De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2013, die momenteel verblijft in een gezinshuis. De kinderrechter heeft eerder de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 20 december 2025. Na een terugplaatsing bij de vader en diens partner op 26 januari 2025, vond een incident plaats waardoor de veiligheid van de minderjarige niet meer kon worden gegarandeerd.
Hierop verleende de kinderrechter op 7 februari 2025 een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing in het netwerk, gevolgd door plaatsing in een gezinsgerichte voorziening. De kinderrechter overweegt dat een door de GI beëindigde uithuisplaatsing binnen drie maanden en binnen de looptijd van de oorspronkelijke machtiging niet zonder rechterlijke tussenkomst kan worden herleefd.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Alle betrokkenen zijn het eens dat de minderjarige voorlopig het beste op haar plek is in het gezinshuis. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de mogelijkheid tot hoger beroep wordt toegelicht.