In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Rotterdam, is op 31 december 2025 een vonnis in kort geding gewezen. De eisende partijen, [eiser 1] en [eiser 2], hebben een vordering ingesteld tegen [gedaagde] met betrekking tot een executiegeschil. De voorzieningenrechter had eerder op 16 december 2025 een tussenvonnis gewezen, waarin werd overwogen dat [eiser 2] niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen. De zaak werd heropend naar aanleiding van een beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2025, die de vraag opriep of de notariële akte in dit geval een executoriale titel oplevert.
De vorderingen van [eiser 1] omvatten onder andere de opheffing van executoriale beslagen en de schorsing van de executie. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van [eiser 1] moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter concludeerde dat de notariële akte geen executoriale titel oplevert, omdat de vordering onvoldoende bepaald was. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vorderingen van [gedaagde] met voldoende bepaaldheid in de akte zijn omschreven, en dat de contractuele boete die aan [eiser 1] was opgelegd, niet afhankelijk was van onzekere, toekomstige gebeurtenissen.
Het vonnis eindigt met de veroordeling van [eisers] in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten zijn begroot op € 2.659,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving. Dit vonnis is uitgesproken door mr. P. de Bruin en is uitvoerbaar bij voorraad.