ECLI:NL:RBROT:2025:15357

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/9979
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens overtreding artikel 13b Opiumwet

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om zijn woning voor zes maanden te sluiten wegens overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester baseerde het besluit op meerdere bestuurlijke rapportages waarin drugs en attributen die duiden op handel werden aangetroffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat er handelshoeveelheden drugs zijn aangetroffen, waaronder cocaïne, MDMA en hennep, en dat attributen zoals gripzakjes en weegschaaltjes wijzen op drugshandel. Verzoeker heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de drugs uitsluitend voor eigen gebruik waren.

Gezien de onduidelijkheid over de aard van de aangetroffen cocaïne en het ontbreken van forensisch onderzoek op dat punt, wordt het besluit geschorst voor wat betreft de duur van zes maanden. De woning mag voorlopig voor drie maanden worden gesloten, conform het beleid van de burgemeester. De voorzieningenrechter acht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig, ondanks de persoonlijke omstandigheden van verzoeker.

De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is bindend voor de bodemprocedure en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: De woning wordt voorlopig voor drie maanden gesloten in plaats van zes maanden vanwege onduidelijkheid over de aangetroffen cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/9979

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. E.B. Jobse),
en

de burgemeester van Rotterdam

(gemachtigde: mr. S.A. de Roo en mr. A. Wintjes).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Rotterdam.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend tegen de sluiting van zijn woning voor de duur van zes maanden vanwege een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het niet met de sluiting van zijn woning eens.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek gedeeltelijk toe.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onduidelijkheid met betrekking tot de (vermoedelijk) aangetroffen cocaïne maakt dat de woning vooralsnog voor de duur van drie maanden gesloten mag worden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 december 2025 heeft de burgemeester de woning van verzoeker gesloten door de duur van zes maanden. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De derde-partij heeft een nader stuk ingebracht. Verzoeker heeft ook een nader stuk ingebracht.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigden van de burgemeester en de derde partij.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker woont in de woning aan de [adres] (de woning). De woning betreft een benedenwoning. Verzoeker is huurder van deze woning.
[naam] is eigenaar van de woning.
4. De burgmeester heeft de volgende bestuurlijke rapportages ontvangen van de politie, waarop zij haar besluitvorming heeft gebaseerd.
4.1.
De politie heeft in de bestuurlijke rapportage van 7 oktober 2025 opgenomen dat de politie op 3 oktober 2025 belast was met een actie welke zich focuste op een ambtshalve bekende dealer die vanuit en rondom de woning handelt in drugs. Op 4 oktober 2025 is de politie de woning binnengegaan om de dealer aan te houden en de woning te doorzoeken.
In de woning werden verzoeker en twee andere personen aangetroffen terwijl zij drugs aan het gebruiken waren. In de woning zijn 2 gram hennep (en een joint), 4 XTC pillen en
1,1 gram cocaïne base (crack) gevonden. Ook is in de woning een alarmpistool, een jas van de Douane, meerdere weegschaaltjes, basepijpjes en € 600,- contant geld gevonden.
4.2.
De politie heeft in de bestuurlijke rapportage van 9 november 2025 opgenomen dat de politie op 6 november 2025 een actie heeft gehouden gericht op een dealer en een vrouw die hem hielp. Tijdens de actie zijn meerdere ‘schepklanten’ aangehouden welke geheel, deels of niet verklaarden hun drugs te kopen bij die specifieke dealer. De politie heeft waargenomen dat de dealer en de vrouw telkens de woning in- en uitlopen. De politie heeft vervolgens de woning betreden en daar de dealer, de vrouw en verzoeker aangetroffen. In onder andere de keuken en op het lichaam van de vrouw zijn vermoedelijk drugs aangetroffen. Ook heeft de politie meerdere dozen gevonden met daarin ongebruikte blauwe gripzakjes, telefoons, simkaarten en patronen.
