Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
en [eiser 2], uit [plaats 2] , eisers
[naam derde partij] .uit [plaats 1] ( [naam derde partij] )
Het bestreden besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Op het beroep is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 juli 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
In deze uitspraak behandelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het bestreden besluit, dat betrekking heeft op deelgebied 4 van het project. Eisers hebben ook beroep ingesteld tegen de verlening van de omgevingsvergunningen voor de deelgebieden 1, 2 en 3 (zaken ROT 23/7441, ROT 23/7442 en ROT 23/7443). De rechtbank behandelt die beroepen in een afzonderlijke uitspraak.
Toetsingskader
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Is het beroep ontvankelijk?
Eisers doelen op de aanvragen zoals die op 28 juli 2021 zijn ingediend. De wijzigingen van 6 januari 2022 met gewijzigde situatietekeningen en nieuwe beschrijvingen voor de deelgebieden moeten volgens hen buiten beschouwing blijven, omdat dat geen ondergeschikte wijzigingen van de aanvraag zijn en daarvoor dus een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend.
In dit geval zijn omgevingsvergunningen aangevraagd en verleend voor vier concrete projecten, die nader zijn geduid in de aanvraag en de daarbij behorende (situatie)tekeningen en ruimtelijke onderbouwing. In de voorschriften is bepaald dat de projecten overeenkomstig de tekeningen en beschrijvingen moeten worden gerealiseerd. Uit de situatietekening volgt de locatie van de woningen en bijvoorbeeld ook de maximale bouwhoogte. Dat de exacte vormgeving van de bouwwerken pas aan de orde komt bij de omgevingsvergunning voor bouwen, doet daar volgens het college niet aan af.
Het college kon daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid een om omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft bij besluit van 2 februari 2017 een Wnb-vergunning aan [naam derde partij] verleend voor de ontwikkeling die in het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” was voorzien. Volgens eisers volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1129, over het bestemmingsplan dat die Wnb-vergunning niet kan worden gebruikt voor de verlening van de omgevingsvergunningen. De Wnb-vergunning en de daarbij gemaakte passende beoordeling zijn namelijk gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS; zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). Daarom is volgens eisers een nieuwe passende beoordeling nodig. De uitzondering uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb is volgens eisers niet aan de orde, omdat de eerder gemaakte passende beoordeling was gebaseerd op het PAS. Ter zitting hebben eisers onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 (AquaPri), betoogd dat niet meer van de Wnb-vergunning van 2 februari 2017 kan worden uitgegaan. Eisers betogen ook dat die vergunning moet worden ingetrokken. Zij hebben een verzoek tot intrekking gedaan bij gedeputeerde staten en hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van dit verzoek.
Eisers stellen daarnaast dat Wnb-vergunning van 2 februari 2017 geen betrekking heeft op de wijziging van de bestaande recreatiewoningen in reguliere woningen in deelgebied 4. Deze ontwikkeling heeft volgens hen gevolgen voor de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied “Duinen Goeree & Kwade Hoek”, omdat door de wijziging het aantal verkeersbewegingen met 30 per etmaal toeneemt. Het gevolg daarvan is een toename van de stikstofdepositie van 0,01 mol/ha/jaar op de stikstofgevoelige habitats in het Natura 2000-gebied. Hiervoor is volgens eisers een natuurvergunning of natuurtoestemming vereist.
Partijen zijn het oneens over de vraag of het project – waaronder ook de wijziging van de vijf recreatiewoningen – al (volledig) is vergund met de Wnb-vergunning van 2 februari 2017 en of [naam derde partij] een nieuwe natuurvergunning op grond van de Wnb dan wel een natuurtoestemming op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, onderdeel a, van het Bor had moeten aanvragen voor het project. Die vraag hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet te worden beantwoord. Voor zover al een natuurvergunning of -toestemming nodig is, is er namelijk geen aanhaakverplichting. Het uitgangspunt in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is dat onlosmakelijke activiteiten tegelijk worden aangevraagd, maar deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aan te vragen voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten. Dat betekent dat er in dit geval geen aanhaakverplichting geldt (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2229). De beroepsgrond slaagt reeds hierom niet.
