Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[eiser 1A], uit [plaats 1] ,
en [eiser 1B], uit [plaats 2] , eisers 1 (zaaknummers ROT 23/7441, ROT 23/7442 en ROT 23/7443)
[eiser 2A] en [eiser 2B], uit [plaats 2] , eisers 2 (zaaknummers ROT 23/7693, ROT 23/7697, ROT 23/7699 en ROT 23/7701)
(gemachtigde: mr. B. Vermeirssen)
[naam derde partij]uit [plaats 1] ( [afkorting naam derde partij] )
De bestreden besluiten zijn voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De gemeenteraad van Goeree-Overflakkee (de raad) heeft voor de bestreden besluiten 1, 2 en 3 verklaringen van geen bedenkingen (vvgb’s) gegeven op grond van artikel 2.27 van de Wabo in samenhang met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Op de beroepen is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.
De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 28 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
In deze uitspraak behandelt de rechtbank de beroepen van eisers 1 tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 3 en de beroepen van eisers 2 tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4. Eisers 1 hebben ook beroep ingesteld tegen bestreden besluit 4 (zaak ROT 23/7444). De rechtbank behandelt dat beroep in een afzonderlijke tussenuitspraak.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Zijn de beroepen van eisers 1 ontvankelijk?
In de uitspraak van 22 april 2020 over het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” heeft de Afdeling het niet uitgesloten geacht dat vanaf het recreatiepark feitelijke gevolgen kunnen worden ondervonden, maar is zij ervan uitgegaan dat op een afstand van meer dan 100 m de gevolgen voor het woon- en leefklimaat zo gering zijn dat gevolgen van enige betekenis ontbreken. De rechtbank sluit zich hierbij aan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiser 1B] alleen feitelijke gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van de activiteiten in de deelgebieden 1 en 3, die zich op minder dan 100 m van zijn perceel bevinden. Het college heeft betoogd dat de uitspraak van de Afdeling op dit punt niet kan worden gevolgd, omdat daarin een bestemmingsplan voor het volledige project werd beoordeeld en er nu afzonderlijke omgevingsvergunningen per deelgebied zijn verleend. Volgens het college is voor de afzonderlijke deelgebieden de afstand waarbinnen er nog feitelijke gevolgen van enige betekenis zijn kleiner dan 100 m. De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en omvang van de activiteiten in de deelgebieden 1 en 3, namelijk de realisatie van een hotel respectievelijk 26 woningen, zodanig is dat kan worden aangenomen dat binnen een afstand van 100 m van die deelgebieden feitelijke gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden.
Heeft het college alle op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden?
Eisers 1 doelen op de aanvragen zoals die op 28 juli 2021 zijn ingediend. De wijzigingen van 6 januari 2022 met gewijzigde situatietekeningen en nieuwe beschrijvingen voor de deelgebieden moeten volgens hen buiten beschouwing blijven, omdat dat geen ondergeschikte wijzigingen van de aanvraag zijn en daarvoor dus een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend.
In dit geval zijn omgevingsvergunningen aangevraagd en verleend voor vier concrete projecten, die nader zijn geduid in de aanvraag en de daarbij behorende (situatie)tekeningen en ruimtelijke onderbouwing. In de voorschriften is bepaald dat de projecten overeenkomstig de tekeningen en beschrijvingen moeten worden gerealiseerd. Uit de situatietekening volgt de locatie van het hotel en de woningen en bijvoorbeeld ook de maximale bouwhoogte. Dat de exacte vormgeving van de bouwwerken pas aan de orde komt bij de omgevingsvergunning voor bouwen, doet daar volgens het college niet aan af.
Het college kon daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om omgevingsvergunningen voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 2 februari 2017 een Wnb-vergunning aan [afkorting naam derde partij] verleend voor de ontwikkeling die in het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” was voorzien. Volgens eisers volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129, over het bestemmingsplan dat die Wnb-vergunning niet kan worden gebruikt voor de verlening van de omgevingsvergunningen. De Wnb-vergunning en de daarbij gemaakte passende beoordeling zijn namelijk gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS; zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). Daarom is volgens eisers een nieuwe passende beoordeling nodig.
