeigenaar acht de burgemeester ondergeschikt aan de belangen die met de sluiting zijn gediend.
De burgemeester heeft toegezegd te zullen wachten met sluiten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Verzoekster is het met dit besluit niet eens. Zij wil met haar verzoek bereiken dat de woning open mag blijven totdat de burgemeester op haar bezwaren heeft beslist. Daartoe voert zij aan dat de burgemeester niet bevoegd was om te sluiten en (dus) ook niet van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. De sluiting is volgens verzoekster geen geschikt, noodzakelijk of evenwichtig middel om het beoogde doel, het herstel van de openbare orde en het voorkomen van herhaling, te bereiken. Gezien het tijdsverloop en het feit dat de drugs al op 16 september 2025 door de politie in beslag zijn genomen is aan de verboden situatie al een einde gemaakt. De sluiting dient daarom geen enkel doel meer. Verzoekster vindt ook dat haar van de aangetroffen situatie in de woning geen verwijt kan worden gemaakt. In de periode waar het hier om gaat verbleef zij in het buitenland. Zij had geen weet van de aanwezigheid van verdovende middelen in haar woning en heeft daar ook niets mee te maken. Haar zoon heeft zij inmiddels de toegang tot de woning ontzegd. Hij heeft een ernstig verslavingsprobleem, maar zal zeer binnenkort worden opgenomen in een afkickkliniek in het buitenland. Verzoekster ervaart veel stress van de voorgenomen sluiting. Haar huisarts heeft haar inmiddels kalmerende medicatie moeten voorschrijven. Zij woont al 40 jaar in deze woning en al die tijd hebben zich geen noemenswaardige problemen voorgedaan. Woonstad heeft inmiddels gedreigd met een buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst als de woning wordt gesloten. Dit betekent dat verzoekster onevenredig in haar belangen wordt geraakt. De sluiting krijgt zo een punitief karakter.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De sluiting heeft immers tot gevolg dat verzoekster drie maanden lang geen toegang heeft tot haar woning en al dan niet tijdelijk dakloos zal worden. Daarbij heeft Woonstad verzoekster aangezegd tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst te zullen overgaan als verzoekster de huur niet uit eigen beweging opzegt. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
6. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is de burgemeester bevoegd?
7. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen, indien in een lokaal een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is. Als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van 0,5 gram harddrugs (of minder) de aangetroffen hoeveelheid nog als een gebruikershoeveelheid kan worden gezien.
7.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in de woning 30,4 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne komt voor op lijst I van de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid betreft een ruime overschrijding van wat nog als een gebruikershoeveelheid wordt gedoogd. Verder zijn in de woning ook 16 patronen van .22 Remmington munitie en een kogelwerend vest aangetroffen. De burgemeester heeft daarom kunnen aannemen dat de drugs in de woning aanwezig waren voor de verkoop, aflevering en/of verstrekking in of vanuit de woning. De burgemeester is daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan (noodzaak)?
8. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Hij dient een belangenafweging te maken bij zijn beslissing of en op welke wijze hij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de Beleidslijn vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting over te gaan. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. Bij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt een onderscheid gemaakt tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting. [2]
Geschiktheid
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sluiting van de woning op zichzelf een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft, namelijk het herstel van de openbare orde, het wegnemen van de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit en het (verder) voorkomen van overtredingen in of vanuit de woning. Een sluiting is tevens een geschikt middel om een signaal af te geven aan de omgeving, en aan drugscriminelen, dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit.
10. Tijdsverloop tussen het constateren van de overtreding en het besluit van de burgemeester om tot sluiting over te gaan, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een sluiting worden gediend. [3] Van relevant tijdsverloop, zoals verzoekster stelt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen sprake. De constatering van de overtreding vond plaats op 16 september 2025. Op 22 september 2025 is hiervan een bestuurlijke rapportage opgemaakt, waarna de burgemeester op 2 oktober 2025 een voornemen tot sluiting aan verzoekster en Woonstad bekend heeft gemaakt. Op 14 oktober en 16 oktober 2025 hebben respectievelijk Woonstad en verzoekster hun zienswijze op dit voornemen gegeven. Op 22 oktober 2025 heeft de politie nog een aanvullende bestuurlijke rapportage uitgebracht. Vervolgens heeft de burgemeester op 25 november 2025 het bestreden besluit genomen. De voorzieningenrechter acht dit nog voldoende voortvarend. Het enkele feit dat de drugs in de woning al op 16 september 2025 door de politie in beslag zijn genomen, betekent niet dat het risico op herhaling is geweken en dat de sluiting daarom geen geschikt middel meer zou zijn.
