Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €440.000,- en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2023. De heffingsambtenaar verlaagde de waarde naar €426.000,- en wees het bezwaar gedeeltelijk toe. Eiser stelde dat de uitspraak op bezwaar pas op 8 november 2023 bekend was gemaakt, terwijl de heffingsambtenaar stelde dat dit op 3 november 2023 per e-mail en post was gebeurd.
De rechtbank oordeelde dat de elektronische verzending aan de toenmalige gemachtigde van eiser op 3 november 2023 rechtsgeldig was, mede omdat de gemachtigde digitaal bereikbaar was en dit ook uit het bezwaarschrift bleek. De beroepstermijn van zes weken begon daarom op 4 november 2023 en eindigde op 15 december 2023. Het beroepschrift werd echter pas op 16 december 2023 ontvangen, waardoor het te laat was ingediend.
Eiser beriep zich op het vertrouwensbeginsel omdat hij voorafgaand aan de zitting niet was geïnformeerd over de termijnoverschrijding. De rechtbank verwierp dit verweer omdat een ontvankelijkheidskwestie ook in een latere fase kan worden geconstateerd en de heffingsambtenaar al in het verweerschrift had gewezen op de termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, beoordeelde de zaak niet inhoudelijk en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.