ECLI:NL:RBROT:2025:2035
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen ongeanonimiseerde openbaarmaking boetebesluit door DNB
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de ongeanonimiseerde openbaarmaking door De Nederlandsche Bank (DNB) van een boetebesluit en het besluit op bezwaar tegen deze boete, opgelegd aan een beleggingsonderneming wegens een overtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
DNB had besloten het boetebesluit van 10 oktober 2023 en het besluit op bezwaar van 13 februari 2024 ongeanonimiseerd openbaar te maken, ondanks dat de noodzaak van deze openbaarmaking niet was beoordeeld. Verzoekster betoogde dat DNB onjuist het criterium toepaste en dat dit in strijd was met het Nederlandse en Europese evenredigheidsbeginsel.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 20 van Pro de IFD en de artikelen 1:97 en 1:98 van de Wft de openbaarmaking van de identiteit van de gesanctioneerde alleen mag plaatsvinden indien dit noodzakelijk en evenredig is. Omdat DNB deze noodzakelijkheid niet had vastgesteld, mag de openbaarmaking niet plaatsvinden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de openbaarmaking achterwege blijft totdat DNB deze beoordeling alsnog maakt.
Daarnaast wordt DNB veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster. Er is geen rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verbiedt DNB om het boetebesluit en het besluit op bezwaar ongeanonimiseerd openbaar te maken voordat is vastgesteld dat dit noodzakelijk is.