Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 6 juli 2021
Centric Netherlands B.V.,
[werknemer] ,
Waar deze zaak over gaat
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het hof stelt voorop dat het aan de rechter is om die feiten vast te stellen die hij voor de beoordeling van de zaak van belang acht. Daarbij wordt geen volledigheid nagestreefd. Centric heeft in deze zaak een grief (grief I) gericht tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter en daarbij uitvoerig, bijna 16 pagina’s lang, de feiten uiteengezet zoals zich die volgens haar hebben voorgedaan, zonder voldoende duidelijk te maken op welke punten de door de kantonrechter vastgestelde feiten en daarmee samenhangende overwegingen onjuist zouden zijn. Gelet op het voorgaande dienen de door de kantonrechter vastgestelde feiten ook het hof als uitgangspunt nu zij in hoger beroep niet in geschil zijn althans door Centric in hoger beroep niet behoorlijk zijn bestreden. Het hof zal bij de feitenvaststelling tevens de feiten betrekken die in hoger beroep zijn komen vast te staan. Grief I treft geen doel.
Er is sprake van een vertrouwensbreuk. Hoe wij uit elkaar gaan, moeten we nog afspreken maar de wegen van [werknemer] en Centric scheiden”, aldus [bestuurder] .
“(…)Bij deze bevestig ik de zojuist besproken uitgangspunten voor een regeling:
“(…) Hierbij de bevestiging dat de verwoording van de afspraken akkoord is. Ik stuur u zo spoedig mogelijk de vso in concept (…)”Mr. de Boer heeft de vaststellingsovereenkomst ook opgesteld en op dezelfde dag om 14.59 uur aan de advocaat van Centric toegezonden en om per omgaande akkoord op de tekst van de vaststellingsovereenkomst gevraagd. Nadien is tussen partijen over en weer over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst nog gecorrespondeerd en zijn enkele door Centric voorgestelde wijzigingen verwerkt. Uiteindelijk heeft Centric de vaststellingsovereenkomst niet getekend.
De verdere beoordeling in hoger beroep
“Vierde directielid in half jaar tijd weg bij Centric” (…) Met [werknemer] verliest Centric dit jaar zijn vierde directielid. Eerder verlieten topman [voormalig ceo] , financieel directeur [financieel directeur] en voormalig operationeel directeur [operationeel directeur] het bedrijf.”
na het einde van de arbeidsovereenkomstop zekere wijze werkzaam te zijn.
Verval concurrentiebeding. Relatiebeding tot 1 juli 2020 voor 20 door Centric te benoemen relaties”(zie onder 3.10). De advocaat van [werknemer] heeft dezelfde dag nog ingestemd met de verwoording van de mondeling gemaakte afspraken in voornoemde e-mail (zie onder 3.11). Vast staat dat Cegeka niet als relatie van Centric te gelden heeft, maar als concurrent. Als Centric in het kader van de afspraak over het vervallen van het concurrentiebeding een uitzondering had willen maken voor Cegeka en/of [werknemer] op dit punt een toezegging had gedaan die voor Centric belangrijk was, dan had het op de weg van Centric gelegen dit in de e-mail van 17 oktober 2019 tot uitdrukking te brengen. Dit heeft zij niet gedaan. Eerst bij e-mail van 17 december 2019 heeft de advocaat van Centric geschreven dat Centric aan de “lijst met relaties behorende bij de vaststellingsovereenkomst” Cegeka wenste toe te voegen. Naar het oordeel van het hof is het in de gegeven omstandigheden dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Centric eerst akkoord gaat met verval van het concurrentiebeding om daar vervolgens op terug te komen en er toch een beroep op te doen. Grief IV treft geen doel.
voor het geval de arbeidsovereenkomst tussen partijen tot op heden voortduurt, ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen en bepaalt dat deze eindigt op 1 april 2020”. Een redelijke uitleg van die passage van de beschikking van de kantonrechter brengt met zich mee dat de veroordelingen die na punt 6 volgen niet anders kunnen worden begrepen dan dat deze slechts gelden ingeval de voorwaarde van punt 6 van het dictum is vervuld.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- kent aan [werknemer] een billijke vergoeding toe groot € 175.000,- bruto;
- bekrachtigt de beschikking voor het overige;
- veroordeelt Centric in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [werknemer] in het principaal hoger beroep tot op heden begroot op € 760,- aan griffierecht en € 8.128,- aan salaris advocaat (2 pnt tarief V a € 4.064,-) en in het incidenteel hoger beroep tot op heden begroot op € 2.032 aan salaris advocaat;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders verzochte.