De zaak betreft een beschikking van de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam over een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen. De gecertificeerde instelling (GI) had reeds een ondertoezichtstelling verlengd tot 9 januari 2026 en verzocht om verlenging tot 9 september 2026.
De GI bracht in een briefrapportage naar voren dat er onvoldoende grond is voor verlenging van de maatregel. Ter zitting bevestigde de GI dat het goed gaat met de moeder en de kinderen, die wonen bij de moeder. De moeder ontvangt opvoedondersteuning en er is een goede samenwerking met het wijkteam en betrokken instanties. Ook heeft de moeder de zorgen vanuit school adequaat opgepakt.
De moeder en de GI waren het erover eens dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is. De kinderrechter complimenteerde de moeder met haar inzet en constateerde dat de moeder zelfstandig de weg naar verdere hulpverlening kan vinden. De kinderrechter oordeelde dat het beëindigen van een ondertoezichtstelling beoordeeld moet worden door de Raad voor de Kinderbescherming of de kinderrechter. Omdat de GI het plan om het verzoek niet te handhaven niet bij de Raad had getoetst, kwam de zaak alsnog voor de rechter.
Gelet op de feiten en de instemming van partijen wees de kinderrechter het verzoek tot verlenging af. De beschikking is op 23 december 2025 in het openbaar uitgesproken en op 5 januari 2026 schriftelijk vastgesteld. Tegen deze eindbeslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.