De rechtbank stelt vast dat het project als geheel een nieuwe stedelijke ontwikkeling is, met uitzondering van de wijziging van de vijf bestaande recreatiewoningen in deelgebied 4. Daarvoor geldt namelijk dat het bestreden besluit slechts voorziet in een planologische functiewijziging zonder nieuw ruimtebeslag (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724).
De behoefte aan woningen is onderbouwd in de ruimtelijke onderbouwing. Hierin zijn weliswaar onderzoeken uit 2010 en 2014 vermeld, maar de onderbouwing van de behoefte aan de woningen berust niet alleen daarop. De onderzoeken uit 2010 en 2014 gaan bovendien vooral over recreatiewoningen en tweede woningen. Aan de onderbouwing zijn ook recentere documenten ten grondslag gelegd, zoals het gemeentelijke woningbouwprogramma 2020-2030. Voor zover eisers bedoelen dat dat programma ook op verouderde gegevens is gebaseerd, overweegt de rechtbank dat dit het geldende woningbouwprogramma is en dat er ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten geen recenter woningbouwprogramma bestond. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op grond van het woningbouwprogramma in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in ieder geval behoefte is aan in totaal 40 nieuwe reguliere woningen – waarvan er twee in deelgebied 4 worden gerealiseerd – in een bijzonder woonmilieu zoals hier aan de orde. Of de behoefte aan tweede woningen en/of recreatiewoningen eveneens is aangetoond, is daarom niet van doorslaggevend belang.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich vanwege zowel de omvang van de ontwikkeling als het beoogde specifieke woonmilieu in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Ouddorp in de behoefte aan de in totaal 40 nieuwe woningen kan worden voorzien. Eisers hebben bovendien geen enkele concrete locatie binnen het bestaand stedelijk gebied genoemd die volgens hen mogelijk geschikt is voor 40 nieuw te bouwen woningen.
Zijn de omgevingsvergunningen in strijd met gemeentelijk beleid verleend?
In het Ontwikkelkader 2022 staat dat gebieden waar reeds een ruimtelijke procedure loopt buiten het kader vallen. De aanvraag is ingediend op 28 juli 2021. Op de datum van vaststelling van het Ontwikkelkader 2022 liep dus al een ruimtelijke procedure voor dit gebied. Het college is er daarom terecht van uitgegaan dat het Ontwikkelkader 2022 in dit geval niet van toepassing is.
Het Ontwikkelkader 2019 hanteert hetzelfde uitgangspunt. Het Ontwikkelkader 2019 geldt daarom niet voor gebieden waarvoor op de datum van vaststelling (28 maart 2019) al een ruimtelijke procedure liep. Volgens het college is dat hier het geval, omdat de bestemmingsplanprocedure vóór 28 maart 2019 is begonnen. De rechtbank volgt het standpunt van het college. De procedure voor de omgevingsvergunning liep op 28 maart 2019 nog niet, maar het Ontwikkelkader 2019 spreekt in dit verband van “gebieden” waarvoor al een ruimtelijke procedure liep en niet van bijvoorbeeld de voorbereiding van een besluit. Het bestemmingsplan “Ouddorp Bad Oost” heeft betrekking op dezelfde ontwikkeling in hetzelfde gebied en is vóór 28 maart 2019 datum in procedure gebracht. Bovendien is de bestemmingsplanprocedure, zoals het college heeft gesteld, na de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 niet formeel beëindigd. Het college hoefde de ontwikkeling die het bestreden besluit op het gebied van nieuwe verblijfsrecreatie mogelijk maakt daarom ook niet te toetsen aan het Ontwikkelkader 2019.
De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank deelt niet het standpunt van eisers dat permanente en niet-permanente bewoning niet tegelijk kunnen worden toegestaan. Het college heeft dit uitdrukkelijk mogelijk gemaakt met het bestreden besluit en vindt alle toegestane soorten gebruik in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. In de ruimtelijke onderbouwing is, in tegenstelling tot wat eisers stellen, ook de behoefte aan reguliere woningen voldoende onderbouwd. De rechtbank verwijst op dit punt naar wat onder 12.3 is overwogen. Voor zover het verschil tussen gebruik als permanente woning, tweede woning of recreatiewoning relevant is voor de ruimtelijke gevolgen van het project, is het college bij de beoordeling uitgegaan van de meest ongunstige invulling. Voor het overige hebben eisers niet geconcretiseerd waarom het volgens hen in strijd is met een goede ruimtelijke ordening om in de omgevingsvergunning zowel permanente bewoning als gebruik als tweede woning en gebruik als recreatiewoning toe te staan. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt het project tot onaanvaardbare aantasting van het landschap?
