Verzoeker kreeg op 26 januari 2023 toestemming van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten voor een beveiligingsbedrijf. Deze toestemming werd op 11 februari 2025 ingetrokken vanwege twijfels over de integriteit en betrouwbaarheid van verzoeker, onder meer door onjuiste verklaringen en onwaarheden over een rijbewijs en betrokkenheid van familieleden in het bedrijf.
Verzoeker maakte bezwaar tegen het intrekkingsbesluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen, zodat hij zijn werkzaamheden kon voortzetten. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang had aangetoond, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat hij in een financiële noodsituatie verkeerde. Verzoeker onderbouwde zijn financiële situatie niet met stukken, terwijl het bedrijf nog operationeel was en hij ook betrokken was bij andere ondernemingen.
Daarnaast stelde de voorzieningenrechter vast dat het besluit van de korpschef niet evident onrechtmatig was. De korpschef had een gemotiveerde en onderbouwde reden om de toestemming in te trekken, gebaseerd op meerdere feiten en omstandigheden die de betrouwbaarheid van verzoeker in twijfel trokken.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.