Noodzaak
11. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester wel de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
12. De burgemeester hanteert bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet het beleid dat bij een ernstig geval in beginsel wordt overgegaan tot het sluiten van de woning, maar dat nadrukkelijk zal worden overwogen of kan worden volstaan met een laatste waarschuwing, waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding of sluiting van de woning nodig is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang of de drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op de handel in drugs in of vanuit het pand, zoals gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal.
Daarbij draagt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling aan de noodzaak voor een sluiting ook bij of het pand is gelegen in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. [4]
13. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester in het standpunt dat met de situatie die op 16 september 2025 werd aangetroffen sprake was van een ernstig geval. Daarbij is allereerst van belang dat in de woning een ruime (handels)hoeveelheid van 30,4 gram cocaïne is aangetroffen, in combinatie met 16 patronen van .22 remmington munitie en een kogelwerend vest. Dat laatste heeft verzoekster weliswaar betwist, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester heeft mogen uitgaan van de juistheid van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal gebaseerde bestuurlijke rapportage. De burgemeester heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van de drugs in combinatie met de overige aangetroffen goederen aannemelijk maakt dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel of in ieder geval betrokken is bij drugsgerelateerde criminaliteit.
14. Daarbij heeft de burgemeester van belang mogen achten dat de woning bij de politie in beeld is gekomen door meerdere (gedetailleerde) MMA-meldingen. Hoewel verzoekster kan worden nagegeven dat MMA-meldingen niet altijd objectief verifieerbaar zijn, neemt dat in dit geval niet weg dat het om concrete meldingen gaat en dat de situatie die de politie op 16 september 2025 heeft aangetroffen vrijwel geheel overeenkomt met wat in de MMA-meldingen zeer specifiek is omschreven. Namelijk dat het gaat om handel in (hard)drugs, door wie er wordt gehandeld, waar er wordt gehandeld en de manier waarop dit gebeurt. Daarbij is de bestuursrechtelijke pandsluiting een pandgebonden maatregel, waarop de strengere bewijsregels zoals die in het strafrecht gelden niet van toepassing zijn.
15. De burgemeester heeft op grond van de aangetroffen situatie in de woning, in combinatie met de MMA-meldingen, kunnen aannemen dat bij derden bekend is dat in of vanuit de woning verdovende middelen worden verhandeld. Daarbij is van belang dat de zoon van verzoekster op 16 september 2025 (op heterdaad) voor de deur van de woning is aangehouden vanwege drugshandel en dat van hem meerdere drugsgerelateerde registraties in de politiesystemen bekend zijn. De bekendheid van de woning bij (drugs)criminelen kan verder worden afgeleid uit wat omwonenden tegenover de politie hebben verklaard. Deze verklaringen geven ook blijk van loop op de woning en van (drugsgerelateerde) overlast. Naast de bekendheid van de woning in het criminele (drugs)circuit heeft de burgemeester bij de vraag of een sluiting noodzakelijk is tevens kunnen betrekken dat de woning is gelegen in een kwetsbare wijk die tevens is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
16. De burgemeester heeft daarmee voldoende gemotiveerd dat sluiting van de woning noodzakelijk is om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te herstellen en verdere herhaling te voorkomen en dat deze doelen niet enkel kunnen worden bereikt met het geven van een waarschuwing. De sluiting heeft in zoverre dan ook geen punitief karakter.
Evenwichtigheid
17. Naast de noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kon worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die hij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting ook de gevolgen daarvan betrekken.
18. De voorzieningenrechter is met de burgemeester van oordeel dat de situatie die op 16 september 2025 door de politie werd aangetroffen ernstig is te noemen. De burgemeester heeft immers in redelijkheid het vermoeden kunnen hebben dat er in of vanuit de woning in verdovende middelen werd gehandeld. Daarbij heeft verzoekster erkend dat zij wist van de verslavingsproblematiek van haar zoon. Zij had daarom kunnen vermoeden dat het overlaten van (de zorg voor) de woning aan haar zoon tijdens haar verblijf in het buitenland, zonder het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen, tot problemen zou kunnen leiden. Als hoofdhuurder van de woning is verzoekster te allen tijde verantwoordelijk voor wat er in de woning gebeurt. In dat licht bezien kan haar van de aantroffen situatie in de woning in zoverre een verwijt worden gemaakt.