Verder betogen eisers 2 dat het college misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Er is alleen voor een buitenplanse afwijking gekozen om de Wnb-toets in het kader van het bestemmingsplan te omzeilen.
Partijen zijn het oneens over de vraag of het project al (volledig) is vergund met de Wnb-vergunning van 2 februari 2017 en of [afkorting naam derde partij] een nieuwe natuurvergunning op grond van de Wnb dan wel een natuurtoestemming op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Bor had moeten aanvragen voor het project. Die vraag hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te worden beantwoord. Voor zover al een natuurvergunning of -toestemming nodig is, is er namelijk geen aanhaakverplichting. Het uitgangspunt in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is dat onlosmakelijke activiteiten tegelijk worden aangevraagd, maar deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aan te vragen voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten. Dat betekent dat er in dit geval geen aanhaakverplichting geldt (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2229). De beroepsgronden slagen reeds hierom niet.
Naar het oordeel van de rechtbank doet zich in dit geval geen vergelijkbare situatie voor. De raad heeft zelfstandig besloten over de ontwerp-vvgb’s en de definitieve vvgb’s. De ontwerp-vvgb’s zijn samen met de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Dat de raad zelfstandig moet besluiten, betekent niet dat het college niet bij de voorbereiding van de vvgb betrokken mag zijn door bijvoorbeeld een raadsvoorstel op te stellen en aan de raad voor te leggen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205, en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4637). In dit geval ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het zwaartepunt van de voorbereiding van de vvgb’s te weinig bij de raad heeft gelegen en dat de eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de raad onvoldoende invulling hebben gekregen. De beroepsgrond slaagt niet.
Eiser 2 voeren aan dat de raad niet op de hoogte lijkt te zijn geweest van de fasering van de aanvragen en dat de raad daardoor niet weet waarvoor hij een vvgb heeft gegeven. Uit de motie van 2 juni 2022 blijkt volgens eisers 2 duidelijk dat de raad geen dubbelbestemming voor de woningen wenst, dat er al genoeg recreatieve bebouwing is en dat er maatschappelijke noodzaak is om woningen voor de lokale behoefte te bouwen. De toezegging van [afkorting naam derde partij] ziet maar op 70% van de woningen en is niet afdwingbaar. Volgens eisers 2 heeft de raad de vvgb verleend onder de voorwaarde dat de woningen alleen voor permanente bewoning zijn bestemd en dat deze eerst aan de lokale bevolking moeten worden aangeboden, maar die voorwaarde is niet in de vvgb terug te vinden. De omgevingsvergunningen zijn daarom verleend met gebruikmaking van vvgb’s die niet overeenkomen met de duidelijke wil van de raad.
Uit de aanvragen voor de deelgebieden 2 en 3 blijkt dat de aanvragen betrekking hebben op het al dan niet in deeltijd bewonen van de woningen, waaronder tevens wordt begrepen het gebruik van een woning als recreatiewoning. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de raad niet heeft begrepen waarover hij moest besluiten, zoals eisers 2 hebben gesteld. De aanvragen zijn op dit punt duidelijk. Uit de aanvragen blijkt ook dat alleen omgevingsvergunningen zijn aangevraagd voor planologisch strijdig gebruik en nog niet voor bouwen. Overigens is geen sprake van fasering van de aanvragen als bedoeld in artikel 2.5 van de Wabo.
