ECLI:NL:RBROT:2025:6401
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen DNA-afname na lange periode gegrond verklaard wegens beperkte recidivekans
De veroordeelde werd in 1998 op 16-jarige leeftijd veroordeeld tot een PIJ-maatregel voor poging tot diefstal met geweld in vereniging. Na 26 jaar gaf de officier van justitie een bevel tot DNA-afname, dat in januari 2025 werd uitgevoerd. De veroordeelde maakte bezwaar tegen het bevel, stellende dat het tijdsverloop en de impact op zijn leven onevenredig zijn.
De officier van justitie stelde dat het bevel wettelijk verplicht was en dat het tijdsverloop geen nadeel voor de veroordeelde oplevert, mede omdat de bewaartermijn van het DNA-materiaal vanaf de veroordeling loopt. De rechtbank overwoog dat hoewel de wet geen termijn stelt voor het bevel, het spoedig na veroordeling gegeven dient te worden. De Hoge Raad beperkt de uitzonderingsgronden strikt, maar erkent dat bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot achterwege laten van DNA-afname.
Gezien de lange tijd sinds de veroordeling, de jeugdige leeftijd van de veroordeelde destijds en het ontbreken van nieuwe veroordelingen, acht de rechtbank het recidiverisico beperkt. Dit vormt een uitzonderingsgrond die rechtvaardigt dat het bevel tot DNA-afname niet wordt uitgevoerd. Het bezwaar wordt daarom gegrond verklaard en vernietiging van het afgenomen DNA-materiaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bevel tot DNA-afname wordt gegrond verklaard en het afgenomen DNA-materiaal wordt vernietigd.