ECLI:NL:RBROT:2025:15164

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/10/705298 / JE RK 25-1716
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

Op 11 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010. De zaak betreft de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht, die verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige te verlengen voor de duur van zes maanden. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige, die momenteel verblijft in een jeugdhulpinstelling, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, maar ook teruggevallen is in middelengebruik. De moeder van de minderjarige heeft verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging, waarbij zij haar zorgen over de hulpverlening heeft geuit. De kinderrechter heeft de argumenten van zowel de Raad als de moeder gehoord en geconcludeerd dat de verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 28 maart 2026 en verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. De kinderrechter heeft ook aangegeven dat de samenwerking tussen de moeder en de GI van groot belang is voor het welzijn van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/705298 / JE RK 25-1716
Datum uitspraak: 11 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Roos, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 18 september 2025 van deze rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het rapport van de Raad van 27 november 2025;
- het e-mailbericht van de moeder ontvangen op 10 december 2025.
1.2.
Op 11 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Hoewel eerder met de GI is afgesproken dat [minderjarige] op haar verzoek een online kindgesprek met de kinderrechter zou hebben, is dit gesprek wegens de bij [minderjarige] oplopende spanningen niet doorgegaan. De kinderrechter heeft aan het eind van de zitting de begeleider van [minderjarige] gebeld en de uitspraak medegedeeld.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een groep van [naam instelling] in Maasbracht.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 september 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 september 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 18 december 2025.

3.Het (aangehouden) verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 18 december 2025 is reeds beslist. Nu moet nog worden beslist over de periode tot 28 maart 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht deze nader toe. De afgelopen periode heeft [minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt maar is zij helaas ook teruggevallen in middelengebruik. [minderjarige] is daarnaast boos dat de Raad het verzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing handhaaft. De Raad begrijpt dat de moeder wil dat [minderjarige] de juiste hulpverlening ontvangt maar voor het inzetten van hulpverlening moet [minderjarige] zelf ook voldoende gemotiveerd zijn. Ondanks dat [minderjarige] al veel stappen in de goede richting heeft gezet, heeft zij nog meer tijd nodig om de positieve lijn voort te zetten.
4.2.
De GI stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. [minderjarige] heeft de afgelopen periode grote stappen gemaakt en is gestabiliseerd. [minderjarige] volgt dagbesteding, is rustiger geworden en is beter te begeleiden. Drugs- en alcoholgebruik zijn verminderd. Toch is er ook in de afgelopen weken een terugval in het gedrag van [minderjarige] geconstateerd. De GI verwacht dat dit te wijten is aan de spanningen die [minderjarige] ervaart over haar toekomstperspectief en de geplande zitting van vandaag. [minderjarige] is daarnaast een aantal dagen naar Italië geweest met het gezin waar de spanningen ook hoog zijn opgelopen. Positief is wel dat [minderjarige] goed in contact blijft met de begeleiding, met wie zij een klik heeft.
4.3.
Door en namens de moeder wordt ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De zorgen die de moeder eerder heeft geuit zijn genegeerd door de GI en de begeleiders bij [naam instelling] . [naam instelling] kan [minderjarige] niet voldoende helpen bij haar complexe problematiek. Inmiddels zijn we drie maanden verder en is er niks gebeurd. De psychische problemen van [minderjarige] zijn door een psychiater in Italië vastgesteld en de moeder vraagt zich af waarom die diagnose hier niets waard is. De moeder voelt zich niet serieus genomen. De moeder begrijpt heel goed dat [minderjarige] hulp nodig heeft en de hulpvraag van [minderjarige] overstijgt wat de moeder haar thuis kan bieden. De GI laat de in te zetten hulpverlening afhangen van wat [minderjarige] zelf wil. Dat is niet passend nu [minderjarige] op dit moment niets wil. Het is belangrijk dat er intensieve hulpverlening en passende behandelingen worden ingezet. De moeder ziet dat de hulpverlening stil komt te staan en verzoekt daarom om het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. De moeder hoopt dat intensieve hulpverlening bij haar thuis wel van de grond komt in het kader van de lopende ondertoezichtstelling. Indien het resterende deel van het verzoek toch wordt toegewezen, verzoekt de moeder om uitdrukkelijk te bepalen dat er stappen gezet moeten worden en dat de in te zetten hulpverlening niet enkel afhankelijk kan zijn van de wil van [minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De afgelopen periode heeft [minderjarige] een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Deze positieve ontwikkeling is echter nog pril, waardoor er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . Onlangs is [minderjarige] ook teruggevallen in het gebruik van verdovende middelen. Het is belangrijk om de prille positieve verandering voort te zetten, en daarvoor is de inzet van zowel haar netwerk als de hulpverlening en de GI vereist. De kinderrechter vindt het fijn om te horen dat de moeder zich hard inzet om passende hulpverlening voor [minderjarige] te realiseren. Tegelijkertijd is het zeer zorgelijk dat de moeder niet wil samenwerken met de GI. De GI wil net als de moeder dat het goed gaat met [minderjarige] . Het is overduidelijk dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en het beste wil voor [minderjarige] , maar het bemoeilijken van een samenwerking met de jeugdbescherming is niet de oplossing. Het belang van [minderjarige] wordt daarmee immers niet gediend. De kinderrechter wil ook dat het goed gaat met [minderjarige] en acht daarom een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De zorgen over [minderjarige] zijn immers nog altijd groot en het is van belang dat door middel van de inzet van passende hulpverlening in het gedwongen kader, duidelijkheid komt over de problematiek die speelt bij [minderjarige] . De kinderrechter geeft de GI en de moeder mee dat een verlenging van drie maanden niet hoeft te betekenen dat hieraan daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven. Het is uiteraard niet de bedoeling dat [minderjarige] langer dan noodzakelijk bij [naam instelling] verblijft. Op het moment dat er gedurende de komende drie maanden mogelijkheden zijn voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zal hiernaar door de GI gehandeld worden. Overleg over de informatie van de Italiaanse deskundigen kan eveneens zinvol zijn. Zoals door de kinderrechter ter zitting aangegeven zal de moeder deze informatie (nogmaals), vertaald in het Nederlands, aan de GI toesturen.
5.3.
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de verzochte duur, te weten tot 28 maart 2026.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 28 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.N. Laurensse als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.