Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 7 februari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van SOR, met bijlage;
- de akte van [persoon A] , met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak is een geschil tussen huurder [persoon A] en Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam (SOR) over de afrekening van servicekosten over het jaar 2020. De huurder was het niet eens met de uitspraak van de huurcommissie en vorderde een lagere vaststelling van de kosten.
De kantonrechter heeft in een tussenvonnis de servicekosten voor diverse posten vastgesteld conform de huurcommissie, behalve voor de post huismeester, waarvoor nadere stukken werden opgevraagd. Uit de overgelegde agenda van de huismeester bleek onvoldoende dat deze structureel minder dan drie dagdelen per week werkzaam was. De algemene functieomschrijving van de huismeester werd als uitgangspunt genomen, waarbij geen gedetailleerde urenverantwoording vereist is.
De kantonrechter concludeerde dat SOR de kosten voor de huismeester redelijk kan doorberekenen aan de huurders. De werkelijke kosten waren €20.433, waarvan 70% voor rekening van de huurders komt; SOR bracht echter slechts €11.609,89 in rekening. Het aandeel van de huurder werd vastgesteld op €116,10.
De totale servicekosten over 2020 werden vastgesteld op €979,51, waarbij alleen de post huismeester afweek van de huurcommissie-uitspraak. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten van €337,50. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter stelt de servicekosten 2020 vast op €979,51 en veroordeelt de huurder in proceskosten van €337,50.