ECLI:NL:RBROT:2025:4082

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 maart 2025
Publicatiedatum
31 maart 2025
Zaaknummer
11290853 CV EXPL 24-22138
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:204 BWArt. 7:207 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht dat geen ernstig gebrek was in gehuurde woning ondanks lekkage

De zaak betreft een geschil tussen Stichting Havensteder en een huurder over de huurprijsverlaging wegens vermeende gebreken in de woning. De huurder stelde dat er sprake was van een langdurige lekkage in de berging, wat een (zeer) ernstig gebrek zou vormen en recht zou geven op huurprijsvermindering. De Huurcommissie had de huurprijs verlaagd voor de periode van mei tot december 2023.

Havensteder betwistte het bestaan van een dergelijk gebrek en vorderde een verklaring voor recht dat geen sprake was van een ernstig gebrek en dat de huurprijs voor genoemde periode hoger moest worden vastgesteld. De rechtbank volgde Havensteder in haar standpunt, omdat de door de huurder overgelegde foto's niet konden aantonen wanneer en hoe lang de lekkage had plaatsgevonden en er geen bewijs was dat de lekkage zich in de periode van mei tot december 2023 had voorgedaan.

De rechtbank stelde daarom vast dat geen sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro en dat de huurder geen recht had op huurprijsvermindering over die periode. De huurprijs werd vastgesteld op € 625,56 voor mei en juni 2023 en € 641,82 voor juli tot en met november 2023. Partijen dragen hun eigen proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Er is geen (zeer) ernstig gebrek vastgesteld, en de huurprijs is vastgesteld op hogere bedragen dan door de Huurcommissie bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11290853 CV EXPL 24-22138
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. S.F. Dik,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 26 augustus 2024, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
1.2.
Op 16 januari 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig namens Havensteder [persoon A] met de gemachtigde en [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 18 december 1996 van Havensteder de woning aan het [adres] in Rotterdam (hierna: de woning). Na een verzoek van [gedaagde] heeft de Huurcommissie in haar uitspraak van 29 mei 2024 bepaald dat de huurprijs van € 625,56 per maand vanaf 1 mei 2023 tot 1 december 2023 wordt verlaagd tot € 375,34 per maand vanwege een langdurige lekkage in de berging bij de woning. Havensteder is het hiermee niet eens en vordert een verklaring voor recht dat geen sprake was van een (zeer) ernstig gebrek en de huurprijs per 1 mei 2023 tot 1 december 2023 vast te stellen op
€ 641,82 per maand. [gedaagde] ziet dat anders. De vorderingen worden echter toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Een (zeer) ernstig gebrek?
2.2.
Volgens [gedaagde] heeft zij al jarenlang last van een lekkage in de berging en doet Havensteder niets of te weinig om dat te verhelpen. Er is daardoor volgens haar sprake van substantieel verminderd woongenot. Havensteder betwist dit. Zij heeft toegelicht dat op 26 oktober 2022 een lekkage is verholpen. Volgens Havensteder heeft zich in de periode van 1 mei 2023 tot december 2023 geen lekkage meer voorgedaan. Dit standpunt wordt gevolgd. De foto’s die [gedaagde] heeft ingediend laten de gevolgen van een lekkage zien, maar daaruit kan niet worden opgemaakt wanneer dat was, hoe lang dat heeft geduurd en wat de ernst ervan was. Verder zijn geen stukken aanwezig die de uitspraak van de huurcommissie ondersteunen. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een gebrek in de zin van artikel 7:204 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en dus ook niet dat [gedaagde] op grond van artikel 7:207 BW Pro recht heeft op een huurprijsvermindering over de periode mei tot december 2023. De conclusie is dan ook dat de gevraagde verklaring voor recht wordt toegewezen. De huurprijs zal worden vastgesteld als hierna vermeld.
Proceskosten
2.3.
Havensteder heeft op zitting afgezien van een proceskostenveroordeling als zij in het gelijk wordt gesteld. Partijen dragen dus hun eigen kosten. [gedaagde] hoeft daarom geen vergoeding te betalen voor de kosten die Havensteder heeft gemaakt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.4.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de berging behorende bij de woning aan de [adres] in Rotterdam geen (zeer) ernstig gebrek kent;
3.2.
stelt de maandelijkse huurprijs voor de woning aan de [adres] in Rotterdam voor mei 2023 en juni 2023 vast op € 625,56 en voor juli 2023 tot en met november 2023 op € 641,82 per maand;
3.3.
bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
62914