Op 11 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010. De zaak betreft de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, die verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, die momenteel verblijft in een jeugdhulpinstelling, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar ook teruggevallen is in middelengebruik. De moeder van de minderjarige heeft verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging, waarbij zij haar zorgen over de hulpverlening heeft geuit. De kinderrechter heeft de argumenten van zowel de Raad als de moeder gehoord en geconcludeerd dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 28 maart 2026 en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter heeft ook aangegeven dat de samenwerking tussen de moeder en de GI van groot belang is voor het welzijn van de minderjarige.