Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit en een verblijfsvergunning type I regulier bepaalde tijd, verzocht studiefinanciering aan, maar de minister wees dit af omdat zij niet aan de nationaliteitseis voldoet. De aanvraag werd op 29 augustus 2022 afgewezen en het bezwaar op 30 januari 2023 eveneens ongegrond verklaard.
Eiseres stelde dat zij en haar ouders aan de voorwaarden voor naturalisatie voldoen en beriep zich op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel, omdat haar broer en zus wel studiefinanciering ontvingen. De rechtbank oordeelde dat de broer en zus ten onrechte studiefinanciering ontvingen en dat de minister niet gehouden is fouten uit het verleden te herhalen. Tevens is de hoorplicht niet geschonden omdat de Awb-artikelen niet van toepassing zijn op de bezwaarprocedure.
De rechtbank concludeert dat eiseres geen recht heeft op studiefinanciering. Wel is vastgesteld dat de procedure ruim zes maanden langer duurde dan redelijk is, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van € 907,-. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.