ECLI:NL:RBROT:2025:15716

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/10/712105 / JE RK 25-2640
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in pleegzorg

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, die sinds 18 december 2025 met spoed uit huis is geplaatst vanwege een onveilige en onhygiënische thuissituatie bij de moeder.

De minderjarige verblijft momenteel bij de opa en oma van vaderszijde, waar het goed met hem gaat. De moeder erkent de uithuisplaatsing maar verzet zich tegen de plaatsing bij de opa en oma en de duur van de machtiging. De vader steunt de verlenging en wil zelf graag voor de minderjarige zorgen.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging passend en noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Ondanks de hulpverlening aan de moeder is de thuissituatie nog onvoldoende veilig. Daarom wordt de machtiging verlengd tot 24 mei 2026, met een tussentijds zittingmoment op 8 mei 2026 om de stand van zaken te bespreken en verdere beslissingen te nemen.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 24 mei 2026 wegens onveilige thuissituatie bij de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team jeugd
Zaaknummer: C/10/712105 / JE RK 25-2640
Datum uitspraak: 24 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W.J.J. Trooster, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kieviet, kantoorhoudende in Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 18 december 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 24 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de opa en oma vaderszijde (vz).
2.3.
Bij beschikking van 17 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot
17 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van 18 december 2025 is [voornaam minderjarige] met spoed uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg tot 15 januari 2026. De beslissing is voor het overige aangehouden.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hierop is voor de duur van vier weken al beslist. Er resteert nog een beslissing voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 17 oktober 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft ter zitting het aangehouden verzoek en licht dit als volgt toe. Vorige week is de GI gebeld door de vrouwenopvang, waar [voornaam minderjarige] samen met zijn halfzusje bij de moeder verbleef. Volgens de vrouwenopvang was het vanwege de ernstig verwaarloosde en onhygiënische staat van de woning niet langer verantwoord dat [voornaam minderjarige] en zijn halfzusje daar verbleven of de nacht doorbrachten. De moeder was het ermee eens dat de kinderen die nacht binnen het netwerk zouden logeren. De moeder heeft toen hard gewerkt en het huis opgeruimd. De GI oordeelde dat het nog onveilig is voor [voornaam minderjarige] bij de moeder thuis en heeft als gevolg hiervan een spoedverzoek ingediend voor een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De vrouwenopvang weet niet hoe lang de moeder nog in het huis kan blijven wonen. De moeder moet aan zichzelf en aan de woning werken, voordat er kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] . Het gaat goed met [voornaam minderjarige] bij de opa en oma vz. Hij is vrolijk en ziet er verzorgd uit. [voornaam minderjarige] is bij de huisarts geweest voor schaafwonden en blauwe plekken over zijn lichaam, maar het is onduidelijk waar dit vandaan komt. De moeder weet ook niet wat de oorzaak hiervan is. Daarnaast heeft het halfzusje zorgelijke uitspraken gedaan over de thuissituatie, zoals dat zij thuis verantwoordelijk is voor [voornaam minderjarige] , dat de moeder hen slaat en dat zij thuis structureel angst ervaart. In de komende periode moet onderzocht worden of het fysiek en emotioneel veilig is bij de moeder thuis. Daarnaast worden ook de mogelijkheden voor een terugplaatsing bij de vader onderzocht. [voornaam minderjarige] is in de weekenden bij de vader en de GI wil voor de vader ondersteunende hulp vanuit Houvast gaan inzetten. Bij de moeder is al veel hulp betrokken. Pameijer komt twee keer per week langs en de moeder heeft drie verschillende begeleiders, voor de woning, voor praktische zaken en voor zichzelf.