De motie die tijdens de raadsvergadering van 7 september 2023 is ingediend, is niet aangenomen door de raad. Daaruit kan dan ook niet worden afgeleid dat de raad het standpunt heeft ingenomen dat alleen permanente bewoning van de woningen wordt toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank moet daarom worden uitgegaan van wat de raad op 7 september 2023 daadwerkelijk heeft besloten. Dat is het geven van vvgb’s voor de woningen in de deelgebieden 2 en 3 zonder verdere beperkingen aan of voorwaarden over het soort gebruik van die woningen. De vvgb’s wijken daarmee dus niet af van wat is aangevraagd, namelijk permanente bewoning, gebruik als tweede woning en/of gebruik als recreatiewoning. Er is naar het oordeel van de rechtbank ook geen reden om aan te nemen dat de vvgb’s niet in overeenstemming zijn met wat de raad heeft gewild.
De motie van 2 juni 2022 en de daarop volgende toezegging van [afkorting naam derde partij] in de brief van 15 juni 2022 doen aan dat laatste niet af. Uit de brief blijkt dat [afkorting naam derde partij] slechts een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om de woningen aan inwoners van de gemeente te verkopen voor permanente bewoning. Die inspanningsverplichting heeft bovendien maar op 70% van de woningen betrekking. Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat [afkorting naam derde partij] niet heeft toegezegd alle woningen uitsluitend voor permanente bewoning aan eigen inwoners te zullen verkopen en niet voor gebruik als tweede woning of recreatiewoning. Deze informatie was bij de raad bekend op het moment van de definitieve besluitvorming en de raad heeft de vvgb’s niettemin zonder verdere voorwaarden afgegeven.
Over het hotel betogen eisers 2 ook dat in bestreden besluit 1 alleen de goothoogte en de bouwhoogte zijn vastgelegd, maar andere zaken uit het Beeldkwaliteitsplan Ouddorp-Bad (hierna: het Beeldkwaliteitsplan) niet, zoals de gevels, erkers en uitbouwen. De trapsgewijze opbouw van de hoogte, waarbij de hoogte vanaf de kant van de woningen van eisers 2 geleidelijk toeneemt, is ook niet vastgelegd.
Eisers 2 zijn daarnaast van mening dat er onvoldoende duidelijkheid is over de voorzieningen bij het hotel. Er zijn geen regels voor de wellness, horeca en detailhandel en de plaats daarvan ligt niet vast. Voor zover is beoogd dat de wellness en horeca alleen door de hotelgasten mogen worden gebruikt, is dat niet voldoende vastgelegd met de formulering “ten dienste van de eigen hotelgasten” in de beschrijving van deelgebied 1. Volgens eisers 2 is hiermee namelijk niet uitgesloten dat naast de hotelgasten ook anderen gebruik maken van de voorzieningen. Voor de detailhandel is geen enkele voorwaarde opgenomen. Omdat de voorzieningen volgens eisers 2 veel te omvangrijk zijn voor 40 hotelkamers, vinden zij het niet geloofwaardig dat deze alleen door hotelgasten zullen worden gebruikt. Bovendien is zo’n beperking niet handhaafbaar. Daarnaast is volgens eisers 2 onduidelijk of het hotel, net als het bestaande hotel aan de overkant van de Oude Nieuwlandseweg, een Fletcher-hotel wordt. In dat geval zal feitelijk sprake zijn van één groot hotel waarbij over en weer gebruik wordt gemaakt van de faciliteiten.
Over de 40 nieuwe woningen in de deelgebieden 2, 3 en 4 betogen eisers 2 dat door het ontbreken van een definitie van “wonen” onduidelijk is welk gebruik is toegestaan. In het bijzonder noemen zij in dat verband B&B’s, recreatieve verhuur, gebruik door arbeidsmigranten en zorgwoningen.
Ook voor de fietsenstalling zijn uitgangspunten voor de bouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende bepaald, nu in de beschrijving de oppervlakte en de goot- en bouwhoogte zijn vastgelegd en de locatie is aangeduid op de situatietekening.
