Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.
4.Bewijswaardering
Op 15 januari 2024 werd hij opgenomen in het ziekenhuis nadat hij op straat onwel was geworden. De volgende dag is hij uit het ziekenhuis ontslagen. Vanaf dat moment heeft hij niet geslapen, op straat gezworven en nauwelijks gegeten of gedronken. Hij dacht dat hij in of nabij Polen was, sprak Pools tegen willekeurige voorbijgangers en dacht dat zij Pools tegen hem praatten. Ook dacht hij in de gezichten van voorbijgangers zijn vriendin [persoon A] en andere kennissen te herkennen. Hij was doodsbang dat anderen hem iets wilden aandoen en zocht hulp bij de politie en bij anderen; daarom probeerde hij in diverse auto’s, waaronder een politieauto, te stappen. Op de dag van de incidenten stal hij een mes bij de Lidl om zichzelf te kunnen beschermen. Daarmee heeft hij in het park gezeten, waar hij nog steeds het gevoel had dat hij werd achtervolgd. De verdachte dacht dat het slachtoffer [slachtoffer 1] één van de mensen was die het op hem voorzien hadden. Hij had de indruk dat de heer [slachtoffer 1] een zwaai maakte met zijn arm en vermoedt dat dit zijn zelfverdedigingsinstinct heeft aangewakkerd.
De eerste melder zei dat de man niet naar alcohol rook en niet dronken overkwam. Hij sprak zonder intonatie, opgefokt en heel snel, maar hij schreeuwde niet. De man zei opeens:
“problem, problem”en zocht naar een deurhendel aan de achterzijde van de auto, terwijl dit voertuig alleen voorportieren had. Een buurman meldde later dat de man op zijn voordeur had gebonkt en ook aan zijn auto had gezeten. Op basis van camerabeelden is later vastgesteld dat het om de verdachte ging.
De tweede melder zei dat de verdachte in een auto wilde stappen die stilstond op de weg, waarna hij bij de melder instapte. De verdachte zei vanaf de achterbank alleen:
“Please, please”,verder niets. De verdachte verzette zich niet toen de melder hem uit de auto trok. De verdachte had vermoedelijk buiten geslapen, want hij voelde koud aan. De melder en zijn vrouw hadden geen idee wat de verdachte van hen wilde, zij hadden vooral medelijden met hem.
De derde melder vertelde dat de verdachte plotseling midden op de weg voor zijn auto ging staan en instapte. De verdachte riep onverstaanbare dingen in de Poolse taal en hij wilde dat de melder hem naar Polen zou brengen. Hij zat aan spullen in de auto en nam de autosleutels uit het contact. Toen de melder de verdachte uit de auto had verwijderd, bleef hij op straat staan roepen en wijzen naar mensen. De verdachte zei later tegen de politie dat de melder een
“killer”was en dat hij niet had geslapen.
stills’van het filmpje die in het dossier zitten.
‘vol’opzet had op het toebrengen van dodelijk letsel bij het slachtoffer [slachtoffer 1] . De vraag is of de verdachte voorwaardelijk opzet had, met andere woorden of hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de heer [slachtoffer 1] zou doden door hem met een mes in het bovenbeen te steken. De raadsman beantwoordt die vraag ontkennend: volgens hem was de verdachte niet in staat
bewusthet (klaarblijkelijke) levensgevaar voor het slachtoffer te aanvaarden, omdat hij totaal verward was en niet in staat was om de realiteit goed waar te nemen.
‘vol’opzet had op het bedreigen van het slachtoffer [slachtoffer 2] . De verdachte kan zich niet herinneren dat hij hem met het mes heeft achternagezeten. Dat dit wel is gebeurd, staat op basis van het dossier wel vast. De vraag is of de verdachte voorwaardelijk opzet had, met andere woorden of hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer 2] zou bedreigen. De verdachte heeft met een mes achter hem aangerend, stekende bewegingen in zijn richting gemaakt en – nadat het slachtoffer wist te ontkomen door in het busje te klimmen – met het mes geslagen tegen de ruit van het busje waarin hij en zijn collega zaten. Het is evident dat deze gedragingen ieder afzonderlijk bij degene tegen wie deze zijn gericht (en mogelijk ook bij omstanders) de reële vrees veroorzaakt dat zijn of haar leven wordt bedreigd. Daarvan moet de verdachte zich bewust zijn geweest. Bovendien voorzag hij zichzelf van een mes om zichzelf te kunnen verdedigen; ook daaruit blijkt dat hij (zij het binnen zijn psychose) in zekere zin bewust en doelgericht handelde. Door zijn handelen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zich hierdoor bedreigd zou voelen. Naar het oordeel van de rechtbank moet de verdachte ook hierbij nog enig besef hebben gehad van de draagwijdte van zijn handelen, ook al handelde hij vanuit een psychose.
5.Strafbaarheid feiten
2.
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
6.Strafbaarheid verdachte
Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen mogelijkheden tot een behandeling in een strafrechtelijk kader.
7.Vorderingen benadeelde partijen
nietschuldig bevonden aan de door hem gepleegde strafbare feiten, zodat geen ruimte bestaat voor het opleggen van (een) schadevergoedingsmaatregel(en) in verband met schade die zou zijn geleden ten gevolge van die strafbare feiten.