ECLI:NL:RBROT:2025:15396

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/10/674331 / FA RK 24-1452
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding en zorgregeling tussen partijen met minderjarige kinderen

In deze beschikking van de Rechtbank Rotterdam, uitgesproken op 23 december 2025, wordt de echtscheiding tussen de vrouw en de man uitgesproken. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding, stellende dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, aangezien de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland is gelegen. De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding toe, omdat het niet is weersproken en op de wet is gegrond.

Daarnaast wordt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de vrouw bepaald. De rechtbank houdt rekening met de zorgregeling die partijen hebben getroffen, waarbij de man de kinderen om de week van donderdag 14:00 uur tot maandag 08:30 uur heeft. De rechtbank legt ook de alimentatie vast die de man aan de vrouw moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, te weten € 121,- per maand per kind van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026, en € 175,- per maand per kind vanaf 1 april 2026.

De rechtbank benadrukt het belang van duidelijke afspraken over de zorgregeling en de kinderopvang, en moedigt partijen aan om regelmatig overleg te voeren over de minderjarigen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/674331 / FA RK 24-1452
Beschikking van 23 december 2025 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. E.M.F. Prickartz te Schiedam,
t e g e n
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. F.M.O. van Leeuwen te Schiedam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 22 februari 2024;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op 7 maart 2024;
  • het bericht van de vrouw van 20 maart 2024;
  • het bericht van de man van 4 april 2024;
  • het bericht van de vrouw van 26 april 2024;
  • het bericht van de vrouw van 21 juni 2024;
  • het bericht van de vrouw van 30 augustus 2024;
  • het bericht van de man van 25 oktober 2024;
  • het bericht van de vrouw van 25 oktober 2024;
  • het bericht van de man van 30 januari 2025;
  • het bericht van de vrouw van 31 januari 2025;
  • het bericht met bijlagen van de man van 12 november 2025;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 november 2025, tevens houdende aanvullende verzoeken.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 november 2025. Daarbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
1.3.
De minderjarige [voornaam minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Bekasi, Indonesië, op [huwelijksdatum] onder het sluiten van huwelijkse voorwaarden (Perjanjian Kawin).
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats 1] ;
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
Partijen oefenen het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarigen uit.
2.4.
De vrouw heeft de Indonesische nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.5.
Bij beschikking van 20 juni 2024 van deze rechtbank zijn voorlopige voorzieningen getroffen, waarin is:
- opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de echtelijke woning hebben getroffen, te weten:
de vrouw zal met ingang van 1 augustus 2024 bij uitsluiting gerechtigd zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te Schiedam ( [postcode] );
de man zal zich met ingang van die datum uitschrijven van dit adres;
  • bepaald dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd, met bevel tot afgifte van de minderjarigen aan de vrouw, als deze niet al in de macht van de vrouw mochten zijn;
  • het bedrag dat de man met ingang van 1 augustus 2024 aan de vrouw zal voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen bepaald op € 148,- per maand per kind bij vooruitbetaling te voldoen;
  • opgenomen de onderlinge regeling die partijen over de regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken hebben getroffen, te weten dat de minderjarigen bij de man zijn:
o de eerste drie weken van de zomervakantie;
o de helft van de herfstvakantie, afhankelijk van het weekend dat de minderjarigen bij de man zijn zal dit zijn vanaf de woensdag voorafgaand aan dit weekend vanaf 12.00 uur of aansluitend aan dit weekend tot woensdag 12.00 uur;
o de eerste kerstdag;
o de tweede week van de kerstvakantie, waarbij de minderjarigen op Nieuwjaarsdag van 11.00 uur tot 18.00 uur bij de vrouw verblijven;
- bepaald dat de regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:
tot aan het moment dat de man over een geschikte woonruimte beschiktheeft hij om de week op zaterdag en zondag, zonder overnachting, contact met de minderjarigen van 09.00 uur tot 19.00 uur, waarbij het contact in uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld als een kind ziek is of bij heel slecht weer) tijdelijk in de echtelijke woning zal plaatsvinden. De vrouw zal dan de echtelijke woning tijdelijk verlaten;
vanaf het moment dat de man over een geschikte woonruimte beschiktheeft hij om de week op donderdag 14.00 uur tot maandag 08.30 uur contact met de minderjarigen, waartoe de man de minderjarigen op vrijdag van school ophaalt en op maandag naar school brengt.
