Partijen zijn in 2009 getrouwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2021 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin zij hun gemeenschappelijk vermogen verdeelden. De man stelt dat hij heeft gedwaald over de waarde van de voormalige gemeenschappelijke woning, die in het convenant is vastgesteld op €231.000, terwijl de WOZ-waarde hoger was. Hij vordert vernietiging van de verdeling en een nieuwe verdeling van het vermogen.
De vrouw betoogt dat partijen bewust een vaste waarde hebben vastgesteld om onzekerheid over de woningwaarde te voorkomen en dat het convenant een vaststellingsovereenkomst is die niet vernietigd kan worden wegens dwaling over de vastgestelde feiten waarover onzekerheid bestond. De rechtbank oordeelt dat partijen de waarde van de woning in onderling overleg hebben vastgesteld en daarmee het risico van afwijking van de werkelijke waarde hebben aanvaard.
De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De vorderingen van de vrouw in reconventie behoeven geen beoordeling omdat de hoofdvordering is afgewezen.