De politie heeft in de bestuurlijke rapportage opgenomen dat in de woonkamer in totaal 2,0 gram cocaïne base (crack) en 15,8 gram hasjiesj is gevonden. In de keuken is vermoedelijk 28,6 en 66,2 gram cocaïne gevonden, 46,8 gram vermoedelijk heroïne en 213,4 gram van een onbekende stof. Op het lichaam van de vrouw is 32,7 gram vermoedelijk cocaïne base (crack) gevonden. Verzoeker heeft aan de politie verklaard dat de drugs in de woonkamer voor eigen gebruik waren. De vrouw heeft verklaard dat de drugs die bij haar zijn aangetroffen door de dealer naar haar werden gegooid op het moment van het binnentreden van de politie. Ook heeft zij verklaard dat er meerdere personen in de woning waren geweest die avond om drugs te kopen bij de dealer en dat de dealer in de keuken van de woning cocaïne kookt om daar cocaïne base (crack) van te maken. Verzoeker zou hiervoor drugs krijgen als vergoeding.
5. Nadat de burgemeester op 30 oktober 2025 een voornemen had uitgebracht waarin zij had aangegeven voornemens te zijn de woning te sluiten voor de duur van drie maanden, heeft de burgemeester met het bestreden besluit van 3 december 2025 de woning gesloten voor de duur van zes maanden. De burgemeester heeft daaraan de bestuurlijke rapportage van 7 oktober 2025 ten grondslag gelegd waarbij verschillende goederen zijn aangetroffen. Na het wegen en het testen van verdovende middelen blijkt het om 1,3 gram MDMA,
1,1 gram cocaïne en 2 gram hennep te gaan.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit van 3 december 2025 ook de gebeurtenissen zoals omschreven in de bestuurlijke rapportage van 9 november 2025 meegenomen.
Na het wegen en het testen van de aangetroffen middelen bleek dat bij die actie 32,8 gram cocaïne is aangetroffen, alsmede 37,3 gram sodacarbinaat, 62,7 gram poedersuiker, 42,5 gram bloem en 220,8 gram waarvoor geen indicatie voor drugs is.
De burgemeester acht het op grond van deze beide bestuurlijke rapportages noodzakelijk en evenwichtig om de woning te sluiten voor de duur van 6 maanden.
6. Uit het dossier blijkt verder dat de volgende gebeurtenissen en omstandigheden aan de besluitvorming vooraf zijn gegaan.
6.1.
In de bestuurlijke rapportage van de politie van 27 juni 2025 heeft de politie opgenomen dat op 8 juni 2025 in de woning van verzoeker in totaal 5 gram cocaïne is gevonden. Ook heeft de politie een elektrische fiets die van diefstal afkomstig is aangetroffen in de woning. Ook hebben politieambtenaren drie weegschaaltjes met residu en 13,9 gram (vermoedelijk) hasjiesj gevonden.
De aanleiding voor het binnentreden van de woning betrof een aanhouding van twee personen die uit de woning kwamen en later zijn aangehouden met 32 gripzakjes (in één grotere gripzak) met daarin cocaïne base (crack) met een bruto gewicht van 11 gram.
De gripzakjes die in de woning zijn aangetroffen hebben dezelfde uiterlijke kenmerken als de gripzakjes die een van de aangehouden personen bij zich had en weggooide.
Verzoeker heeft verklaard dat hij zulke lege gripzakjes gebruikt voor horlogeonderdelen.
Verzoeker heeft verder verklaard dat de harddrugs op de tafel van hem waren. Verzoeker heeft ontkend dat er gehandeld wordt in drugs vanuit zijn woning, wel zou er vaak visite langskomen en met sommigen van hen zou hij ook harddrugs gebruiken.
6.2.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage van 27 juni 2025 heeft de burgemeester op 14 augustus 2025 een bestuurlijke waarschuwing gegeven aan verzoeker. In de waarschuwingsbrief staat vermeld dat indien opnieuw sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet, de burgemeester kan overgaan tot een sluiting van de woning voor de duur van zes maanden.
6.3.