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder voert geen verweer tegen de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . Wel voert de moeder verweer tegen de plaatsing bij de opa en oma vz en de duur van het verzoek. De moeder wil dat [voornaam minderjarige] op een neutrale veilige plek wordt geplaatst, samen met zijn halfzusje. Daarnaast acht de moeder een tussentijds toetsmoment over vier maanden nodig. Aanvankelijk leek er sprake te zijn van een vooruitgang in de hygiëne van de woning. [voornaam minderjarige] is in de weekenden bij de vader en er was hulp ingeschakeld. Helaas heeft dit niet geholpen en is er opnieuw een melding gemaakt. Het is belangrijk dat er naar de toekomst wordt gekeken. De moeder wil dat [voornaam minderjarige] weer naar huis komt en gaat er alles aan doen om ervoor te zorgen dat dit mogelijk is. In de tussentijd blijft het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder belangrijk.
4.3.
Door en namens de vader wordt ter zitting geen verweer gevoerd tegen het aangehouden verzoek van de GI. De vader vindt het fijn dat [voornaam minderjarige] , ondanks dat hij uit huis is geplaatst, bij de opa en oma vz verblijft. [voornaam minderjarige] voelt zich veilig bij de opa en oma vz en de opa en oma vz staan open voor contact met de moeder. De zorgen over de moeder betreffende het bieden van basiszorg en de staat van de woning spelen al een langere tijd. Het kost tijd om dit op orde te krijgen. De vader wil het liefst zelf voor [voornaam minderjarige] zorgen. [voornaam minderjarige] verblijft elk weekend bij de vader.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de uitgesproken machtiging tot uithuisplaatsing, zoals verzocht en ter zitting niet weersproken, nog steeds passend en geboden is. De kinderrechter is tevens van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Op 18 december 2025 is [voornaam minderjarige] met spoed uit huis geplaatst. Sindsdien verblijft [voornaam minderjarige] met zijn halfzusje bij de opa en oma vz, waar het goed met hem gaat. De woning van de moeder was acuut onveilig en onleefbaar voor [voornaam minderjarige] en zijn halfzusje. Daarnaast bleek er na de plaatsing bij de opa en oma vz dat [voornaam minderjarige] grote honger had, er geen schone kleding was en hij schaafwonden en blauwe plekken had. De basale zorg is niet op orde en er zijn grote zorgen over het gedrag en het emotioneel functioneren van de moeder. Hoewel de moeder hulp heeft vanuit Pameijer en zij ook wordt begeleid door drie begeleiders, is dit niet voldoende gebleken. Het is belangrijk dat er in de komende periode onderzocht wordt welke mogelijkheden er zijn voor een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. Daarnaast moet onderzoek worden gedaan naar mogelijke alternatieven, waaronder een plaatsing bij de vader waar [voornaam minderjarige] elk weekend verblijft. In de tussentijd is het belangrijk dat het contact tussen [voornaam minderjarige] en beide ouders in stand wordt gehouden. Om onrust te voorkomen, moet daarnaast worden ingezet op het verbeteren van het contact tussen de moeder en de opa en oma vz. Hierbij ligt ook een rol weggelegd voor de moeder om met zichzelf en ook de woning aan de slag te gaan.
5.3.
Een machtiging tot uithuisplaatsing is daarom nodig. Omdat er nog veel onduidelijk is en om een vinger aan de pols te houden, verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg vanaf de datum van de zitting voor de duur van vijf maanden. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI wordt aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum. De zittingsdatum is ter zitting in overleg met partijen bepaald.
5.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om
uiterlijk een weekvoor de hierna te noemen zittingsdatum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de moeder en
mr. W.J.J. Trooster en de vader en mr. S. Kieviet) over de dan huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
houdt de beschikking van de kinderrechter van 18 december 2025 in stand;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 24 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder en mr. W.J.J. Trooster en de vader en mr. S. Kieviet in deze zaak zal plaatsvinden op
8 mei 2026 om 14.00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. H. Mol, kinderrechter;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep van de GI, de moeder en mr. W.J.J. Trooster en de vader en mr. S. Kieviet;
6.7.
verzoekt de GI
uiterlijk een weekvoor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de moeder en mr. W.J.J. Trooster en de vader en mr. S. Kieviet) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 7 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.