13.2.Verzoeker heeft verder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren.
Er is bij een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid in beginsel geen sprake van een overtreding als de rechthebbende een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik, er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen.
In de bestuurlijke rapportages en in de overige processen-verbaal die zijn opgemaakt door de politie heeft de politie echter meermaals gewezen op de meldingen over in- of uitloop van de woning en daarbij gepaard gaande overlast. Het is daarnaast bij de politie ambtshalve bekend dat de (vermoedelijke) dealer en de in de woning aangetroffen vrouw ook vaak de woning in- en uitlopen. Verder zijn meermaals basepijpjes, weegschaaltjes (met daarop residu) en gripzakjes aangetroffen. Deze omstandigheden en aangetroffen voorwerpen kunnen wijzen op drugshandel in of vanuit de woning.
De voorzieningenrechter kan het betoog van verzoeker dat enkel sprake is van eigen gebruik in dat licht dus niet volgen.
14. Verzoeker heeft geen gronden gericht tegen de geschiktheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter constateert dat in deze zaak na de bestuurlijke waarschuwing van 14 augustus 2025 (eveneens in verband met het aantreffen van harddrugs (in totaal 5 gram cocaïne) en (13,9 gram) hasjiesj in de woning) vrijwel geen tijdsverloop speelt waardoor de burgemeester tot het besluit had moeten komen dat zij had moeten afzien van het sluiten van de woning omdat de beoogde doelen al zijn bereikt. Een sluiting kan in dit geval daarom als geschikt worden gezien.
15. Verzoeker stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de sluiting niet noodzakelijk is. De aangetroffen drugs waren voor eigen gebruik en ook de aangetroffen attributen duiden daarop. De politie heeft geen enkele keer in de bestuurlijke rapportages benoemd dat is gezien dat is gedeald vanuit de woning. De aanloop op de woning heeft verder ook niets met drugshandel te maken. Verzoeker krijgt gewoonweg veel visite en met sommigen van hen gebruikt hij weleens drugs. Dit leidt niet tot overlast. De woonomgeving wordt hierdoor niet nadelig beïnvloed.
16. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
17. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten en niet gehouden was te volstaan met (nog) een waarschuwing.
Met de burgemeester is de voorzieningenrechter van oordeel dat hier sprake is van een ernstig geval. In de woning is meerdere malen een overschrijding van de gebruikers-hoeveelheid harddrugs aangetroffen en daarbij zijn tevens attributen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel, zoals weegschaaltjes, gripzakjes, contant geld en een alarmpistool. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad de aanwezigheid van een wapen of een voor afdreiging geschikt voorwerp als een indicatie voor drugshandel kan worden beschouwd.
Ook de aanwezige voorwerpen duiden er op dat de harddrugs niet (alleen) aanwezig waren voor eigen gebruik. Dat verzoeker deze gripzakjes gebruikt voor horlogeonderdelen zoals hij op de zitting heeft aangevoerd, heeft hij niet verder (met stukken of op een andere manier) aannemelijk gemaakt.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat de woning de aandacht heeft van de politie vanwege de overlast die vanuit het pand wordt ervaren en vanwege de vele meldingen die de politie heeft ontvangen over de loop van verschillende mensen op de woning. De gevonden attributen en de loop zijn indicaties dat vanuit de woning drugs worden verhandeld en dat de woning deel uitmaakt van het criminele circuit.
Uit het dossier blijkt verder dat bij verzoeker, volgens zijn eigen verklaring, personen op bezoek komen, met wie hij gezamenlijk in de woning drugs gebruikt. Omdat gebruikers van drugs de woning weten te vinden, duidt dit er op dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel.
De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de burgemeester eerder aan verzoeker een bestuurlijke waarschuwing heeft opgelegd. Na de bestuurlijke waarschuwing heeft de burgemeester nog (zeker) tweemaal een overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geconstateerd.
Tot slot heeft de burgemeester mee mogen laten wegen dat de woning ligt in een kwetsbare wijk, die bovendien is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten.
18. Verzoeker stelt dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Tot enige tijd geleden werkte verzoeker als kapitein op de binnenvaart. Op dit moment zit verzoeker in de Ziektewet en heeft hij psychische en ernstige lichamelijke klachten. Verzoeker heeft een slaapstoornis, suikerziekte fase 2, een hoge bloeddruk, een te hoge cholesterolwaarde en obesitas. Hiervoor is hij onder behandeling van de huisarts. Ook is de moeder van verzoeker recent overleden. Verzoeker woont al ruim 17 jaar in de woning en een sluiting zal voor de particuliere verhuurder reden zijn om de buitengerechtelijke ontbinding in te roepen. Verzoeker zal hierdoor niet snel een nieuwe woonruimte kunnen vinden, omdat hij geen positieve verhuurdersverklaring kan krijgen.
19. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient zij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden.
Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
20. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De burgemeester heeft meer gewicht mogen toekennen aan het herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning dan aan het belang van verzoeker om in de woning te kunnen blijven wonen.
Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat de verhuurder heeft aangekondigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te gaan ontbinden en dat dit er toe kan leiden dat verzoeker ook na de sluiting van de woning niet meer terug kan naar zijn woning, maakt evenmin dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Verzoeker kan zich in een civiele procedure verweren teneinde een mogelijke gerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen.
Ook de stelling van verzoeker ter zitting dat hij op de ‘zwarte lijst’ van de woning-corporaties zal worden geplaatst en niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor sociale huur volgt de voorzieningenrechter niet, nu het hier gaat om particuliere verhuur en de woning geen corporatiewoning betreft.
Voor zover verzoeker wil betogen dat hij verminderd verwijtbaar is voor wat zich in de woning heeft afgespeeld, volgt de voorzieningenrechter dit betoog evenmin. Verzoeker blijft ten alle tijden verantwoordelijk voor wat zich in zijn woning afspeelt.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b Opiumwet blijkt dat dat artikel een pandgerichte aanpak betreft. Dit betekent dat de wetgever heeft bedoeld de sluitingsbevoegdheid te koppelen aan hetgeen in een pand aan aanwezige stoffen en voorwerpen is aangetroffen. Het maakt dus niet uit dat de drugs op de persoon van een derde (de vrouw) werden aangetroffen.
Ook de medische omstandigheden van verzoeker maken niet dat de sluiting onevenwichtig is. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn medische problemen uitsluitend op deze specifieke woning is aangewezen.
21. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester mogen besluiten om de woning van verzoeker te sluiten. De vraag die nu nog voorligt is of de burgemeester heeft mogen besluiten om de woning voor de duur van 6 maanden te sluiten of dat zij tot een kortere sluitingsperiode had moeten besluiten.