In de bestuurlijke rapportage van 9 september 2025 heeft de politie melding gedaan dat zij sinds enkele weken weer meerdere signalen van omwonenden hebben ontvangen vanwege overlast uit de woning. De overlast zou bestaan uit veel in- en uitloop van meerdere personen en mogelijke handel in drugs. De politie heeft zelf ook eigen bevindingen die de signalen van de omwonenden bevestigen. Op 6 september 2025 hield de politie de in- en uitloop van de woning in de gaten. Er was te zien dat enkele keren verschillende personen aanbelden bij de woning en dat één man (niet zijnde verzoeker, maar de vermoedelijke ‘dealer’) de deur opende. Op een gegeven moment ziet de politie dat een ambtshalve bekende gebruiker van verdovende middelen in een portiek zit op de Weverhoekstraat. Tegelijkertijd ziet de politie dat de vermoedelijke dealer de woning verliet en richting de Weverhoekstraat liep. Enkele momenten later treft de politie beide mannen aan in een portiek aan de Weverhoekstraat. Beiden worden aangehouden. Op de locatie worden drie gripzakjes met cocaïne base (crack) van in totaal 2,9 gram, aangetroffen.
Deze drie gripzakjes hebben dezelfde uiterlijke kenmerken als de gripzakjes die op 8 juni 2025 zijn aangetroffen in de woning. De politie is vervolgens naar de woning gegaan.
In de woning is vervolgens een fiets aangetroffen die als gestolen gesignaleerd stond.
Daarnaast werden in de woning meerdere gebruikte gripzakjes aangetroffen, waarvan enkele dezelfde uiterlijke kenmerken hadden als de gripzakjes welke bij de ‘vermoedelijke dealer’ werden aangetroffen. Ook werden er twee basepijpjes aangetroffen. Verzoeker was nog niet gehoord op het moment van het opmaken van deze bestuurlijke rapportage.
Waar gaat het in deze zaak om?
7. Verzoeker is het niet eens met de sluiting van zijn woning. Hij wil met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat zijn woning niet wordt gesloten.
De burgemeester heeft toegezegd te wachten met het sluiten van de woning totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
8. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij het voeren van deze procedure, omdat hij dreigt de toegang tot zijn woning te verliezen.
De toepasselijke regels
9. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang in de vorm van sluiting van een woning, indien in die woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
10. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning.
De bevoegdheid van de burgemeester om de woning te sluiten
11. Verzoeker stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de burgemeester niet bevoegd is om de woning te sluiten. De drugs die zijn aangetroffen bij de vrouw, zoals beschreven in de bestuurlijke rapportage van 9 november 2025, zijn niet bij verzoeker aangetroffen, maar bij een derde die in zijn woning aanwezig was. Verzoeker stelt dat hij van de aanwezigheid van deze drugs niets afweet. Daarnaast zijn deze drugs ook niet getest bij het NFI (Nederlands Forensisch Instituut). Dit betekent volgens verzoeker dat bij elkaar opgeteld slechts 2,4 gram harddrugs en 2 gram hennep in zijn woning is aangetroffen. Verzoeker had deze drugs in huis voor eigen gebruik. Verzoeker stelt dat hij niets afweet van het verhandelen van drugs door de derde onbekende man die weleens in zijn woning kwam. Verzoeker verwijst verder naar de bestuurlijke rapportage van 7 oktober 2025, waaruit blijkt dat er twee personen in de woning zijn aangetroffen die aan het gebruiken waren. Ook dit duidt op het eigen gebruik van verzoeker.
12. De burgemeester is in beginsel bevoegd om een woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Bij harddrugs is er sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. Bij een geringe overschrijding van die grens kan er nog sprake zijn van eigen gebruik. Verzoeker zal dat dan aannemelijk moeten maken.
13.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de bevoegdheid voor de burgemeester om de woning te sluiten aanwezig was.
Vast staat dat in ieder geval op 4 oktober 2025 1,3 gram MDMA, 1,1 gram cocaïne en
2 gram hennep is aangetroffen in de woning. Deze aangetroffen hoeveelheden betreffen een overschrijding van de grens die geldt voor eigen gebruik.
