ECLI:NL:RBROT:2025:2586

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
FT RK 24/1404
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848FaillissementswetBesluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met afwijzing eerdere ingangsdatum

De heer verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) vanwege een problematische schuldensituatie. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek toegewezen omdat hij voldoet aan de eisen, waaronder te goeder trouw zijn en de verwachting dat hij aan de verplichtingen zal voldoen.

Daarnaast verzocht de heer verzoeker om de ingangsdatum van de WSNP eerder vast te stellen op 28 april 2024. Dit verzoek is afgewezen omdat hij niet voldeed aan de inspanningsverplichting in het voorafgaande minnelijke traject. Hoewel er een minimale aflossing was en beslag op het inkomen, ontbraken aantoonbare sollicitaties naar een betaalde baan, terwijl hij arbeidsgeschikt is en geen ontheffing van de arbeidsverplichting heeft.

De rechtbank benoemde een bewindvoerder en een rechter-commissaris die toezicht houden op het traject. De ingangsdatum werd vastgesteld op 19 februari 2025 en de einddatum op 19 augustus 2026. De bewindvoerder mag een voorschot op zijn vergoeding nemen zolang de boedel toereikend is. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot WSNP toegewezen, verzoek tot eerdere ingangsdatum afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
insolventienummer: [nummer]
vonnis van:
19 februari 2025
op het verzoek van:
[verzoeker],
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de WSNP vast te stellen op
28 april 2024. Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 3 februari 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- mevrouw [persoon A] , echtgenote van de heer [verzoeker] ,
- de heer [persoon B] , kennis van verzoeker, vertaler;
- mevrouw P. Waijers, schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam.

2.De beoordeling van het verzoek

De toelating

2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
2.2.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP.
2.3.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
2.4.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen.
2.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
2.6.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.7.
Het WSNP-traject duurt in principe 18 maanden. De Faillissementswet bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
2.8.
De heer [verzoeker] verzoekt de termijn tien maanden eerder te laten ingaan.
2.9.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt worden of moet er aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.10.
De rechtbank stelt vast dat door de heer [verzoeker] samen met zijn echtgenote in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject vanaf april 2024 een bedrag van € 92,-- is gespaard waarmee is voldaan aan de in dat traject geldende afdrachtplicht. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat gedurende het voorafgaande traject ook sprake is geweest van beslag op het inkomen van de heer [verzoeker] en zijn echtgenote.
2.11.
De heer [verzoeker] heeft zich niet gehouden aan de inspanningsverplichting in het minnelijke traject. Deze inspanningsplicht moet vergelijkbaar zijn aan die in het wettelijk traject. De heer [verzoeker] is arbeidsgeschikt. De heer [verzoeker] ontvangt een PW-uitkering. Hij heeft geen ontheffing van de arbeidsverplichting. Hij verricht thans vrijwilligerswerk, maar heeft niet aantoonbaar gesolliciteerd naar een betaalde dienstbetrekking. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat zij de inspanningsverplichting niet controleert, maar dat dit wordt overgelaten aan de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente. Stukken waaruit blijkt dat de heer [verzoeker] vanaf de verzochte ingangsdatum minimaal vier keer per maand (aanvullend) heeft gesolliciteerd, hoewel opgevraagd voorafgaand aan de zitting, ontbreken.
2.12.
De rechtbank komt dus tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] .
- wijst het verzoek eerdere ingangsdatum af;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder E.A. de Snoo,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 19 februari 2025 en de einddatum op 19 augustus 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1
/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
- zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
- voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met C. van der Velde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025. [1]