Eisers 1 hebben aangevoerd dat een deel van het gebied niet is benoemd op de situatietekening. Zoals zij ter zitting hebben toegelicht, gaat het om het gedeelte tussen het met “H” aangeduide vlak voor het hotel en de Oude Nieuwlandseweg. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit bestreden besluit 1 met voldoende zekerheid worden afgeleid dat het hier gaat om de buitenruimte van het hotel (het zogenoemde plein). De aanvraag voor deelgebied 1 heeft namelijk in zijn geheel betrekking op de realisatie van een hotel met bijbehorende functies, zodat daaruit volgt dat ook deze gronden daarvoor zijn bestemd. Het plein is bovendien ook opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan. Nu er op deze plaats geen specifieke aanduidingen zijn aangebracht op de tekening, zijn er bijvoorbeeld geen gebouwen of parkeerplaatsen toegestaan op deze plaats. Anders dan eisers 1 hebben betoogd, geldt de vergunde afwijking van het bestemmingsplan ook voor dit deel van het terrein.
Voor zover eisers 2 vrezen dat de voorzieningen toch door anderen dan de eigen hotelgasten worden gebruikt, is dat een kwestie van handhaving. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eisers 2 dat de omgevingsvergunning op dit punt niet handhaafbaar is. Daarbij betrekt de rechtbank dat het college en [afkorting naam derde partij] ter zitting hebben uitgelegd hoe kan worden gewaarborgd dat de voorzieningen alleen door eigen hotelgasten worden gebruikt, bijvoorbeeld door reserveringen te koppelen aan het kamernummer.
De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers 2 dat bestreden besluit 1 te onbepaald is, omdat daarin niet nader is bepaald waar de voorzieningen van het hotel mogen komen. Uit de beschrijving volgt dat de voorzieningen in het gebouw worden gerealiseerd. De locatie van het gebouw ligt vast, namelijk het vlak “H” op de situatietekening. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde het college in de omgevingsvergunning de plaats binnen het gebouw van de voorzieningen niet nader te bepalen.
Op de tekeningen zijn de functies wonen, erf en tuin weergegeven. De plaats van de woningen ligt hiermee vast, behalve daar waar uitdrukkelijk in de beschrijving is vermeld dat de situering een bepaald aantal meters mag afwijken. In de beschrijvingen zijn voor de verschillende kavels de maximum bouw- en goothoogtes en de inhoud, het aantal en het type woningen (vrijstaand, halfvrijstaand, rijwoningen en appartementen) opgenomen en zijn de bijbehorende garages en bergingen vermeld. Ook is hierin bepaald dat de woningen mogen worden gebruikt voor permanente bewoning, als tweede woning en als recreatiewoning. Het begrip “wonen” is op zichzelf niet nader omschreven, maar de rechtbank is van oordeel dat de omgevingsvergunningen op dit punt niet te onbepaald zijn.
De beroepsgronden slagen niet.
Voor zover het college zich bij het nemen van de bestreden besluiten al zou hebben gebaseerd op stukken die ook in de bestemmingsplanprocedure van het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” uit 2019 zijn gebruikt, stelt de rechtbank vast dat het college in ieder geval ook andere, recentere onderzoeken aan de bestreden besluiten ten grondslag heeft gelegd. Dit zijn onder meer de ruimtelijke onderbouwing van 17 mei 2023 en de meeste van de bijlagen daarbij, zoals het Beeldkwaliteitsplan, het akoestisch onderzoek en de quickscan ecologie. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het college zich op verouderde onderzoeken heeft gebaseerd.
Over de 40 woningen stelt het college dat het project in categorie 2B in het woningbouwprogramma 2020-2030 is opgenomen. Aan het woningbouwprogramma liggen de provinciale woningbouwramingen ten grondslag. Volgens die ramingen moeten er in de gemeente tot 2030 nog 3250 woningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd om in de woningbehoefte te voorzien. De harde plancapaciteit in de gemeente bedraagt 809 woningen. Volgens het college voorzien de woningen daarom in een behoefte. Binnen bestaand stedelijk gebied zijn er geen mogelijkheden voor woningen met eenzelfde woonmilieu.
Tussen partijen is niet in geschil dat de ontwikkelingen in de deelgebieden 1, 2 en 3 een nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn.