Ten aanzien van de bodemprocedure is bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de echtscheiding en de daarin voorliggende verzoeken (bekend onder zaak- en rekestnummer: C/10/674331 / FA RK 24-1452) wordt aangehouden tot
1 september 2024 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten omtrent de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
2.6.
Partijen hebben de rechtbank op 30 en 31 januari 2025 bericht dat de mediation zonder overeenstemming is geëindigd.

3.De beoordeling

3.1.
Scheiding
3.1.1.
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.1.2.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.1.3.
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).
3.1.5.
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Partijen zijn bij voorlopige voorzieningen verwezen naar mediation. Het is partijen niet gelukt om overeenstemming te bereiken over het ouderschapsplan. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.
3.1.6.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarigen, het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.2.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
3.2.3.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.2.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De vrouw verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen. De vrouw verzoekt:
I) in het kader van de reguliere zorgregeling te bepalen dat de kinderen bij de man zijn
eenmaal per twee weken in de oneven weken van donderdag 14:00 uur tot
maandag 8:30 uur;
II) een regeling van verdeling van vakantie, feest- en studiedagen te bepalen conform het
volgende het schema:
a. a) de regeling voor het jaar 2025 (voor zover resterend) vast te stellen conform productie 10 (kalender 2025) door middel van opname in en aanhechting aan de beschikking;
b) Vanaf 2026:
-Voorjaarsvakantie: 50/50 (even jaren: eerste helft vader, tweede helft moeder;
oneven jaren: eerste helft moeder, tweede helft vader).
- Meivakantie: 50/50 (even jaren: eerste helft moeder, tweede helft vader; oneven
jaren: eerste helft vader, tweede helft moeder).
- Zomervakanties: 50/50 (even jaren: eerste helft vader, tweede helft moeder;
oneven jaren: eerste helft moeder, tweede helft vader).
- Herfstvakantie: 50/50 (even jaren: eerste helft moeder, tweede helft vader; oneven
jaren: eerste helft vader, tweede helft moeder);
- Kerstvakantie: 50/50 (even jaren: eerste helft vader, tweede helft moeder; oneven
jaren: eerste helft moeder, tweede helft vader).
- Kerstdagen en Oud & Nieuw: 50/50: (even jaren: eerste kerstdag vader, tweede
kerstdag moeder, Oudejaarsdag vader, Nieuwjaarsdag vanaf 12:00 uur moeder;
oneven jaren: eerste kerstdag moeder, tweede kerstdag vader, Oudejaarsdag moeder,
Nieuwjaarsdag vanaf 12:00 uur vader);
- Studiedagen en studieweken kinderen: steeds 50/50, telkens zo veel mogelijk en in
tijdig overleg;
- Vaderdag altijd bij vader, Moederdag altijd bij moeder;
- Koningsdag, Sinterklaas, verjaardagen: volgens reguliere regeling tenzij in
onderling overleg anders wordt afgesproken;
- Overige feestdagen: uitgangspunt 50/50, steeds zo veel mogelijk en in tijdig
overleg.
c) Specifiek ten aanzien van het jaar kalender 2026: vast te stellen conform productie 10 (kalender 2025) door middel van opname in en aanhechting aan de beschikking.
3.3.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling het voorstel voor de vakanties onder II a ingetrokken.
3.3.4.
De man heeft de minderjarigen volgens de voorlopige voorzieningen om de week op donderdag van 14.00 uur tot maandag 8.30 uur, waartoe de man de minderjarigen op vrijdag van school ophaalt en op maandag naar school brengt. Partijen zijn het erover eens dat deze zorgregeling goed verloopt en als definitieve zorgregeling kan worden opgenomen.
3.3.5.
De vrouw heeft van maandag tot en met donderdag kinderopvang voor de minderjarigen. De man maakt daar ook gebruik van en haalt de minderjarigen op donderdag op van de kinderopvang. De kinderopvang loopt ook door tijdens de vakanties. Partijen hebben in het kader van de verdeling van de vakanties en feestdagen afgesproken dat de man op vrijdag (of andere zorgdagen die voor de man zijn) gebruik kan maken van de kinderopvang, indien hij op een zorgdag niet beschikbaar kan zijn voor de minderjarigen. Als de man gebruik wil maken van de kinderopvang, dient hij dit ruim van tevoren aan de vrouw te laten weten. De man dient er rekening mee te houden dat de vrouw wijzigingen van dagen bij de kinderopvang twee weken van tevoren moet doorgeven.
3.3.6.
