ECLI:NL:RBROT:2025:15513

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11534206 CV EXPL 25-2730
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 6:212 BWArt. 6:213 BWArt. 150 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vergoeding helft terug te betalen kinderopvangtoeslag tussen ex-partners zonder samenlevingscontract

De zaak betreft een geschil tussen ex-partners zonder huwelijk, geregistreerd partnerschap of samenlevingscontract. De vrouw eist dat de man de helft van de terug te betalen kinderopvangtoeslag aan haar vergoedt. De relatie eindigde op 29 december 2022 en er zijn geen afspraken gemaakt over financiële afwikkeling.

De kinderopvangtoeslag werd op een gezamenlijke rekening gestort, maar de vrouw kon niet voldoende aantonen dat de man vaste afspraken had gemaakt om de helft van de terugbetaling te dragen. De man betwistte dat er vaste afspraken waren en stelde dat de vrouw wijzigingen had doorgegeven aan de Belastingdienst die de terugbetaling veroorzaakten.

De rechtbank oordeelt dat het algemene verbintenissenrecht van toepassing is en dat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld om een betalingsverplichting van de man aan te tonen. De vordering wordt afgewezen en de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering van de vrouw tot vergoeding van de helft van de terug te betalen kinderopvangtoeslag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11534206 CV EXPL 25-2730
datum uitspraak: 19 december 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Hillegom,
eiseres,
gemachtigde: [naam 1],
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland),
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 3 februari 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord,
  • het aanvullend antwoord, met bijlagen;
  • de brief van de gemachtigde van [eiseres] van 18 augustus 2025, met bijlagen,
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres].
1.2.
Op 24 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren partijen aanwezig. [eiseres] werd bijgestaan door [naam 2].

