De zaak betreft een huurgeschil tussen eiser en gedaagde partijen die een woning huurden van december 2022 tot november 2024. Er is een huurachterstand van €6.870,60 omdat de huur van €1.145,10 per maand niet of te laat werd betaald. Eiser vordert betaling van de achterstand, buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en proceskosten. De huurovereenkomst is inmiddels geëindigd en de woning ontruimd.
De kantonrechter oordeelt dat het opslagbeding in artikel 5.2 van de huurovereenkomst oneerlijk is omdat het de verhuurder eenzijdig het recht geeft de huurprijs te verhogen zonder zekerheid voor de huurder. Dit beding wordt vernietigd. Daarnaast wijst de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten af, omdat het incassokostenbeding in de algemene bepalingen afwijkt van de wettelijke regeling en de huurder onredelijk belast.
De kantonrechter verlangt een nadere uitleg van eiser over de berekening van de huurverhoging die heeft geleid tot een verhoging van 4,1%, terwijl de wettelijke indexering op basis van de consumentenprijsindex 3,0% zou bedragen. Eiser moet dit bij akte toelichten voor de rolzitting op 30 januari 2025. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat deze toelichting is ontvangen.