Met deze afspraak hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Uitgangspunt is dat alle vakanties bij helften worden verdeeld. Concreet geldt de volgende verdeling:
- voorjaarsvakantie: even jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
oneven jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man;
- meivakantie: even jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man; oneven
jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
- zomervakantie: even jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
oneven jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man;
  • herfstvakantie: even jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man; oneven jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw;
  • kerstvakantie: even jaren: eerste helft bij de man, tweede helft bij de vrouw; oneven jaren: eerste helft bij de vrouw, tweede helft bij de man;
  • Kerstdagen en Oud & Nieuw: even jaren: Eerste Kerstdag bij de man, Tweede
Kerstdag bij de vrouw, Oudejaarsdag bij de man, Nieuwjaarsdag bij de vrouw;
oneven jaren: Eerste Kerstdag bij de vrouw, Tweede Kerstdag bij de man, Oudejaarsdag bij de vrouw, Nieuwjaarsdag bij de man;
  • Vaderdag altijd bij de man, Moederdag altijd bij de vrouw;
  • Koningsdag, Sinterklaas en alle verjaardagen: volgens reguliere regeling tenzij in
onderling overleg anders wordt afgesproken;
- overige feestdagen: uitgangspunt 50/50, steeds zo veel mogelijk en in tijdig
overleg.
Partijen hebben afgesproken dat het wisselmoment op Tweede Kerstdag en op Nieuwjaarsdag 10.00 uur zal zijn.
Partijen zijn het er ook over eens dat de islamitische feestdagen bij de vrouw worden gevierd.
3.3.7.
Ten aanzien van de studiedagen/studieweken zijn partijen het erover eens dat deze dagen bij helfte moeten worden verdeeld, maar verschillen zij van mening over de wijze waarop deze dagen verdeeld moeten worden. De rechtbank zal bepalen dat op studiedagen de reguliere zorgregeling geldt. Indien een ouder op die dag niet beschikbaar is, kan daarvoor kinderopvang worden ingezet.
3.3.8.
De rechtbank gaat er vanuit dat het verzoek van de vrouw onder II c een doublure is van het verzochte onder II a, althans komt het haar voor dat dit voorstel voor zover het betrekking heeft op 2026 afwijkt van wat partijen nu hebben afgesproken en dient te worden afgewezen.
3.3.9.
De rechtbank acht het zeer positief dat het partijen is gelukt om na een onrustige periode van scheiding uiteindelijk in rust uitvoering te kunnen geven aan de zorgregeling en nu ook afspraken te maken over de kinderopvang, zodat op alle punten van de zorgregeling duidelijkheid bestaat. Dat het partijen niet eerder dan op de mondelinge behandeling is gelukt om over de laatste punten (kinderopvang tijdens de vakanties) afspraken te maken, komt volgens advocaten doordat partijen elkaar niet altijd begrijpen in wat zij van elkaar nodig hebben en wat hierin wel en niet mogelijk is. Daar speelt ook de taalbarrière een rol in. Net als de raad spreekt de rechtbank de hoop uit dat partijen met de zorgregeling zoals deze nu is opgenomen, voldoende duidelijkheid hebben voor de toekomst. In aanvulling daarop hebben partijen afgesproken dat zij minimaal tweemaal per jaar, voor de zomervakantie en voor het einde van het jaar, met elkaar in overleg gaan over de minderjarigen.
3.4.
Huurrecht woning
3.4.1.
De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning.
3.4.2.
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.4.3.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.
3.5.
Onderhoudsbijdrage
3.5.1.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
3.5.2.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.5.3.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 212,- per maand per kind vast te stellen.
3.5.4.
In haar brief van 13 november 2025 verzoekt de vrouw aanvullend een kinderbijdrage vast te stellen van € 193,- per kind per maand vanaf 1 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2026.
3.5.5.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.5.6.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.5.7.
De man verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 1 januari 2026, zal worden vastgesteld.
De behoefte
3.5.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen (hierna: de behoefte van de minderjarigen) € 952,- per maand bedraagt.
Draagkrachtberekening
3.5.9.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.
3.5.10.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2025-2.
3.5.11.
De vrouw is de verzorgende ouder die een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm van een alleenstaande (al dan niet samen met een kindgebonden budget) ontvangt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij weliswaar in een traject voor begeleiding naar werk zit, maar dat op dit moment nog onduidelijk is wanneer dat zal starten en wat dat betekent voor haar inkomen. Ook zal zij eerst nog een taalexamen moeten halen. De rechtbank acht het niet reëel om aan de zijde van de vrouw uit te gaan van een verdiencapaciteit.
3.5.12.