Voor zover is aangevoerd dat de behoefte aan de voorzieningen bij het hotel onvoldoende is onderbouwd, stelt de rechtbank voorop dat deze voorzieningen alleen zijn bedoeld voor de eigen hotelgasten (zie overweging 14.8 van deze uitspraak). Verder is van belang dat uit de ruimtelijke onderbouwing naar voren komt dat consumenten meer luxe, comfort en voorzieningen vragen, zodat een hoogwaardig hotel met bijbehorende voorzieningen zoals wellness voorziet in de behoefte aan luxere en jaarrond verblijfsaccommodatie. In het onderzoek van Sweco wordt de kwalitatieve behoefte aan een luxe hotel met voorzieningen bevestigd.
De behoefte aan woningen is onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing. Hierin zijn weliswaar onderzoeken uit 2010 en 2014 vermeld, maar de onderbouwing van de behoefte aan de woningen berust niet alleen daarop. De onderzoeken uit 2010 en 2014 gaan bovendien vooral over recreatiewoningen en tweede woningen. Aan de onderbouwing zijn ook recentere documenten ten grondslag gelegd, zoals het gemeentelijke woningbouwprogramma 2020-2030. Voor zover eisers bedoelen dat dat programma ook op verouderde gegevens is gebaseerd, overweegt de rechtbank dat dit het geldende woningbouwprogramma is en dat er ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten geen recenter woningbouwprogramma bestond. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op grond van het woningbouwprogramma in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in ieder geval behoefte is aan 40 nieuwe reguliere woningen in een bijzonder woonmilieu zoals hier aan de orde. Of de behoefte aan tweede woningen en/of recreatiewoningen eveneens is aangetoond, is daarom niet van doorslaggevend belang.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich vanwege zowel de omvang van de ontwikkeling als het beoogde specifieke woonmilieu in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Ouddorp in de behoefte aan het hotel en de 40 nieuwe woningen kan worden voorzien. Eisers 1 hebben bovendien geen enkele concrete locatie binnen het bestaand stedelijk gebied genoemd die volgens hen mogelijk geschikt is voor 40 nieuw te bouwen woningen en een hotel.
Zijn de omgevingsvergunningen in strijd met gemeentelijk beleid verleend?
In het Ontwikkelkader 2022 staat dat gebieden waar reeds een ruimtelijke procedure loopt buiten het kader vallen. De aanvragen zijn ingediend op 28 juli 2021. Op de datum van vaststelling van het Ontwikkelkader 2022 liep dus al een ruimtelijke procedure voor dit gebied. Het college is er daarom terecht van uitgegaan dat het Ontwikkelkader 2022 in dit geval niet van toepassing is.
Het Ontwikkelkader 2019 hanteert hetzelfde uitgangspunt. Het Ontwikkelkader 2019 geldt daarom niet voor gebieden waarvoor op de datum van vaststelling (28 maart 2019) al een ruimtelijke procedure liep. Volgens het college is dat hier het geval, omdat de bestemmingsplanprocedure vóór 28 maart 2019 is begonnen. De rechtbank volgt het standpunt van het college. De procedure voor de omgevingsvergunningen liep op 28 maart 2019 nog niet, maar het Ontwikkelkader 2019 spreekt in dit verband van “gebieden” waarvoor al een ruimtelijke procedure liep en niet van bijvoorbeeld de voorbereiding van een besluit. Het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” heeft betrekking op dezelfde ontwikkeling in hetzelfde gebied en is vóór 28 maart 2019 datum in procedure gebracht. Bovendien is de bestemmingsplanprocedure, zoals het college heeft gesteld, na de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 niet formeel beëindigd. Het college hoefde de ontwikkelingen die de bestreden besluiten op het gebied van nieuwe verblijfsrecreatie mogelijk maken daarom ook niet te toetsen aan het Ontwikkelkader 2019.
