Eiseres heeft beroep ingesteld tegen drie besluiten van de minister van Infrastructuur en Waterstaat betreffende de weigering of verlening van vergunningen voor het plaatsen van extra elektrische laadpalen op verzorgingsplaatsen langs snelwegen. De vergunningen zijn verleend of geweigerd op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr).
De rechtbank oordeelt dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn omdat eiseres geen zienswijzen heeft ingediend tegen de ontwerpbesluiten, terwijl haar dit redelijkerwijs kan worden verweten. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eiseres dat de zogenaamde 'Varkens in Nood'-uitzondering van toepassing is, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de activiteiten aanzienlijke milieueffecten veroorzaken.
De rechtbank benadrukt dat het Verdrag van Aarhus en de jurisprudentie van het HvJEU en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vereisen dat alleen besluiten met aanzienlijke milieueffecten onder de uitzondering vallen. De Wbr-besluiten in deze zaken kwalificeren hier niet voor. De beroepen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.