In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Havensteder en een huurder, aangeduid als [gedaagde]. Havensteder heeft een ontruimingsvordering ingediend tegen [gedaagde] vanwege ernstige overlast die zij veroorzaakt in de huurwoning. De huurder heeft sinds 27 juli 2015 de woning gehuurd, maar er zijn herhaaldelijk klachten over stankoverlast, geluidsoverlast en intimidatie van omwonenden. In 2021 is er al een procedure geweest die eindigde in een minnelijke regeling, maar de afspraken zijn niet nagekomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst geldig is en dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichtingen daarin, waaronder het zorgen voor alternatieve huisvesting voor haar moeder binnen zes maanden. De rechter heeft vastgesteld dat de huidige woonsituatie niet geschikt is voor de minderjarige zoon van [gedaagde] en dat er geen spoedeisend belang is voor [gedaagde] om in de woning te blijven. De ontruiming is toegewezen, maar met een termijn van twee maanden, tot 16 maart 2026, om de woning te verlaten. De proceskosten zijn voor rekening van [gedaagde].