ECLI:NL:RBROT:2025:3001

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 januari 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
10/682006 HA ZA 24-583
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:34 BWArt. 3:44 lid 4 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering onverschuldigde betaling en opheffing conservatoir beslag

De zaak betreft een vordering van erfgenamen tot terugbetaling van een bedrag van €65.072 dat erflaatster aan gedaagde heeft overgemaakt. Eisers stelden dat deze betalingen onverschuldigd waren, omdat erflaatster in een labiele geestelijke toestand verkeerde en onder druk zou zijn gezet.

De rechtbank oordeelt dat eisers hun stelling onvoldoende hebben onderbouwd en dat de betalingen zijn gedaan als verrekening van gezamenlijke kosten en als schenking binnen een affectieve relatie. Erflaatster was naar het oordeel van de rechtbank wilsbekwaam en handelde bewust.

De vordering tot terugbetaling wordt daarom afgewezen. Het conservatoir beslag dat op de woning van gedaagde lag, wordt opgeheven omdat de vordering ongegrond is. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugbetaling van €65.072 af en heft het conservatoir beslag op de woning van gedaagde op.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer/rolnummer: C/10/682006/ HA ZA 24-583
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

woonplaats: Zevenaar;
2. [eiser 2],
woonplaats: Rotterdam,
in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van [naam 1] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. J. Slager, Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Hoogvliet-Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaten: mr. A. Bouwmeester en mr. N. Klaver, Amsterdam.
De partijen worden hierna ‘ [eiser 1] en [eiser 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 20 juni 2024, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen;
  • de door [gedaagde] op 20 november 2024 overgelegde aanvullende bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van mr. C.C. Arnoldy.
1.2.
Op 22 november 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Aanwezig waren [eiser 2] met mr. J. Slager en [gedaagde] met mr. A. Bouwmeester en mr. C.C. Arnoldy.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.
[naam 1] , erflaatster, is op [datum] overleden. Zij voerde een gemeenschappelijk huishouden met [gedaagde] . Erflaatster heeft op 13 maart 2015 een testament opgemaakt. In dat testament heeft zij [eiser 1] (haar moeder) en [eiser 2] (haar broer) tot haar erfgenamen benoemd. [eiser 1] en [eiser 2] vragen in deze zaak betaling door [gedaagde] van een hoofdsom van € 65.072,-. Volgens hen is sprake van onverschuldigde betaling door erflaatster. [gedaagde] betwist dit en stelt dat er meerdere redenen waren voor de betalingen. De rechtbank is het daarmee eens. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Feiten die voor de beslissing van belang zijn
2.2.
Erflaatster en [gedaagde] hadden sinds september 2022 een affectieve relatie en woonden vanaf begin 2023 samen in de woning van [gedaagde] . Erflaatster betaalde mee aan het huishouden.
2.3.
In november 2023 en januari 2024 heeft tussen erflaatster en [naam 2] van een levenseindekliniek een mailwisseling plaatsgevonden.
2.4.
In december 2023 heeft erflaatster in twee delen een bedrag van € 65.072,- overgemaakt naar de rekening van [gedaagde] , met de omschrijving ‘Groen S’ en ‘Groen S 2’.
2.5.
Op [datum] heeft erflaatster een einde aan haar leven gemaakt.
2.6.
Tijdens de uitvaart heeft [eiser 1] [gedaagde] bedankt voor het feit dat hij twee jaar als mantelzorger voor erflaatster heeft gefungeerd en hem bedankt met de volgende woorden:
“Ik bedank je [gedaagde] , heb alle respect voor je en bij deze maak ik een hele diepe buiging. Zonder jou was het hoogstwaarschijnlijk al eerder gebeurd of hadden ze haar ergens in een gesloten instelling opgesloten, dat is haar en ook ons bespaard gebleven.”
2.7.
Namens [eiser 1] en [eiser 2] is op 6 juni 2024 conservatoir derdenbeslag gelegd op de woning en bankrekeningen van [gedaagde] . De gelegde bankbeslagen zijn inmiddels opgeheven.
In conventie
De vordering van [eiser 1] en [eiser 2]
2.8.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld een bedrag van € 65.072,- aan hoofdsom te betalen en daarnaast buitengerechtelijke kosten, beslag- en proceskosten.
Daartoe voeren zij aan dat de twee betalingen in december 2023 zonder rechtsgrond (onverschuldigd) hebben plaatsgevonden. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft [gedaagde] erflaatster, die in een zeer labiele toestand verkeerde, bewogen om de geldbedragen naar zijn bankrekening over te maken.
Het verweer van [gedaagde]
2.9.
[gedaagde] betwist dat sprake is geweest van onverschuldigde betaling. De betalingen kunnen volgens [gedaagde] worden aangemerkt als vergoeding voor voorgeschoten kosten van het gemeenschappelijk huishouden dan wel als schenkingen binnen een affectieve relatie. Zo was een groot deel van het bedrag een verrekening van de door [gedaagde] voorgeschoten bedragen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding, de verbouwing van de woning (nieuwe vloer, meubilair e.d.) en gezamenlijke vakanties en uitjes. Daarnaast was het een vergoeding dan wel schenking voor de zorgtaken die [gedaagde] op zich had genomen. Na de afwikkeling van de echtscheiding tussen erflaatster en haar ex-partner in september 2023, had zij daar eindelijk de financiële middelen voor.