Vervolgens is op 6 november 2025 32,7 gram (vermoedelijk) cocaïne base (crack) bij de vrouw aangetroffen terwijl zij in de woning van verzoeker was. In de woonkamer van de woning is in totaal 2,0 gram (vermoedelijk) cocaïne base (crack) aangetroffen, waarover verzoeker heeft verklaard dat die voor eigen gebruik is, en is in de keuken van de woning in totaal 104, 4 gram (vermoedelijk) cocaïne, 46,8 gram (vermoedelijk) heroïne en 213,4 gram van een onbekende stof aangetroffen. De hoeveelheid van 2,0 gram (vermoedelijk) cocaïne, waarover verzoeker heeft verklaard dat die hoeveelheid voor eigen gebruik is, betreft eveneens een overschrijding van de grens die geldt voor eigen gebruik.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er blijkens de bestuurlijke rapportage ter plaatse geen indicatief onderzoek is gedaan naar deze aangetroffen goederen, maar dat deze goederen direct naar de Forensische Opsporing van de politie zijn gegaan. Het resultaat van dit onderzoek bevindt zich dan ook nog niet in het dossier. Het staat de burgemeester vrij om de resultaten van dit onderzoek mee te wegen in de volledige heroverweging in bezwaar. Hetgeen verzoeker hieromtrent heeft aangevoerd, baat hem echter niet, nu zowel op
4 oktober 2025 als op 6 november 2025 in ieder geval een overschrijding van de handelshoeveelheid drugs in de woning van verzoeker is aangetroffen, waardoor de burgemeester in beginsel aannemelijk mocht achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat er op dat moment ook attributen (gripzakjes) zijn aangetroffen die kunnen wijzen op handel in of vanuit de woning. Dat op dat moment niet is geconstateerd dat er drugs vanuit de woning werden verhandeld, is niet relevant. Verder mocht de burgemeester daarbij de eerder opgemaakte bestuurlijke rapportages betrekken.
Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten. Daar komt bij dat een woningsluiting een pandgerichte maatregel is, waardoor aan de omstandigheid, dat de (vermoedelijke) drugs niet bij verzoeker of elders in de woning zijn aangetroffen, niet die waarde kan worden gehecht die verzoeker daaraan wenst te hechten.
13.2.
Verzoeker heeft verder naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs voor eigen gebruik waren.
Er is bij een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid in beginsel geen sprake van een overtreding als de rechthebbende een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik, er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen. [1]
In de bestuurlijke rapportages en in de overige processen-verbaal die zijn opgemaakt door de politie heeft de politie echter meermaals gewezen op de meldingen over in- of uitloop van de woning en daarbij gepaard gaande overlast. Het is daarnaast bij de politie ambtshalve bekend dat de (vermoedelijke) dealer en de in de woning aangetroffen vrouw ook vaak de woning in- en uitlopen. Verder zijn meermaals basepijpjes, weegschaaltjes (met daarop residu) en gripzakjes aangetroffen. Deze omstandigheden en aangetroffen voorwerpen kunnen wijzen op drugshandel in of vanuit de woning.
De voorzieningenrechter kan het betoog van verzoeker dat enkel sprake is van eigen gebruik in dat licht dus niet volgen.
Geschiktheid
14. Verzoeker heeft geen gronden gericht tegen de geschiktheid van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter constateert dat in deze zaak na de bestuurlijke waarschuwing van 14 augustus 2025 (eveneens in verband met het aantreffen van harddrugs (in totaal 5 gram cocaïne) en (13,9 gram) hasjiesj in de woning) vrijwel geen tijdsverloop speelt waardoor de burgemeester tot het besluit had moeten komen dat zij had moeten afzien van het sluiten van de woning omdat de beoogde doelen al zijn bereikt. Een sluiting kan in dit geval daarom als geschikt worden gezien. [2]
Noodzaak
15. Verzoeker stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de sluiting niet noodzakelijk is. De aangetroffen drugs waren voor eigen gebruik en ook de aangetroffen attributen duiden daarop. De politie heeft geen enkele keer in de bestuurlijke rapportages benoemd dat is gezien dat is gedeald vanuit de woning. De aanloop op de woning heeft verder ook niets met drugshandel te maken. Verzoeker krijgt gewoonweg veel visite en met sommigen van hen gebruikt hij weleens drugs. Dit leidt niet tot overlast. De woonomgeving wordt hierdoor niet nadelig beïnvloed.
16. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [3]
17. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten en niet gehouden was te volstaan met (nog) een waarschuwing.
Met de burgemeester is de voorzieningenrechter van oordeel dat hier sprake is van een ernstig geval. In de woning is meerdere malen een overschrijding van de gebruikers-hoeveelheid harddrugs aangetroffen en daarbij zijn tevens attributen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met drugshandel, zoals weegschaaltjes, gripzakjes, contant geld en een alarmpistool. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad de aanwezigheid van een wapen of een voor afdreiging geschikt voorwerp als een indicatie voor drugshandel kan worden beschouwd.
