De Raad voor de kinderbescherming verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds september 2025 onder toezicht staat en in een jeugdhulpinstelling verblijft. De kinderrechter hield op 11 december 2025 een zitting met gesloten deuren, waarbij de moeder met haar advocaat, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De vader was opgeroepen maar verscheen niet.
De minderjarige heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar is recent teruggevallen in het gebruik van verdovende middelen. De moeder betoogde dat de hulpverlening onvoldoende is afgestemd op de complexe problematiek van de minderjarige en dat de psychische diagnose uit Italië onvoldoende wordt erkend. De gecertificeerde instelling en de Raad benadrukten het belang van voortzetting van de uithuisplaatsing om de positieve lijn te consolideren.
De kinderrechter oordeelde dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Hoewel de moeder zich inzet voor passende hulpverlening, bemoeilijkt zij de samenwerking met de jeugdbescherming, wat het belang van de minderjarige niet dient. De beschikking tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 28 maart 2026 werd verleend en direct uitvoerbaar verklaard, met de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.