Erflaatster was gediagnosticeerd depressief, maar niet labiel in de betekenis van geestelijk onevenwichtig
.Zij vond het leven op momenten ondraaglijk zwaar en had volgens [gedaagde] last van de medicatie, maar er was geen sprake van wilsonbekwaamheid. Erflaatster was prima in staat te beschikken over haar vermogen.
2.10.
De rechtbank merkt allereerst op dat het verlies van erflaatster voor alle partijen uiterst verdrietig is en een enorme impact op hun levens heeft. De rechtbank heeft ook begrip voor de emotionele spanningen bij partijen die dit overlijden moeten verwerken. Dat neemt echter niet weg dat de vordering in conventie zal worden afgewezen op grond van het navolgende.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de overboekingen zonder rechtsgrond zijn gedaan en verbinden daaraan een rechtsgevolg, namelijk terugbetaling. Volgens de gewone regels van het bewijsrecht moeten zij die stelling onderbouwen. Zij hebben verder aangevoerd dat de wil van erflaatster ontbrak vanwege haar psychische problemen. Ze hebben echter geen beroep op vernietiging van de overboekingen wegens een geestelijke stoornis gedaan. Het door [eiser 1] en [eiser 2] overgelegde overzicht van de door erflaatster gebruikte medicatie is overigens naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het bewijs van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 BW Pro. Zó er al sprake zou zijn geweest van een geestelijke stoornis, dan is het maar de vraag of deze stoornis een redelijke waardering van het betrokken belang heeft verhinderd. En wanneer [eiser 1] en [eiser 2] bedoelen dat sprake is van misbruik van omstandigheden, dan geldt artikel 3:44 lid 4 BW Pro. Volgens dat artikel is misbruik van omstandigheden aanwezig “als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals een abnormale geestestoestand, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden”. De ernstige depressies van erflaatster betekenen niet automatisch een abnormale geestestoestand.
2.11.
In reactie op het verweer van [gedaagde] dat de betalingen kunnen worden aangemerkt als vergoeding voor voorgeschoten kosten van de gezamenlijke huishouding, dan wel als schenkingen binnen een affectieve relatie, hebben [eiser 1] en [eiser 2] een aantal afschriften van de betaalrekening van erflaatster overgelegd waaruit zou moeten blijken dat erflaatster zeer regelmatig bedragen naar [gedaagde] overmaakte voor boodschappen. Uit de door [gedaagde] overgelegde producties valt daarentegen af te leiden dat erflaatster in de periode van april 2023 tot en met oktober 2023 een kleine maandelijkse bijdrage heeft betaald en dat [gedaagde] in de periode van september 2022 tot november 2023 het merendeel van de gezamenlijke kosten voor zijn rekening heeft genomen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het bovendien aan erflaatster was om te doen met haar geld wat zij wilde. Uit de berichten van november 2023 en januari 2024 aan [naam 2] blijkt dat erflaatster heel goed wist wat ze wilde. Uit de door [gedaagde] overgelegde foto’s en de woorden die [eiser 1] tijdens de uitvaart tot [gedaagde] richtte, blijkt dat erflaatster binnen de ellendige toestand waarin zij verkeerde, gelukkig was met [gedaagde] .
2.12.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser 1] en [eiser 2] hun vordering tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] onvoldoende (nader) hebben onderbouwd. Daarmee komt vast te staan dat de betalingen zijn gedaan op grond van verrekening en schenking. Dit maakt dat het (totale) bedrag van € 65.072,- niet onverschuldigd betaald is. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] zal dus wegens een gebrek aan grondslag worden afgewezen.
In reconventie
De vordering van [gedaagde]
2.13.
[gedaagde] vordert opheffing van het conservatoir beslag dat op zijn woning ligt. Omdat de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] tot terugbetaling wordt afgewezen, is er sprake van een ten onrechte gelegd conservatoir beslag. De vordering tot opheffing van het beslag zal daarom worden toegewezen.
In conventie en in reconventie
Proceskosten
2.14.
[eiser 1] en [eiser 2] krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. Deze worden begroot op € 1.325,- aan griffierecht, € 1.572,- aan advocaatkosten en € 278,- aan nakosten. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van de uitspraak. In dit vonnis hoeft hierover geen aparte beslissing te worden genomen (ECLI:NL:HR:2022:853).
Uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Het vonnis zal, zoals gevraagd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van diens uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld.

3.De beslissing

De rechtbank:
In conventie
3.1.
wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] af;
In reconventie
3.2.
heft het op 6 juni 2024 door gerechtsdeurwaarder [naam 3] op de onroerende zaak staande en gelegen te [adres] , gelegde conservatoire derdenbeslag op;
In conventie en in reconventie
3.3.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 3.175,-, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef, en uitgesproken op 15 januari 2025.
3092