Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (DNB)
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Voorts wordt in het derde lid van artikel 20 van Pro de IFD reeds een beoordeling voor het al dan niet geanonimiseerd publiceren voorgeschreven, zodat dit niet ook in het eerste lid kan worden ingelezen. DNB wijst er verder op dat in andere richtlijnen (MiFID II, PSD2, AMLD, CRD IV) geen noodzakelijkheidsvereiste is opgenomen en dat het verrichten van een noodzakelijkheidsbeoordeling tot ongelijkheid leidt tussen het publicatieregime voor (kortweg) grote beleggingsondernemingen die aan de CRD onderworpen zijn, en beleggingsondernemingen die onder de IFD vallen. Voor deze ongelijkheid kan volgens DNB geen objectieve rechtvaardiging worden gevonden. Ook het College van beroep voor het bedrijfsleven (het College) heeft in de uitspraak van 25 februari 2025 [4] geoordeeld dat de Nederlandse wetgever als hoofdregel heeft gekozen voor verplichte en volledige openbaarmaking van sanctiebesluiten en dat een onderscheid tussen de publicatieregimes voor sancties tussen verschillende financiële ondernemingen onwenselijk wordt geacht. Daarnaast is de Nederlandse wetgever niet voorbij gegaan aan het woord ‘noodzakelijk’ in de IFD. De Nederlandse wetgever heeft DNB in artikel 1:97, eerste lid, van de Wft verplicht om een onherroepelijke bestuurlijke sanctie (en de eventuele uitkomst hiervan in bezwaar, beroep of hoger beroep) openbaar te maken. In de transponeringstabel is (expliciet) opgetekend dat deze bepaling reeds volgt uit artikel 1:97 van Pro de Wft en geen nadere omzetting behoeft. Aan die wettelijke verplichting voor DNB ligt ten grondslag dat de Nederlandse wetgever (een dergelijke en bovendien ongeanonimiseerde) openbaarmaking ten principale noodzakelijk acht en heeft geacht. Dat volgt volgens DNB ook uit de wetsgeschiedenis.
The information shall only be published after that person has been informed of those penalties or measures and to the extend the publication is necessary and proportionate.’ te schrappen. Dit amendement heeft het echter niet gehaald, want de tekst van het voorstel van 20 december 2017 is in artikel 20 van Pro de IFD blijven staan. Hoewel een toelichting of verslag van de behandeling van dit amendement niet voorhanden is, volgt uit het gegeven dat het amendement niet tot aanpassing van de tekst van het artikel heeft geleid dat het een bewuste keuze van de Europese wetgever is geweest om het noodzakelijkheidsvereiste in de tekst op te nemen.
de informatie wordt pas bekendgemaakt’ uit de laatste volzin van het eerste lid van artikel 20 van Pro de IFD gedoeld wordt op de openbaarmaking als zodanig en niet, zoals DNB stelt, op de wijze waarop de informatie openbaar wordt gemaakt. Daarvoor staat immers in het artikellid vermeld: ‘
Die bekendmaking omvat informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie is opgelegd of tegen wie de maatregel is genomen’.
en voor zover de bekendmaking noodzakelijk en evenredig is’ ontbreekt in de tekst van artikel 1:97 van Pro de Wft. De artikelen 1:97 en 1:98 van de Wft bieden de toezichthouder namelijk niet de mogelijkheid om bij de afweging of al dan niet tot geanonimiseerde openbaarmaking van een besluit moet worden overgegaan de vraag te betrekken of de bekendmaking van de identiteit van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de sanctie of maatregel is opgelegd noodzakelijk is. Ook als de noodzaak daartoe niet is vastgesteld door de toezichthouder, dient het besluit op grond van artikel 1:97 van Pro de Wft ongeanonimiseerd openbaar te worden gemaakt, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 1:98 van Pro de Wft van toepassing is en de openbaarmaking van het besluit om die reden moet worden uitgesteld, in geanonimiseerde vorm dient te geschieden of geheel achterwege moet blijven.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- verklaart het bezwaar gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- draagt DNB op een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorlopige voorziening dat het publicatiebesluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;
- draagt DNB op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt DNB in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.691,50.