De rechtbank Rotterdam behandelde op 26 maart 2025 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) voor betrokkene, die lijdt aan restverschijnselen van een delier en vermoedelijk een onderliggende neurocognitieve stoornis heeft.
De medische verklaring en het zorgplan toonden aan dat betrokkene ernstig nadeel ondervindt door zijn psychische stoornis, waaronder risico op lichamelijk letsel, verwaarlozing en agressief gedrag. Betrokkene was onrustig en fysiek agressief tijdens opname, met valincidenten en fracturen tot gevolg. De arts lichtte toe dat het delier was afgenomen maar dat betrokkene nog niet stabiel genoeg is om naar huis terug te keren, mede vanwege lichamelijke beperkingen en het risico op terugval.
Er zijn geen vrijwillige zorgmogelijkheden, omdat betrokkene de opname wil beëindigen terwijl het noodzakelijke neuropsychologisch onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank achtte verplichte zorg noodzakelijk en wees de zorgmachtiging toe voor zes maanden, met specifieke maatregelen zoals medicatie, bewegingsbeperking en opname in een instelling, maar wees enkele gevraagde zorgvormen af wegens onvoldoende noodzaak.
De beschikking is mondeling gegeven op 26 maart 2025 en schriftelijk uitgewerkt op 31 maart 2025. Tegen deze beschikking staat cassatie open.