ECLI:NL:RBROT:2025:4078

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
11060777 CV EXPL 24-10862
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83b BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering geldlening tussen vrienden met terugbetaling en rente

Eiser en gedaagde hadden een vriendschappelijke relatie waarbij eiser geld heeft geleend en spullen heeft gegeven aan gedaagde. Eiser vordert terugbetaling van een bedrag van € 10.678,- met rente en kosten. De kantonrechter erkent de overeenkomst van geldlening en wijst een bedrag van € 9.712,91 toe, bestaande uit een erkend bedrag, een contante betaling van € 300,- en de aanschafprijs van een Apple laptop.

De laptop en contante betaling worden onderbouwd met een Whatsappbericht en e-mail van gedaagde, waarin zij schuld erkent. De overige gevorderde bedragen worden afgewezen omdat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat deze als lening waren overeengekomen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 24 februari 2024 en de buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op € 1.041,39 conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het totaalbedrag van € 10.754,30 plus rente en proceskosten van € 1.331,72. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.

Uitkomst: Gedaagde moet € 10.754,30 plus wettelijke rente en proceskosten betalen, resterende vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11060777 CV EXPL 24-10862
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
gemachtigde: mr. A.K. Tosun,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.A. Bhagwandin,
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 11 april 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de akte van [gedaagde] van 25 november 2024, met bijlagen;
  • de akte van [eiser] , met vermindering van eis, van 6 januari 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 16 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiser] met zijn gemachtigde en tolk, M.A. Budak aanwezig. [gedaagde] was met haar gemachtigde aanwezig.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[eiser] en [gedaagde] hebben een vriendschappelijke relatie met elkaar gehad. [eiser] stelt dat hij tijdens deze relatie [gedaagde] geld heeft geleend en haar spullen heeft gegeven waarvoor ze hem zou terugbetalen. Hij stelt dat er nog een bedrag van € 10.678,- openstaat. Dit vordert hij terug met rente en kosten. De kantonrechter wijst een gedeelte van de vordering toe. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een bedrag van € 9.712,91 aan [eiser] terugbetalen
2.2.
[gedaagde] moet aan [eiser] een bedrag van € 9.712,91 terugbetalen. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening tussen partijen. [gedaagde] erkent dat zij € 8.133,91 moet terugbetalen, dus dat staat vast. De kantonrechter vindt dat daarnaast ook vaststaat dat [gedaagde] de contante betaling van € 300,- en de aanschafprijs van de Apple laptop van € 1.279,- moet terugbetalen. [eiser] heeft dit namelijk voldoende onderbouwd en [gedaagde] heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist.
2.3.
[eiser] onderbouwt zijn stelling dat [gedaagde] de aanschafprijs van de laptop moet terugbetalen met een Whatsappbericht van [gedaagde] aan hem van 14 oktober 2023. Daarin schrijft [gedaagde] het volgende: ‘Because I have € 7.700 debt from what I can see on my back from you, and there is also the laptop the laptop which will make it € 8.995 in total’. Hierin geeft zij volgens [eiser] aan dat de aankoopwaarde van de laptop meetelt in de schuld aan hem. Volgens [gedaagde] klopt dat niet. Zij voert aan dat ze de laptop van [eiser] heeft gekregen. Maar dat volgt niet uit bovenstaand Whatsapp bericht. [gedaagde] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat [eiser] haar de laptop cadeau heeft gegeven. Hetzelfde geldt voor de contante betaling van € 300,- op 17 juni 2023. [eiser] onderbouwt zijn stelling dat [gedaagde] dit moet terugbetalen met een e-mail van [gedaagde] aan [eiser] van 26 januari 2024. Daarin schrijft [gedaagde] zelf dat deze contante betaling van € 300,- als lening aangemerkt wordt. Zij heeft hiertegenover onvoldoende aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat deze betaling een cadeau was.
De vordering tot betaling van de resterende bedragen wordt afgewezen
2.4.
De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de resterende bedragen af, omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen hebben afgesproken dat deze bedragen een lening waren. Het feit dat [gedaagde] eerst bereid was een hoger bedrag terug te betalen kan niet worden opgevat als een erkenning dat ze hiertoe ook verplicht was. Volgens [gedaagde] heeft zij dit namelijk alleen gezegd om van de procedure af te zijn.
De wettelijke rente wordt toegewezen
2.5.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De rente over de buitengerechtelijke kosten wordt pas toegewezen vanaf 24 februari 2024, omdat [eiser] op die datum recht had op een vergoeding van die kosten (artikel 6:83b BW).
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.6.
De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro). Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief (hierna: ‘het Besluit’). Het door [eiser] geëiste bedrag van € 1.089,96 ligt hoger dan het in het Besluit genormeerde tarief. De maximale hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden is gerelateerd aan de hoogte van de toewijsbare hoofdsom en niet aan de aard en omvang van de buitengerechtelijke werkzaamheden. [1] Hierdoor wordt een bedrag van € 1.041,39 toegewezen.
Proceskosten
2.7.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 248,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.331,72. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en daarop niet is gereageerd (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.754,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over
€ 9.712,91, met ingang van 24 februari 2024, tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden vastgesteld op € 1.331,72;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
62914

Voetnoten

1.HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405.