De werknemer trad op 13 september 2023 in dienst bij de werkgever als receptioniste/administratief medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd verlengd tot 12 september 2025. Na ziekmelding op 13 december 2024 werd zij per 3 januari 2025 op staande voet ontslagen wegens vermeende onregelmatigheden in de boekhouding, waaronder het op naam van een collega aanmaken van een factuur met een verkeerde behandeldatum en het niet eerlijk zijn hierover.
De werknemer betwistte de beschuldigingen en stelde dat er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet. De werkgever verweerde zich met verwijzingen naar grootschalige zorgfraude binnen het bedrijf, maar deze aanvullende verwijten waren niet opgenomen in de ontslagbrief en werden door de rechter buiten beschouwing gelaten.
De kantonrechter oordeelde dat enkel de in de ontslagbrief genoemde redenen relevant zijn en dat onvoldoende bewijs is geleverd dat de werknemer de beschuldigingen heeft begaan. Zelfs als de feiten juist zouden zijn, waren deze niet ernstig genoeg voor ontslag op staande voet. Het ontslag werd daarom niet rechtsgeldig geacht.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding, een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, een billijke vergoeding van drie maanden loon, het vakantiegeld en de waarde van opgebouwde vakantiedagen, alsmede buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.