Omdat de vrouw de verzorgende ouder is, wordt gelet op de aanbevelingen in het rapport geen draagkracht aangenomen.
3.5.13.
De vrouw gaat in haar berekening (productie 16) uit van het inkomen van de man van € 50.725,- bruto per jaar, uitgaande van het ‘loon vorig jaar’ op de salarisstrook van de man van augustus 2025. Dit betreft het SV-loon van de man uit 2024. Zij gaat er vanuit dat het inkomen van de man in 2025 vergelijkbaar is als in 2024. De vrouw berekent het NBI van de man op € 3.259,- per maand.
3.5.14.
De man gaat in zijn berekening (productie 13) uit van het maandsalaris zoals vermeld op de salarisstrook van oktober 2025. Hij betwist dat zijn salaris in 2025 vergelijkbaar is met 2024. Bij de voorlopige voorzieningen heeft de man een ruime zorgregeling gekregen, waarop hij zijn werkrooster heeft aangepast. Op de dagen dat hij de minderjarigen heeft, kan hij niet langer werken en is er dus sprake van minder inkomsten uit overwerk. De man berekent zijn NBI op € 3.099,- per maand.
3.5.15.
De rechtbank acht het redelijk om uit te gaan van het salaris zoals door de man berekend op basis van zijn recente salarisstroken, omdat dit aansluit bij de feitelijke situatie waarin de man zijn werkrooster heeft aangepast aan de zorg voor de minderjarigen. De man is in zijn berekening uitgegaan van de volgende gegevens:
- basisloon € 3.903,- per maand;
- vakantiegeld 8% op jaarbasis;
- pensioenpremie € 260,- per maand;
- aanvullende pensioenpremie € 49,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
Deze berekening is conform de inkomensgegevens uit de salarisstrook van oktober 2025 en komt de rechtbank juist voor. De rechtbank gaat uit van een NBI van € 3.099,- per maand in 2025.
3.5.16.
De draagkracht van de man moet, omdat het NBI hoger is dan € 2.125,-, in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.310)].
Aanmerkelijk hogere woonlasten, niet vermijdbaar en niet verwijtbaar
3.5.17.
De man stelt dat het berekende woonbudget ontoereikend is, omdat zijn werkelijke woonlasten hoger zijn dan 30% van het NBI, deze lasten niet vermijdbaar zijn en het (voort)bestaan daarvan niet aan de onderhoudsplichtige kan worden verweten. Naast zijn eigen woonlasten van € 920,- per maand voldoet de man de eigenaarslasten van de echtelijke woning: de waterschapsbelasting van € 222,81 per jaar en de afvalstoffenheffing van € 365,10 per jaar. De man berekent zijn werkelijke woonlast op € 969,- per maand en verzoekt met dit bedrag rekening te houden. De man heeft dat onderbouwd met bewijstukken en de vrouw heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.
3.5.18.
De rechtbank zal daarom rekening houden met de werkelijke woonlasten door in de formule een last op te nemen van € 969,- in plaats de forfaitaire woonlast (30% van het NBI).
Schulden
3.5.19.
De man stelt dat rekening gehouden moet worden met de aflossing van schulden, te weten de schuld aan de Belastingdienst in verband met teveel ontvangen toeslagen, en de lening in verband met de advocaatkosten die hij moet voldoen. Er is sprake van een schuld aan de Belastingdienst in verband met teveel ontvangen toeslagen. De man lost maandelijks met een bedrag van € 70,- af op deze schuld. Deze schuld zal per 1 april 2026 zijn afgelost.
De man komt niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. Er is geen spaargeld of ander vermogen waarmee hij de advocaatkosten kan voldoen. De man heeft een lening moeten afsluiten om de advocaatkosten te kunnen voldoen. Op deze lening lost de man
€ 200,- per maand af. De man verwacht deze schuld te hebben afgelost per 1 mei 2026. De man verzoekt bij de berekening van zijn draagkracht rekening te houden met zijn aflossingsverplichtingen.
3.5.20.
De vrouw heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist, dat de man deze aflossingen voor zijn rekening neemt en dat het gaat om lasten die niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn.
3.5.21.
