Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker
de burgemeester van Rotterdam
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Rotterdam.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt vast dat er blijkens de bestuurlijke rapportage ter plaatse geen indicatief onderzoek is gedaan naar deze aangetroffen goederen, maar dat deze goederen direct naar de Forensische Opsporing van de politie zijn gegaan. Het resultaat van dit onderzoek bevindt zich dan ook nog niet in het dossier. Het staat de burgemeester vrij om de resultaten van dit onderzoek mee te wegen in de volledige heroverweging in bezwaar. Hetgeen verzoeker hieromtrent heeft aangevoerd, baat hem echter niet, nu zowel op
4 oktober 2025 als op 6 november 2025 in ieder geval een overschrijding van de handelshoeveelheid drugs in de woning van verzoeker is aangetroffen, waardoor de burgemeester in beginsel aannemelijk mocht achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat er op dat moment ook attributen (gripzakjes) zijn aangetroffen die kunnen wijzen op handel in of vanuit de woning. Dat op dat moment niet is geconstateerd dat er drugs vanuit de woning werden verhandeld, is niet relevant. Verder mocht de burgemeester daarbij de eerder opgemaakte bestuurlijke rapportages betrekken.
Ook de aanwezige voorwerpen duiden er op dat de harddrugs niet (alleen) aanwezig waren voor eigen gebruik. Dat verzoeker deze gripzakjes gebruikt voor horlogeonderdelen zoals hij op de zitting heeft aangevoerd, heeft hij niet verder (met stukken of op een andere manier) aannemelijk gemaakt.
De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de burgemeester eerder aan verzoeker een bestuurlijke waarschuwing heeft opgelegd. Na de bestuurlijke waarschuwing heeft de burgemeester nog (zeker) tweemaal een overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geconstateerd.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken.
- Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden. Deze termijn is nodig om de geschonden openbare orde te herstellen en de overige doelen te bereiken die met de sluiting worden voorgestaan.Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van maximaal zes maanden.
- Indien binnen drie jaar na de datum van de constatering door de politie in hetzelfde pand opnieuw sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet, wordt het pand in beginsel gesloten voor zes maanden.
14 augustus 2025 vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Omdat door de politie is geconstateerd dat in dezelfde woning opnieuw, tot tweemaal toe, is geconstateerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet wordt de woning in beginsel gesloten voor de duur van zes maanden.
vrijdagochtend 9 januari 2026, om
10:00 uur.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
vrijdag 9 januari 2026om
10:00 uur, in afwachting van het besluit op bezwaar;