ECLI:NL:RBROT:2025:15158
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens voldoende zelfredzaamheid
Verzoekster, een Surinaamse vrouw die sinds juni 2023 in Nederland verblijft met haar minderjarige zoon, vroeg om toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo nadat zij haar tijdelijke woonruimte bij een neef moest verlaten.
Het college wees de aanvraag af omdat verzoekster volgens hen voldoende zelfredzaam is en haar hulpvraag zich beperkt tot huisvesting, waarvoor de Wmo niet bedoeld is. Verzoekster stelde dat het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep niet zorgvuldig had doorlopen en dat haar zoon door de situatie in gevaar zou komen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd, dat verzoekster geen andere beperkingen dan huisvestingsproblemen heeft en dat de belangen van haar zoon voldoende zijn meegewogen. De rechter concludeerde dat verzoekster zelf verantwoordelijk is voor het regelen van onderdak en dat er geen grond is voor een voorlopige voorziening.
Het verzoek wordt daarom afgewezen en het college hoeft verzoekster niet toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens voldoende zelfredzaamheid van verzoekster.