ECLI:NL:RBROT:2025:2722

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 februari 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
FT RK 24/1430
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen bij niet melden WW-uitkering

Verzoekster diende op 17 oktober 2024 een verzoekschrift in voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. Zij ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft een schuldenlast van circa €39.620. Tijdens een hercontrole bleek dat zij naast de Participatiewet-uitkering ook een WW-uitkering ontving in 2024, welke zij niet had gemeld aan de gemeente, beschermingsbewindvoerder of schuldhulpverlenende instantie. De WW-uitkering werd op een bankrekening van haar overleden vader gestort.

De gemeente vordert de terugbetaling van €4.990,97 aan onterecht ontvangen uitkering en beschouwt dit als fraude. Verzoekster erkent een fout te hebben gemaakt door de additionele inkomsten niet te melden. De rechtbank beoordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest, omdat zij bewust informatie heeft achtergehouden en het bedrag niet heeft gereserveerd voor terugbetaling.

Op grond van artikel 285 Faillissementswet Pro wordt de schuldsaneringsregeling alleen toegewezen als de schulden te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten. De rechtbank concludeert dat dit niet het geval is en wijst het verzoek af. Dit betekent niet dat er geen andere gronden voor afwijzing kunnen zijn, maar de niet-goede trouw is voldoende reden.

De uitspraak is gedaan door rechter M. Aukema op 19 februari 2025. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak, in te stellen door een advocaat bij het gerechtshof.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 februari 2025
[verzoekster],
[adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.

1.De procedure

[verzoekster] heeft op 17 oktober 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder, mevrouw M. van den Heerik, zijn gehoord ter terechtzitting van 3 februari 2025.

2.De feiten

[verzoekster] ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 39.620,32.
De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank bij brief van 3 januari 2025 laten weten dat uit de jaarlijkse hercontrole door de uitkerende instantie naar voren is gekomen dat [verzoekster] naast een Participatiewet-uitkering ook een WW-uitkering heeft ontvangen. De beschermingsbewindvoerder was hiervan niet op de hoogte. [verzoekster] heeft de WW-uitkering laten overmaken op de bankrekening van haar overleden vader. Toen ten aanzien van [verzoekster] beschermingsbewind is uitgesproken, was zij als zelfstandige werkzaam in de zorgbranche. [verzoekster] moest van de gemeente eerst onderzoeken of zij recht had op een WW-uitkering, alvorens een PW-uitkering werd verstrekt. De aanvraag voor een WW-uitkering werd door het UWV afgewezen, waarna de gemeente alsnog een PW-uitkering heeft verstrekt. Het UWV heeft haar besluit herzien en vervolgens alsnog een WW-uitkering aan [verzoekster] verstrekt. [verzoekster] heeft noch de gemeente, noch de beschermingsbewindvoerder, noch de schuldhulp-verlenende instantie hiervan op de hoogte gesteld. [verzoekster] heeft de ontvangen gelden volledig besteed. De gemeente vordert de ontvangen uitkering over het jaar 2024 voor een bedrag van € 4.990,97 terug en merkt deze vordering aan als een fraudevordering. Daarnaast zal aan [verzoekster] door de gemeente een boete worden opgelegd. De hoogte van deze boete is nog niet bekend. [verzoekster] heeft ter zitting meegedeeld dat zij een domme fout heeft gemaakt. Zij erkent dat zij had moeten meedelen dat er sprake was van additionele inkomsten naast haar Participatiewet-uitkering.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het laten ontstaan van de schulden.
[verzoekster] heeft bewust achtergehouden dat zij over het hele kalenderjaar 2024 een WW-uitkering ontving naast haar Participatiewet-uitkering. Zij heeft de ontvangen WW-uitkering laten storten op de bankrekening van haar overleden vader. Eerst bij hercontrole door de gemeente in november 2024 is gebleken dat er sprake was van additionele inkomsten naast de Participatiewet-uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van [verzoekster] om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie, in dit geval de gemeente, juist en volledig is geïnformeerd. [verzoekster] heeft dit niet gedaan. Dit valt [verzoekster] te verwijten. Voorts valt het [verzoekster] te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. De terugvordering van de uitkerende instantie voor een bedrag van € 4.990,97 is niet te goeder trouw ontstaan en staat toelating in de weg.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025. [1]