19. De voorzieningenrechter ziet echter geen grond voor het oordeel dat de situatie in de woning verzoekster volledig kan worden toegerekend. Er is dus sprake van verminderde verwijtbaarheid. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting kan niet met zekerheid worden gesteld dat verzoekster wist, of had kunnen weten of vermoeden, dat haar zoon naast zijn verslavingsproblematiek ook daadwerkelijk in drugs handelde. De antecedenten van de zoon, zoals die in de terugkijkperiode in de politiesystemen bekend zijn, gaan over het bezit van harddrugs (op 5 februari en op 1 juli 2021) en een delict in de categorie ‘overige drugsdelicten’ (op 25 februari 2022) en dus niet over de handel in (hard)drugs. De MMA-melding van 9 mei 2021 gaat niet over handel vanuit de woning, maar vanuit de kelder naast de woning, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of verzoekster hiervan wist. Recent zijn er (slechts) twee MMA-meldingen van drugshandel in of vanuit de woning bekend, van 7 juli 2025 en 22 augustus 2025. Voor deze meldingen geldt echter dat de daarin beschreven incidenten hebben plaatsgevonden in de periode waarin verzoekster voor langere tijd in het buitenland verbleef. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat verzoekster hiervan geen weet had. Daarbij heeft verzoekster de objectiviteit van deze meldingen op de zitting in twijfel getrokken door te stellen dat beide meldingen afkomstig zijn van dezelfde ‘boze buurman’. Verder heeft zij verklaard dat zij nimmer rechtstreeks door Woonstad of door de politie (wijkagent) is benaderd over het (criminele) gedrag van haar zoon en de overlast rond de woning. Zij heeft nooit een brief van Woonstad gehad of een bezoek van de wijkagent. Bovendien hebben meerdere buren verklaard geen problemen te hebben met verzoekster en geen overlast van haar te hebben ervaren. Daarbij hebben de gemachtigden van de burgemeester op de zitting bevestigd dat hen geen nieuwe (meldingen van) incidenten bekend zijn sinds 16 september 2025. Verder staat buiten kijf dat verzoekster niet zelf betrokken is geweest bij de verboden activiteiten die in of vanuit de woning hebben plaatsgevonden.
20. De voorzieningenrechter laat ook zwaar meewegen dat verzoekster al het nodige heeft gedaan om het risico op herhaling van de verboden gebeurtenissen zoveel mogelijk te voorkomen. Zij heeft haar zoon inmiddels de toegang tot de woning ontzegd. Ook heeft zij het vliegticket betaald waarmee haar zoon op 22 december 2025 voor zes weken naar Zuid-Afrika zal vliegen, om daar in een afkickkliniek te worden behandeld. Tot slot weegt de voorzieningenrechter ook mee dat de kans reëel is dat verzoekster ook na de eventuele sluiting niet weer gebruik van de woning zal kunnen maken. Dit gelet op het door Woonstad uitgesproken voornemen om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden als de woning daadwerkelijk wordt gesloten. Bovendien is de verwachting dat verzoekster dan, na een woonduur van 40 jaar in dezelfde woning zonder incidenten, op een zwarte lijst zal worden geplaatst, waardoor zij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning zal kunnen huren in de regio. De voorzieningenrechter acht dit, ook gelet op de medische klachten van verzoekster, zoals die blijken uit de brief van de huisarts, zeer onwenselijk.
21. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verzoekster dient uit te vallen. Aan het belang van de burgemeester bij het afgeven van een signaal naar omwonenden van de woning komt daarom geen doorslaggevend gewicht toe.
22. Uit het voorgaande volgt dat bij afweging van alle betrokken belangen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen.

Conclusie en gevolgen

23. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 25 november 2025 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de woning open mag blijven tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.
23.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het betaalde griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 25 november 2025 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
De rechter is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook de aanvullende bestuurlijke rapportage van 22 oktober 2025.
2.zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
4.Zie ook de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.