De rechtbank neemt bij de beoordeling in aanmerking dat de financiële verantwoordelijkheid van het gezin tijdens het huwelijk en ook nu grotendeels bij de man komen te liggen, door het aanzienlijke verschil in inkomen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat hij in een financieel lastige situatie terecht is gekomen sinds partijen uit elkaar zijn. Hij heeft een woning moeten huren met een in verhouding hoge huur, draagt een deel van de woonlasten van de vrouw en de schuld (van partijen) aan de Belastingdienst komt voor zijn rekening. Om zijn advocaatkosten te kunnen bekostigen heeft de man een lening moeten treffen. Feit is dat de vrouw een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt en de man met zijn inkomen niet volledig kan voorzien in de behoefte van de minderjarigen, waardoor er – na voldoening van de schulden - een tekort aan draagkracht is die groter is dan de zorgkorting die hij heeft. De rechtbank acht het in deze situatie, waarin de kosten voor het gezin verhoudingsgewijs meer bij de man is komen te liggen, redelijk en billijk om voor een kortere periode rekening te houden met een hogere aflossingsverplichting. De rechtbank zal rekening houden met een aflossingsverplichting van € 300,- per maand voor de periode 1 januari 2026 tot en met
31 maart 2026. Dit biedt de man naar het oordeel van de rechtbank de beste mogelijkheid om financieel op orde te komen, wat in het belang van de minderjarigen wordt geacht.
3.5.22.
Vanaf 1 april 2026 zal de rechtbank geen rekening houden met deze schulden.
Periode 1: januari 2026 tot en met 31 maart 2026
3.5.23.
De rechtbank zal daarom, volgens het verzoek van de man, rekening houden met deze betalingsverplichtingen in die zin dat in de formule het draagkrachtloos inkomen wordt verhoogd met de aflossing van de huwelijkse schulden van maandelijks € 300,-. In de periode van januari 2026 tot en met 31 maart 2026 houdt de rechtbank rekening met de werkelijke woonlast en de aflossing van schulden. De draagkracht van de man bedraagt in die periode 70% x [€ 3.099 – (€ 969 + € 1.310 + € 300)] = € 364,- per maand.
Periode 2: met ingang van 1 april 2026
3.5.24.
Met ingang van 1 april 2026 houdt de rechtbank geen rekening meer met aflossing van schulden. Wel houdt de rechtbank rekening met de werkelijke woonlasten van de man.
De draagkracht van de man bedraagt in die periode 70% x [€ 3.099 – (€ 969 + € 1.310)] =
€ 574,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
3.5.25.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.
Zorgkorting
3.5.26.
De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 30%. De vrouw voert verweer.
3.5.27.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling gaat de rechtbank ervan uit dat de man gemiddeld twee dagen per week (2,15) de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.
3.5.28.
Omdat de behoefte van de minderjarigen € 952,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 238,- per maand.
Periode 1: januari 2026 tot en met 31 maart 2026
3.5.29.
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. In de eerste periode is de draagkracht van de man € 364,- per maand en is het tekort aan draagkracht € 952-364 = € 588,- per maand. Omdat de helft van dit tekort (€ 294) hoger is dan de zorgkorting van € 238,- kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage. De aan de man op te leggen bijdrage wordt in deze periode dus beperkt tot zijn draagkracht van € 364,- per maand.
Periode 2: vanaf 1 april 2026
3.5.30.
Vanaf 1 april 2026 heeft de man een draagkracht van € 574,- per maand. Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:
Het tekort bedraagt [952-574=] € 378,-, zodat de helft daarvan is € 189,- per maand. Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 238,-, zodat resteert
€ 238 - € 189 = € 49. Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 574 - € 49 = € 525. De aan de man op te leggen bijdrage wordt in deze periode dus: € 525,- per maand.
Conclusie
3.5.31.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van:
  • van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 van € 121,- per maand per kind;
  • met ingang van 1 april 2026 van € 175,- per maand per kind;
in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.5.32.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te Bekasi, Indonesië;
4.2.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;
4.3.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de zorgregeling hebben getroffen, te weten:
  • de man heeft de minderjarigen volgens de voorlopige voorzieningen om de week op donderdag van 14.00 uur tot maandag 8.30 uur, waartoe de man de minderjarigen op vrijdag van school ophaalt en op maandag naar school brengt;
  • de verdeling van de vakantie- en feestdagen, zoals omschreven onder 3.3.6;
4.4.
bepaalt in aanvulling op 4.3 dat de zorgregeling doorloopt tijdens de studiedagen/studieweken van de minderjarigen;
4.5.
bepaalt dat de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurster zal zijn van de echtelijke woning aan [adres] te ( [postcode] ) Schiedam;
4.6.
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen:
  • met ingang van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 € 121,- per maand per kind;
  • met ingang van 1 april 2026 van € 175,- per maand per kind;
4.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht;
4.8.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.9.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. K. Willems, griffier, op 23 december 2025.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.