De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank deelt niet het standpunt van eisers 1 dat permanente en niet-permanente bewoning niet tegelijk kunnen worden toegestaan. Het college heeft dit uitdrukkelijk mogelijk gemaakt met de bestreden besluiten en vindt alle toegestane soorten gebruik in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing is, in tegenstelling tot wat eisers 1 stellen, ook de behoefte aan reguliere woningen voldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat onder 16.4 is overwogen. Voor zover het verschil tussen gebruik als permanente woning, tweede woning of recreatiewoning relevant is voor de ruimtelijke gevolgen van het project, is het college bij de beoordeling uitgegaan van de meest ongunstige invulling. Dit komt hierna onder 24.3 uitgebreider aan de orde bij de beroepsgronden over parkeren. Voor het overige hebben eisers niet geconcretiseerd waarom het volgens hen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om in de omgevingsvergunningen zowel permanente bewoning als gebruik als tweede woning en gebruik als recreatiewoning toe te staan.
De beroepsgronden slagen niet.
In de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat het kleinschalige karakter van het landschap en in het bijzonder het schurvelingenlandschap beschermd moeten worden. In de ruimtelijke onderbouwing en de zienswijzennota bij bestreden besluit 1 wordt echter ook gewezen op het feit dat de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening) in februari 2023 is gewijzigd. In de gewijzigde versie is het volledige projectgebied op kaart 19 van bijlage II aangewezen als grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn bedoeld voor woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen. De aanwijzing heeft tot gevolg dat de aangewezen gronden wat betreft de bescherming van het landschap niet meer onder “Beschermingscategorie 3 Buitengebied” voor “overige gebieden” vallen. Dit volgt uit artikel 6.9a van de Omgevingsverordening. De rechtbank is van oordeel dat het college uit de aanwijzing als grote buitenstedelijke bouwlocatie in de Omgevingsverordening kon afleiden dat de belangen van de daar voorziene ontwikkelingen zwaarder mogen wegen dan het belang van de bescherming van de openheid van het landschap. Verder staat in de ruimtelijke onderbouwing dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo en per deelgebied gelijk blijft en dat de ontwikkeling zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving, onder meer door de aanleg van zandwallen en groenvoorzieningen.
Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de landschappelijke waarden in de deelgebieden 1 en 2 niet zo ernstig is dat daar in de belangenafweging een doorslaggevend gewicht aan had moet worden toegekend.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is voldoende in waterberging voorzien?
In paragraaf 2.2.2 van de ruimtelijke onderbouwing is berekend dat er in totaal 146 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit zijn in de eerste plaats 24 parkeerplaatsen die nu al in het projectgebied aanwezig zijn voor bestaande functies in de omgeving, waaronder hotel Duinzicht. Dit aantal moet gehandhaafd blijven. Voor de ontwikkeling zelf is in de ruimtelijke onderbouwing een parkeerbehoefte van 122 parkeerplaatsen berekend. Er zijn in totaal 204 parkeerplaatsen voorzien in het projectgebied. Het gaat om parkeerplaatsen op een parkeerterrein bij het hotel, parkeren op eigen terrein bij de woningen en extra parkeerplaatsen in het openbare gebied rond de woningen.
Eisers 2 hebben gewezen op de 24 bestaande parkeerplaatsen in het projectgebied voor hotel Duinzicht. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er rekening mee is gehouden dat deze parkeerplaatsen op de huidige plaats verdwijnen en dat er op een andere plaats in het projectgebied 24 vervangende parkeerplaatsen moeten worden aangelegd. Deze parkeerplaatsen zijn in de ruimtelijke onderbouwing opgeteld bij de parkeerbehoefte van de ontwikkelingen zelf.
Is er bij de woningen van eisers 2 onaanvaardbare geluidhinder?