Ook de aanwezige voorwerpen duiden er op dat de harddrugs niet (alleen) aanwezig waren voor eigen gebruik. Dat verzoeker deze gripzakjes gebruikt voor horlogeonderdelen zoals hij op de zitting heeft aangevoerd, heeft hij niet verder (met stukken of op een andere manier) aannemelijk gemaakt.
Daarnaast blijkt uit het dossier dat de woning de aandacht heeft van de politie vanwege de overlast die vanuit het pand wordt ervaren en vanwege de vele meldingen die de politie heeft ontvangen over de loop van verschillende mensen op de woning. De gevonden attributen en de loop zijn indicaties dat vanuit de woning drugs worden verhandeld en dat de woning deel uitmaakt van het criminele circuit.
Uit het dossier blijkt verder dat bij verzoeker, volgens zijn eigen verklaring, personen op bezoek komen, met wie hij gezamenlijk in de woning drugs gebruikt. Omdat gebruikers van drugs de woning weten te vinden, duidt dit er op dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel.
De voorzieningenrechter neemt verder in aanmerking dat de burgemeester eerder aan verzoeker een bestuurlijke waarschuwing heeft opgelegd. Na de bestuurlijke waarschuwing heeft de burgemeester nog (zeker) tweemaal een overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geconstateerd.
Tot slot heeft de burgemeester mee mogen laten wegen dat de woning ligt in een kwetsbare wijk, die bovendien is aangewezen als veiligheidsrisicogebied.
De voorzieningenrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de burgemeester de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig heeft mogen achten.
Evenwichtigheid
18. Verzoeker stelt dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. Tot enige tijd geleden werkte verzoeker als kapitein op de binnenvaart. Op dit moment zit verzoeker in de Ziektewet en heeft hij psychische en ernstige lichamelijke klachten. Verzoeker heeft een slaapstoornis, suikerziekte fase 2, een hoge bloeddruk, een te hoge cholesterolwaarde en obesitas. Hiervoor is hij onder behandeling van de huisarts. Ook is de moeder van verzoeker recent overleden. Verzoeker woont al ruim 17 jaar in de woning en een sluiting zal voor de particuliere verhuurder reden zijn om de buitengerechtelijke ontbinding in te roepen. Verzoeker zal hierdoor niet snel een nieuwe woonruimte kunnen vinden, omdat hij geen positieve verhuurdersverklaring kan krijgen.
19. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient zij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel.
Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden.
Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
20. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De burgemeester heeft meer gewicht mogen toekennen aan het herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning dan aan het belang van verzoeker om in de woning te kunnen blijven wonen.
Inherent aan de sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat de verhuurder heeft aangekondigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te gaan ontbinden en dat dit er toe kan leiden dat verzoeker ook na de sluiting van de woning niet meer terug kan naar zijn woning, maakt evenmin dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Verzoeker kan zich in een civiele procedure verweren teneinde een mogelijke gerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen.
Ook de stelling van verzoeker ter zitting dat hij op de ‘zwarte lijst’ van de woning-corporaties zal worden geplaatst en niet meer in aanmerking zou kunnen komen voor sociale huur volgt de voorzieningenrechter niet, nu het hier gaat om particuliere verhuur en de woning geen corporatiewoning betreft.
Voor zover verzoeker wil betogen dat hij verminderd verwijtbaar is voor wat zich in de woning heeft afgespeeld, volgt de voorzieningenrechter dit betoog evenmin. Verzoeker blijft ten alle tijden verantwoordelijk voor wat zich in zijn woning afspeelt.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b Opiumwet blijkt dat dat artikel een pandgerichte aanpak betreft. Dit betekent dat de wetgever heeft bedoeld de sluitingsbevoegdheid te koppelen aan hetgeen in een pand aan aanwezige stoffen en voorwerpen is aangetroffen. Het maakt dus niet uit dat de drugs op de persoon van een derde (de vrouw) werden aangetroffen.
