In deze zaak staat de terugbetaling van een geldlening centraal die eiseres aan gedaagde heeft verstrekt. Eiseres stelt dat zij in totaal €5.500 heeft geleend aan gedaagde, terwijl gedaagde erkent slechts €2.500 te hebben geleend en stelt dat €3.000 bedoeld was voor derden. De kantonrechter oordeelt echter dat onvoldoende bewijs is geleverd voor die stelling en wijst de vordering toe voor het volledige bedrag minus reeds betaalde termijnen.
Tijdens de procedure heeft gedaagde afgezien van het leveren van aanvullend bewijs dat zou aantonen dat een deel van het bedrag niet aan haar persoonlijk is geleend. Hierdoor wordt aangenomen dat gedaagde het gehele bedrag van €5.500 heeft geleend. Van dit bedrag is erkend dat tien termijnen van €150 zijn betaald, zodat het resterende bedrag van €4.000 wordt toegewezen.
De kantonrechter wijst de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af, omdat de aan gedaagde gestuurde aanmaning niet voldeed aan de wettelijke eisen. Wel wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf 12 februari 2024, de datum waarop de lening uiterlijk had moeten zijn voldaan. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van de proceskosten, begroot op €1.062,39.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiseres direct kan overgaan tot executie, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.