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een relatie gehad. Uit die relatie zijn twee kinderen geboren. [eiseres] en [gedaagde] waren niet gehuwd en hadden geen geregistreerd partnerschap. Hun relatie is op 29 december 2022 geëindigd. Zij hebben geen afspraken gemaakt over de financiële afwikkeling van hun relatie.
2.2.
Partijen hadden zowel een gezamenlijke bankrekening als ieder een eigen bankrekening. Zij ontvingen ieder hun salaris op hun eigen bankrekening en stortten vervolgens bedragen door naar de gezamenlijke rekening. De vaste lasten waarvoor automatische incasso’s waren afgegeven werden van de gezamenlijke rekening afgeschreven.
2.3.
De kinderen van partijen maakten gebruik van kinderopvang. [eiseres] heeft bij de Belastingdienst kinderopvangtoeslag aangevraagd. Die toeslag is toegekend en werd op de gezamenlijke bankrekening gestort.
2.4.
Tot en met het jaar 2022 zijn partijen toeslagpartners geweest voor de Belastingdienst. Op 14 juni 2024 heeft [eiseres] een definitieve berekening toeslagen ontvangen van de Belastingdienst. Daaruit blijkt dat over het jaar 2022 € 2.743,- aan kinderopvangtoeslag moet worden terugbetaald.
2.5.
[eiseres] heeft met de Belastingdienst een betalingsregeling getroffen en betaalt het bedrag van € 2.743,- in termijnen terug. In deze procedure eist zij dat [gedaagde] de helft van het terug te betalen bedrag aan haar vergoedt. Zij baseert deze eis op de stelling dat de kinderopvangtoeslag ten behoeve van beide partijen is aangevraagd (maar op naam van [eiseres] staat omdat slechts één ouder de toeslag kan aanvragen) en zij beiden van de ontvangen voorschotten hebben geprofiteerd. Daarom zou [gedaagde] – naar de kantonrechter begrijpt op basis van de redelijkheid en billijkheid die tussen partijen geldt – de helft van het terug te betalen bedrag voor zijn rekening moeten nemen.
2.6.
[gedaagde] heeft aanvankelijk aan [eiseres] laten weten dat hij de helft van het bedrag voor zijn rekening wilde nemen, maar dat hij dit alleen rechtstreeks aan de Belastingdienst wilde betalen, niet aan [eiseres] zelf. Later is [gedaagde] daarop teruggekomen. Volgens hem heeft [eiseres] gedurende 2022 wijzigingen doorgegeven aan de Belastingdienst, waardoor het alleen aan haar te wijten is dat de voorschotten te hoog blijken te zijn geweest. Bovendien heeft [eiseres] tijdens de relatie alleen maar schulden opgebouwd zonder dat [gedaagde] hiervan wist.
[gedaagde] hoeft niet te betalen
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] niet verplicht is om de helft van de vordering van de Belastingdienst voor zijn rekening te nemen. Dat oordeel licht zij hieronder toe.
2.8.
[eiseres] en [gedaagde] waren niet getrouwd en geen geregistreerd partners van elkaar. De regels die in de wet voor echtgenoten en geregistreerd partners staan, zijn daarom niet van toepassing. Het algemene verbintenissenrecht is van toepassing.
2.9.
Uit een arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:707) volgt dat de kantonrechter moet beoordelen of er tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst bestaat of bestond die gaat over de financiële kanten van hun samenleving (artikel 6:213 BW Pro). De maatstaven van redelijkheid en billijkheid spelen daarbij een rol. Als er geen schriftelijke samenlevingsovereenkomst is aangegaan, kunnen die afspraken ook uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn gemaakt. Uit die afspraken kan dan voortvloeien dat bepaalde kosten of uitgaven voor de rekening van de een of de ander moeten komen. Daarnaast kan het zo zijn dat een van de partijen recht heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven. Dat is het geval als het gaat om uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere samenlevende, als voldaan is aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW Pro) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW Pro).
2.10.
Omdat [eiseres] vindt dat op [gedaagde] de plicht rust om de helft van de vordering van de belastingdienst voor zijn rekening te nemen, rust op haar de verplichting om voldoende feiten te stellen waaruit deze verplichting blijkt (artikel 150 Rv Pro). Dit heeft zij niet gedaan. Het enkele feit dat de toeslag werd gestort op de gezamenlijke bankrekening van partijen is daarvoor onvoldoende. Hieruit blijkt nog niet dat dit geld ook aan beide partijen ten goede is gekomen.
2.11.
[eiseres] kon op de zitting niet goed aangeven hoe partijen hun financiën hadden geregeld. Zij vertelde dat zij dacht dat beide partijen hun salarissen helemaal doorstortte naar de gezamenlijke rekening en dat daar dan alle kosten van de gezamenlijke huishouding van werden betaald. [gedaagde] betwistte dat echter. Hij verklaarde dat er geen vast bedrag werd gestort, maar dat er geld werd gestort zodra dit nodig was. Hij hield in de gaten welke vaste lasten op welke dag van de gezamenlijke rekening werden afgeschreven en hij zorgde er dan de avond daarvoor voor dat het af te schrijven bedrag op de gezamenlijke rekening stond. Volgens hem stortte [eiseres] niet haar hele salaris door omdat zij ook privé verplichtingen had. Verder verklaarde hij dat [eiseres] geld van de gezamenlijke rekening af haalde en (weer) naar haar eigen rekening overmaakte om daarvan aankopen voor zichzelf te doen. Ook bouwde [eiseres] schulden op waardoor er financiële problemen ontstonden. Ter onderbouwing van deze schulden heeft [gedaagde] stukken overgelegd. [eiseres] heeft bevestigd dat partijen regelmatig over financiële problemen hebben gepraat. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [eiseres] onvoldoende feiten gesteld om te kunnen concluderen dat partijen vaste financiële afspraken met elkaar hadden waaruit volgt dat [gedaagde] gehouden is de vordering van de Belastingdienst voor de helft voor zijn rekening te nemen. Ook heeft zij onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat beide partijen (in gelijke mate) voordeel hebben gehad van de kinderopvangtoeslag. Haar vordering wordt daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan reis- en verletkosten.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
51909