Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 26 augustus 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen Stichting Havensteder en een huurder over de huurprijsverlaging wegens vermeende gebreken in de woning. De huurder stelde dat er sprake was van een langdurige lekkage in de berging, wat een (zeer) ernstig gebrek zou vormen en recht zou geven op huurprijsvermindering. De Huurcommissie had de huurprijs verlaagd voor de periode van mei tot december 2023.
Havensteder betwistte het bestaan van een dergelijk gebrek en vorderde een verklaring voor recht dat geen sprake was van een ernstig gebrek en dat de huurprijs voor genoemde periode hoger moest worden vastgesteld. De rechtbank volgde Havensteder in haar standpunt, omdat de door de huurder overgelegde foto's niet konden aantonen wanneer en hoe lang de lekkage had plaatsgevonden en er geen bewijs was dat de lekkage zich in de periode van mei tot december 2023 had voorgedaan.
De rechtbank stelde daarom vast dat geen sprake was van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW Pro en dat de huurder geen recht had op huurprijsvermindering over die periode. De huurprijs werd vastgesteld op € 625,56 voor mei en juni 2023 en € 641,82 voor juli tot en met november 2023. Partijen dragen hun eigen proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Er is geen (zeer) ernstig gebrek vastgesteld, en de huurprijs is vastgesteld op hogere bedragen dan door de Huurcommissie bepaald.