Daarnaast gaat het om een gewijzigde verkeersafwikkeling. Eisers 2 stellen dat de Vrijheidsweg van een 80 km/uur-weg wordt gewijzigd in een 50 km/uur-weg om de woningbouw mogelijk te maken en dat de Oude Nieuwlandseweg wordt aangewezen als hoofdontsluitingsweg voor het gebied. Die weg is daar volgens hen niet geschikt voor en het college heeft ten onrechte niet onderzocht of als gevolg van deze wijziging bij de woningen van eisers 2 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Eisers 2 wijzen op het akoestisch onderzoek bij het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost”, waarin is vermeld dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de woning van Van der Meijden-Both 51 dB zal zijn. Ook uit het akoestisch onderzoek van Kraaij van 15 maart 2021 dat bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd blijkt volgens eisers 2 dat de voorkeursgrenswaarde op deze woning wordt overschreden.
Eisers 2 voeren verder aan dat in het akoestisch onderzoek niet van de juiste uitgangspunten is uitgegaan. Hierdoor is het aantal verkeersbewegingen onderschat. Volgens eisers 2 is in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte vermeld dat het aantal motorvoertuigen ter hoogte van de Oude Nieuwlandseweg ten westen van de Blankersberg toeneemt van 1.641 naar 1.708 mvt/etmaal. Voor de verkeersgegevens is uitgegaan van het Verkeerscirculatieplan Ouddorp (hierna: het VCP) van 20 april 2015, waarin een prognose is gemaakt voor 2030. Eisers 2 betogen dat geen rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van de functies detailhandel, horeca en wellness. Het college gaat er volgens hen ten onrechte van uit dat die voorzieningen alleen door de eigen hotelgasten worden gebruikt. Daarnaast is geen rekening gehouden met het gebruik van de woningen als recreatiewoningen en andere woonvormen die zijn toegestaan, zoals arbeidsmigranten, zorgwoningen en een B&B met maximaal 5 kamers per woning. Verder is het VCP volgens eisers 2 verouderd. Sinds 2015 zijn in de onmiddellijke nabijheid van het projectgebied grote vakantieparken gebouwd met 354 vakantiebungalows en 205 vakantiewoningen. In het VCP is daarvoor een prognose gemaakt, maar volgens eisers hadden de werkelijke verkeerscijfers moeten worden gebruikt. Eisers 2 stellen ook dat de verkeersgeneratie van het bestaande hotel – dat in 2011 is gebouwd – niet in het VCP is meegenomen.
Eisers 2 hebben verder gesteld dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de voorzieningen bij het hotel, namelijk wellness, horeca en detailhandel. Deze voorzieningen zijn echter uitsluitend voor de eigen hotelgasten bedoeld. Het college kon er daarom van uitgaan dat hierdoor geen extra verkeersbewegingen worden veroorzaakt (zie de overwegingen 14.8 en 24.4 van deze uitspraak). Zoals onder 24.3 is overwogen, is voor de woningen uitgegaan van een worstcasesituatie. Dat geldt niet alleen voor het parkeren, maar ook voor de verkeersgeneratie. De rechtbank ziet ook op dit punt geen reden om aan te nemen dat het aantal verkeersbewegingen is onderschat.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de gegevens uit het VCP niet hadden mogen worden gebruikt. In de onderzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd is rekening gehouden met de verkeersgeneratie van het project in zijn huidige vorm. Dat is vergeleken met de bouw van 60 woningen waar het VCP van uitging. In zoverre heeft dus een actualisatie plaatsgevonden. Eisers 2 hebben niet aannemelijk gemaakt dat het sinds 2011 bestaande hotel Duinzicht niet in het VCP is betrokken. Ook verder hebben eisers 2 niet aannemelijk gemaakt dat de cijfers uit het VCP zodanig achterhaald zijn dat daarvan niet meer kon worden uitgegaan.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie in de ruimtelijke onderbouwing dat het aantal verkeersbewegingen op dit deel van de Oude Nieuwlandseweg maar beperkt toeneemt door het project en dat de toename van de geluidbelasting eveneens zeer gering is. De geluidbelasting op de woningen van eisers is volgens het akoestisch onderzoek wel hoger dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, maar omdat de toename door het project zo beperkt is, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van eisers 2.