In de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat het kleinschalige karakter van het landschap en in het bijzonder het schurvelingenlandschap beschermd moeten worden. In de ruimtelijke onderbouwing en de zienswijzennota bij het besluit voor deelgebied 1 – waarnaar in de zienswijzennota bij het bestreden besluit wordt verwezen – wordt echter ook gewezen op het feit dat de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening) in februari 2023 is gewijzigd. In de gewijzigde versie is het volledige projectgebied op kaart 19 van bijlage II aangewezen als grote buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn bedoeld voor woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen. De aanwijzing heeft tot gevolg dat de aangewezen gronden wat betreft de bescherming van het landschap niet meer onder “Beschermingscategorie 3 Buitengebied” voor “overige gebieden” vallen. Dit volgt uit artikel 6.9a van de Omgevingsverordening. De rechtbank is van oordeel dat het college uit de aanwijzing als grote buitenstedelijke bouwlocatie in de Omgevingsverordening kon afleiden dat de belangen van de daar voorziene ontwikkelingen zwaarder mogen wegen dan het belang van de bescherming van de openheid van het landschap. Verder staat over deelgebied 4 in de ruimtelijke onderbouwing dat het open gebied volledig is dichtgegroeid waardoor de zandwallen niet meer zichtbaar zijn en dat de ruimtelijke kwaliteit daar ten minste gelijk blijft doordat alle begroeiing wordt verwijderd en daarmee de zandwallen alsmede de open kamer weer zichtbaar worden gemaakt.
Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de open kamer in deelgebied 4 niet zo ernstig is dat daar in de belangenafweging een doorslaggevend gewicht aan had moet worden toegekend. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Anders dan eisers betogen, is op zichzelf niet bepalend dat het geldende bestemmingsplan de schurvelingen beschermt. Met het bestreden besluit wordt van het bestemmingsplan afgeweken. De eventuele strijd met het bestemmingsplan wordt daardoor opgeheven. De rechtbank begrijpt eisers echter zo dat zij uit het bestemmingsplan afleiden dat het gemeentelijke beleid gericht is op bescherming van de schurvelingen. Dat dit – ook op grond van andere documenten dan het bestemmingsplan – zo is, blijkt ook uit de ruimtelijke onderbouwing.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er op de plaats van de inrit geen schurveling aanwezig is. Daarbij heeft het college gewezen op foto’s en een inmetingstekening. Gebleken is echter dat er op deze plaats parallel aan de Vrijheidsweg in ieder geval een verhoging in het landschap aanwezig is. Eisers hebben gesteld dat dit een zandwal is die onder nummer 31 is opgenomen in de Geoviewer. Zij hebben ook gesteld dat op deze plaats volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) een verhoging van ongeveer 50 cm aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet voldoende komen vast te staan dat geen sprake is van een schurveling. Nu het college niet heeft onderkend dat op de plaats van de inrit mogelijk een schurveling aanwezig is die door de aanleg van de inrit wordt aangetast, heeft het college op dit punt onvoldoende onderzoek gedaan naar de relevante feiten en is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd. Het bestreden besluit is daarom in zoverre in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Relativiteit
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
Om het gebrek te herstellen, moet het college nader onderzoeken of ter plaatse van de voorziene inrit van de nieuwe woning op kavel 1 een zandwal aanwezig is die als schurveling kan worden aangemerkt. Als dit het geval is, moet het college alsnog motiveren dat de aantasting van de schurveling aanvaardbaar is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, dan wel een passend nieuw besluit nemen.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Algemene wet bestuursrechtArtikel 8:421. Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. Indien de bestuursrechter om een verweerschrift heeft verzocht, dient het bestuursorgaan binnen vier weken een verweerschrift in.
Crisis- en herstelwetArtikel 1.6aNa afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.
[...]
i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.
[...]
[…]
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
Wet natuurbeschermingArtikel 2.71. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.81. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
Besluit omgevingsrechtArtikel 2.2aaAls categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:
2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
[…]