ECLI:NL:RBROT:2025:2588

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
11155167 CV EXPL 24-14944
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling lening van €5.500 toegewezen met rente en proceskosten

In deze zaak staat de terugbetaling van een geldlening centraal die eiseres aan gedaagde heeft verstrekt. Eiseres stelt dat zij in totaal €5.500 heeft geleend aan gedaagde, terwijl gedaagde erkent slechts €2.500 te hebben geleend en stelt dat €3.000 bedoeld was voor derden. De kantonrechter oordeelt echter dat onvoldoende bewijs is geleverd voor die stelling en wijst de vordering toe voor het volledige bedrag minus reeds betaalde termijnen.

Tijdens de procedure heeft gedaagde afgezien van het leveren van aanvullend bewijs dat zou aantonen dat een deel van het bedrag niet aan haar persoonlijk is geleend. Hierdoor wordt aangenomen dat gedaagde het gehele bedrag van €5.500 heeft geleend. Van dit bedrag is erkend dat tien termijnen van €150 zijn betaald, zodat het resterende bedrag van €4.000 wordt toegewezen.

De kantonrechter wijst de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af, omdat de aan gedaagde gestuurde aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. Wel wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 12 februari 2024, de datum waarop de lening uiterlijk had moeten zijn voldaan. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op €1.062,39.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiseres direct kan overgaan tot executie, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €4.000 met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11155167 CV EXPL 24-14944
datum uitspraak: 21 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: Hilversum,
eiseres,
gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Barendrecht,
gedaagde,
gemachtigde: [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 4 juni 2024, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting van 2 juli 2024;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord ter zitting met het schriftelijke antwoord van 16 juli 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 22 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [eiseres] de heer [persoon B] aanwezig. De gemachtigde van [eiseres] , Juristu Incasso Juristen, is niet verschenen. Daarnaast waren [gedaagde] en de heer [persoon A] aanwezig.

2.De beoordeling

Wat is de kern?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] is een geldleningsovereenkomst gesloten. Partijen verschillen van mening over het bedrag dat [gedaagde] van [eiseres] heeft geleend. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een bedrag van in totaal € 5.500,00 overgemaakt. [eiseres] vordert dit bedrag van [gedaagde] , met rente en kosten. [gedaagde] erkent dat zij een bedrag van € 2.500,00 heeft geleend. Er is wel € 5.500,00 aan haar overgemaakt, maar daarvan was € 3.000,00 bestemd om te worden doorgestort aan twee anderen en dat heeft zij ook gedaan. Die € 3.000,00 heeft zij volgens haar dus niet van [eiseres] geleend en wil zij ook niet terugbetalen.
2.2.
De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] toe, verminderd met de al terugbetaalde bedragen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet € 4.000,00 betalen aan [eiseres]
2.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] . Uit de overgelegde correspondentie en de betalingen die zijn verricht aan [gedaagde] blijkt voldoende dat [gedaagde] in totaal € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] . Daarnaast zijn twee betaalbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] het volledige bedrag heeft ontvangen met de omschrijving ‘
lening [eiseres]’.
2.4.
[gedaagde] heeft haar stelling dat het totale bedrag is geleend door drie verschillende mensen en zij verantwoordelijk is voor een bedrag van € 2.500,00 onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter heeft op de zitting met [gedaagde] besproken dat zij bewijs mag leveren van haar stelling dat € 3.000,00 is geleend door anderen en dat zij dit alleen op haar rekening heeft ontvangen om meteen door te betalen. [gedaagde] heeft toen afgezien van nadere bewijsvoering. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om [gedaagde] in dit vonnis opnieuw in de gelegenheid te stellen nader bewijs te leveren.
2.5.
De kantonrechter kan dus niet vaststellen dat [gedaagde] een lening heeft gesloten voor een bedrag van € 2.500,00 en anderen een lening hebben gesloten voor in totaal € 3.000,00. Daarom oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] € 5.500,00 heeft geleend van [eiseres] .
2.6.
[eiseres] heeft ter zitting erkend dat [gedaagde] inmiddels tien keer € 150,00 heeft afbetaald. Dit bedrag moet van de hoofdsom worden afgehaald. De kantonrechter wijst dan ook een vordering van € 4.000,00 toe.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen
2.7.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. [eiseres] heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen de in de wet genoemde termijn alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW Pro). In de brief die aan [gedaagde] is gestuurd, staat een termijn die niet voldoet aan de wet (ECLI:NL:HR:2016:2704), namelijk een termijn van tien dagen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 12 februari 2024, omdat de lening uiterlijk op 11 februari 2024 terugbetaald moest zijn.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 248,00 aan griffierecht, € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 471,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.062,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 4.000,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 12 februari 2024 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.062,39;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363