Ook de medische omstandigheden van verzoeker maken niet dat de sluiting onevenwichtig is. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn medische problemen uitsluitend op deze specifieke woning is aangewezen.
21. Gelet op het voorgaande heeft de burgemeester mogen besluiten om de woning van verzoeker te sluiten. De vraag die nu nog voorligt is of de burgemeester heeft mogen besluiten om de woning voor de duur van 6 maanden te sluiten of dat zij tot een kortere sluitingsperiode had moeten besluiten.
22.1
De voorzieningenrechter neemt in aanmerking het beleid van de burgemeester om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester overgaat tot sluiting van een woning.
  • Voor woningen wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van drie maanden. Deze termijn is nodig om de geschonden openbare orde te herstellen en de overige doelen te bereiken die met de sluiting worden voorgestaan.Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van maximaal zes maanden.
  • Indien binnen drie jaar na de datum van de constatering door de politie in hetzelfde pand opnieuw sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet, wordt het pand in beginsel gesloten voor zes maanden.
22.2
Ter zitting heeft de burgemeester toegelicht dat zij in het bestreden besluit voor wat betreft de duur van de sluiting is uitgegaan van de twee bestuurlijke rapportages van
7 oktober 2025 en 9 november 2025, die zijn gevolgd op de bestuurlijke waarschuwing van
14 augustus 2025 vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. Omdat door de politie is geconstateerd dat in dezelfde woning opnieuw, tot tweemaal toe, is geconstateerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet wordt de woning in beginsel gesloten voor de duur van zes maanden.
22.3
De voorzieningenrechter constateert dat deze constateringen voor het bestreden besluit hebben plaatsgevonden, waarvan een van deze overtredingen na het door de burgemeester uitgebrachte voornemen om de woning te sluiten voor 3 maanden.
Gelet daarop kan nog niet worden gesproken van recidive in de zin van het beleid.
Ook ten aan zien van de aangetroffen hoeveelheden drugs in de woning kan niet worden gesproken van een zeer ernstige situatie die een sluiting van 6 maanden rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat in de bestuurlijke rapportage van 9 november 2025 staat vermeld dat door de politie geen indicatief onderzoek middels de Trunarc is gedaan naar de aangetroffen (vermoedelijke) drugs in de woning. Dit betekent dat (nog) niet vast is komen te staan dat de in de woonkamer en keuken aangetroffen goederen harddrugs zijn. In het bestreden besluit wordt hier wel van uitgegaan.
22.4
Gelet op de onduidelijkheid, die er op dit moment nog bestaat, of sprake is van een (nieuwe ernstige) situatie als bedoeld in artikel 13b Opiumwet en dus van recidive, ziet de voorzieningenrechter aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit moet worden geschorst voor wat betreft de sluitingsduur van de woning en dat de woning overeenkomstig de uitgangspunten in het beleid mag worden gesloten voor een sluitingsduur van drie maanden.
Indien de resultaten van het Forensisch Onderzoek daartoe aanleiding geven, kan de burgemeester na de heroverweging in bezwaar alsnog besluiten tot een sluiting van de woning voor een langere periode, gelet op de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden.
22.5
Dit betekent dat de burgemeester de woning van verzoeker dus vooralsnog mag sluiten voor de duur van drie maanden, overeenkomstig het door haar uitgebrachte voornemen. Om verzoeker voldoende gelegenheid te geven om zaken te kunnen regelen voor de komende drie maanden, mag de burgemeester de woning niet eerder sluiten dan op
vrijdagochtend 9 januari 2026, om
10:00 uur.

Conclusie en gevolgen

23. De voorzieningenrechter wijst het verzoek (gedeeltelijk) toe en schorst het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat de woning voor zes maanden gesloten dient te worden. In afwachting van het besluit op bezwaar mag de woning maximaal drie maanden worden gesloten.
24. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen.
Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat de woning voor zes maanden wordt gesloten;
- bepaalt dat de burgemeester de woning mag sluiten voor de duur van maximaal drie maanden vanaf
vrijdag 9 januari 2026om
10:00 uur, in afwachting van het besluit op bezwaar;
-bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten van verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025.
de griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
2.Vergelijk de uitspraak onder voetnoot 1.
3.Vergelijk de uitspraak onder voetnoot 1.