De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder van een bedrijfsruimte, waarbij de huurder de betalingsafspraken uit een vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. De huurovereenkomst liep van 1 juni 2021 tot 31 mei 2026. Na een kort geding en vaststellingsovereenkomst in mei 2024, waarin betalingsregelingen werden getroffen, bleef de huurder in gebreke. Dit leidde tot ontruiming van het gehuurde in april 2025.
De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst, verklaring voor recht dat de tekortkomingen de ontruiming rechtvaardigden, schadevergoeding voor kosten van ontruiming, beschadigingen en onrechtmatige onttrekking van eigendommen, betaling van achterstallige huur, contractuele boetes en proceskosten. De huurder betwistte de huurachterstand en stelde dat de huur vanaf ontruimingsdatum niet meer verschuldigd was.
De kantonrechter oordeelde dat de huurder tekort is geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst en dat dit een grond is voor ontbinding van de huurovereenkomst. De ontruiming was gerechtvaardigd. De huurder blijft gehouden tot betaling van huur tot ontbindingsdatum en is aansprakelijk voor schade en contractuele boetes. De gevorderde rente werd afgewezen vanwege het boetebeding. De tegenvordering van de huurder werd afgewezen. De huurder werd veroordeeld tot betaling van € 13.931,46 schadevergoeding, € 69.852,15 huurachterstand, € 9.000 boetes en proceskosten van € 1.892,47 met wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.