Eisers 2 vinden het gebouw voor de fietsenstalling bij het hotel te groot. Het gebouw moet bovendien op een andere plaats komen om overlast bij de woning van Van der Meijden-Both te voorkomen.
Verder betogen eisers 2 dat bestreden besluit 1 in strijd is met het Beeldkwaliteitsplan, omdat de bouwmogelijkheden ruimer zijn dan in het Beeldkwaliteitsplan is voorzien. De daarin genoemde schaalsprong (trapsgewijze verhoging van de bebouwing) is niet vastgelegd in de omgevingsvergunning. Dit betekent dat op korte afstand van het perceel van Van der Meijden-Both een blinde muur kan worden gebouwd.
Daarnaast wordt volgens eisers 2 de privacy aangetast, omdat vlak naast de perceelsgrens een hotel van drie verdiepingen mogelijk wordt gemaakt met hotelkamers die uitkijken op het perceel en de woning van Van der Meijden-Both. Op dit punt verwijzen zij naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2081.
Eisers 2 betogen verder dat de voorwaardelijke verplichting in voorschrift 3 over de groenvoorziening niet toereikend is. De groenvoorziening moet binnen twee jaar na voltooiing van het hotel zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. Het voorschrift is volgens eisers 2 rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is wanneer het hotel “voltooid” is. Bovendien vinden eisers 2 de termijn van twee jaar te lang en is de groene buffer de eerste jaren nog te klein.
Uit voorschrift 3 van bestreden besluit 1 volgt dat binnen het projectgebied gerealiseerde bebouwing slechts in stand mag worden gehouden, indien binnen twee jaar na voltooiing van de bebouwing de groenvoorzieningen voor dit projectgebied (inclusief zandwallen), zoals aangeduid op de tekening ‘Hoofdstructuur Groenvoorziening’ (bijlage 4 bij de ruimtelijke onderbouwing) en nader uitgewerkt en bepaald in hoofdstuk 7 van het Beeldkwaliteitsplan, zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. Uit bijlage 4 bij de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het op deze plaats gaat om een “groensingel, bosplantsoen”.
Het is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk wat onder voltooiing van de bebouwing moet worden verstaan. Ter zitting heeft [afkorting naam derde partij] toegelicht dat er tijdens de bouwwerkzaamheden nog niet kan worden begonnen met de aanleg van een groenvoorziening en dat een groenvoorziening niet in elk seizoen kan worden aangelegd. Een termijn van een jaar zou daarom mogelijk net niet lang genoeg zijn voor de aanleg van de groenvoorziening. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijn van twee jaar gelet hierop niet onredelijk lang. De rechtbank gaat ervan uit dat de groenvoorziening na afloop van die termijn een zodanige omvang moet hebben dat deze daadwerkelijk kan worden aangemerkt als “groensingel, bosplantsoen”.
Relativiteit
- verklaart het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit 2 (zaak ROT 23/7441), voor zover ontvankelijk, ongegrond;
- verklaart de beroepen van eisers 1 tegen bestreden besluiten 1 en 3 (zaken ROT 23/7443 en ROT 23/7442) en de beroepen van eisers 2 (zaken ROT 23/7693, ROT 23/7697, ROT 23/7699 en ROT 23/7701) ongegrond;
- bepaalt dat de griffier het betaalde griffierecht in de zaken ROT 23/7441, ROT 23/7442 en ROT 23/7443 aan eisers 1 en in de zaken ROT 23/7697, ROT 23/7699 en ROT 23/7701 aan eisers 2 terugbetaalt.
Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:41 1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven.
3. Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij toepassing van het tweede lid verschuldigd zouden zijn geweest.
[…]
Crisis- en herstelwetArtikel 1.6aNa afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
[...]
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
[...]
[…]
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
Artikel 2.271. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.[…]3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.
Artikel 3.11
Wet natuurbeschermingArtikel 2.71. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.81. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
Besluit omgevingsrechtArtikel 2.2aaAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
[…]